Vrijdag 04/12/2020

Visionaire schrijvers zijn vooral bange schrijvers

Op de dag zelf dat Michel Houellebecqs Soumission verscheen, een toekomstbeeld van een islamitisch Frankrijk, moordden jihadi de redactie van Charlie Hebdo uit. Beschikken schrijvers over een glazen bol, een scherpere visie, of hebben ze gewoon veel te veel tijd om kranten en het internet te lezen? P.B. Gronda dook op zoek naar een antwoord in een duistere hoek van de literatuurgeschiedenis.

Ooit geloofden we nog dat alles goed zou komen. We wisten nog niet zo heel erg veel, wetenschappelijk gesproken, en we konden dus maar hopen. De essentie van heel ons zijn is het, dat hopen. Hopen op een betere toekomst.

Miserie aan de lopende band

Die toekomst werd in de literatuur dan ook lang beschreven in de vorm van utopieën. De hemel zou neerdalen op de aarde en versmelten tot een plek waar wij allen zonder honger en oorlog tot het einde der tijden zouden kunnen leven. Het geloof in een belofte van meer en beter, ergens anders, in de toekomst. Thomas More begon er in de zestiende eeuw al aan met Utopia (1516). Daarna legde onder anderen Margaret Cavendish met The Blazing World (1666) de basis voor utopische sciencefiction. Dat boek verscheen tweehonderd jaar voor Jules Verne met Voyage aux centre de la Terre (1864) aan een lange reeks visionaire boeken begon. Een gigantisch succes, want wie wil nu niet weten wat de toekomst brengt?

Wat die toekomst uiteindelijk bracht, waren industriële en technologische revoluties. Het seculiere humanisme. De moderne roman. De twintigste eeuw, kortom. De toekomst was voor het eerst gewoon nu. En hoewel er algemene opwinding bestond over de nieuwe mogelijkheden, werd de toekomst ook iets om te wantrouwen. Technologisch ging alles dan wel sneller en beter, maar wat met de mens zelf? Hoe langer de eeuw duurde, hoe duidelijker het werd dat van dat vreemde zoogdier niet te veel goeds te verwachten viel. Niet als soort, niet als individu. Hadden we al die nieuwe mogelijkheden, gebruikten we het blijkbaar om elkaar nog beter te kunnen verdelgen.

Je had als gewone burger intussen veel aan dat nieuwe, humanistische gelul uit de salons van Parijs en Londen. Aan de band gaan werken in een groot fabriek, dat bleek uiteindelijk de prachtige utopie. Niet toevallig hanteert Aldous Huxley in Brave New World(1931)een jaartelling die begon in 1908: het jaar waarin Henry Ford zijn Model T en daarmee ook de massaproductie, en dus die lopende band, introduceerde.

De utopische gedachte werd geleidelijk aan aangevreten door elementen van onbehagen en onheil. Aan het einde van de twintigste eeuw was ze net nog goed genoeg voor reality-tv voor en na reclame voor exotische shampoo. Terug naar de natuur, met een crew van 40 man. De utopie als cynisch onderdeel van een nachtmerrie. Aan het einde van die eeuw waren velen bang dat de wereld, of toch ten minste hun pc zou ontploffen. In elke menselijke angst dat de wereld zal vergaan, schuilt een minstens even grote angst dat hij toch weer niet zal vergaan.

Praten over visionaire romans, of toekomstromans, is, zeker sinds de twintigste eeuw, praten over de dystopie. Dystopie is weinig meer dan een chic woord voor een verhaal over een toekomstige klotewereld. En die beleven we. Zolang alles goed lijkt te gaan vooral onderhuids. In de pillen die we slikken en de holle ruimte die we niet kunnen volkopen, in het tellen van likes en in het zoeken naar houvast nu religie, familie en arbeid vloeibare begrippen werden. Maar soms beleven we de ellende ook gewoon in eerste graad, zoals op 7, 8 en 9 januari.

Live op alle schermen

Net zoals onze voorouders iets meer dan honderd jaar geleden ervoeren, verandert de wereld vandaag sneller dan we gisteren net gewend waren geraakt. We printen straks alles wat we maar kunnen bedenken in 3D, bewegen de wereld met een duim en we hebben tussen satellieten en het internet een netwerk zien ontstaan dat alles van iedereen kan kwantificeren. Big Data, de oermoeder van Big Brother als het ware, bestuurt alles. Van onze opinievorming en ons koopgedrag tot de black boxes die de financiële markten proberen te voorspellen op tienden van seconden na. Stilaan willen we de kosmische strijd met de tijd aangaan. Elon Musk probeert. NASA probeert. De toekomst is al lang niet meer gewoon nu, de toekomst is oud nieuws.

Maar we voelen in onze vezels dat het leven zelf ons ontglipt. Ook vragen wij ons in alle talen en godsdiensten af wat dat dan toch is, het leven zelf. Dit kan het niet zijn, weten we allemaal best, want dit voelt niet goed aan. Niet echt. De leegte, de maatschappelijke staat van depressie, het overdonderende geluid van het absolute niets waarin we voortdurend bewegen. We stevenen af op onheil. Een implosie, een kookpunt. Oorlog, misschien.

En dan komt er een moment waarop onze angsten gewoon reëel worden. Live op al onze schermen, en dat zijn er veel. Kan je niet meer niet naar kijken, naar schermen. Zekerheden blijken slechts illusies en ons gecultiveerd gevoelen van bescherming wordt vervangen door een algemene malaise. We ervaren kwetsbaarheid, hulpeloosheid, woede en een soort loden verdriet. Misschien denken we wel: dus zo voelt het om in oorlog te zijn. En misschien kunnen we op dat moment ergens beginnen met ons in te beelden wat het moet zijn om voortdurend in een misselijke, onbetrouwbare wereld te leven, zoals vele miljoenen mensen vandaag in Nigeria, Syrië, Zuid-Soedan, Afghanistan, Irak, Jemen, Oekraïne, Pakistan, Palestina of nog een hele reeks andere plaatsen waar 'dystopie' geen literaire terminologie is maar het gehele leven.

We willen in momenten van terreur eigenlijk niets anders dan terugkeren naar hoe het voordien was, terug naar het status quo uit het o zo recente verleden, wat dat ook mocht zijn. We willen ons weer vervelen op Facebook en #thirdworldproblems bedenken op Twitter. Maar dat lukt niet. Het ondraaglijke aan de dystopische gedachte is dan ook het verdwijnen van alle hoop: je geraakt er nooit nog uit. Mensen vandaag willen eigenlijk zo graag terug. Ze maken zelf confituur, laten baarden groeien en betalen zich halfdood aan alles wat ook maar enige authenticiteit belooft. En alles voor niks, zo blijkt. Met enkele schoten kan het gedaan zijn. En dan is zelfs Big Data onmachtig.

Provocatie vs. emotie

Er bestaan schrijvers die er hun werk van maken om precies die gevoelens van benauwdheid en ellende te beschrijven. Ze scheppen werelden die onze ergste en pijnlijkste kanten als blauwdruk lijken te hebben genomen: sociale isolatie, depressie, ontmenselijking van relaties met de staat of andere individuen, lichamelijke aftakeling, politieke onderdrukking, geweld, seksuele disfunctionaliteit.

Ik weet niet of iemand die hulpeloosheid ooit beter heeft bevat dan Franz Kafka. De visionaire elementen in werken zoals Der Prozess (1925), Das Schloss (1926) of Die Verwandlung (1915) zijn zo akelig precies, dat hij vandaag nog steeds bij de beste en meest actuele schrijvers zou behoren. De reden is dat hij een erg emotionele schrijver was, iemand die de wereld niet aankon en ergens op zoek was naar troost.

Het omgekeerde van troost is provocatie. En daar vinden we Michel Houellebecq. Zijn werk draait rond de ziekelijke man, vuil in zijn lijf en in zijn gedachten, sloom bewegend in de bedreigde wereld. Die dreiging komt niet zelden van moslims. Zo verscheen zijn roman Plateforme (2001), waarin een aanslag wordt gepleegd door moslimterroristen, net voor 9/11. Toen vroegen mensen zich af of hij visionair was. En dat doen ze vandaag opnieuw.

In Soumission (2015) verkiezen de Fransen in 2022 iemand van La Fraternité Musulmane als president. Een typisch Houellebecq-personage, een uitgebluste prof met emotionele en seksuele problemen, bekeert zich vervolgens tot moslim in een reeds geïslamiseerd Frankrijk. "En 2022 je fais ramadan", orakelde dan ook de cartoonversie van de schrijver op de cover van Charlie Hebdo.

Schrijvers onderscheiden zich door hun positie, niet door hun intelligentie. Het is zeker niet zo dat zij meer kunnen dan andere mensen - in de meeste gevallen zullen zij net minder kunnen. Nee, ze kiezen een plek uit in de samenleving, en beschrijven van daar uit wat ze zien en voelen. Elke schrijver ontwikkelt daarvoor zijn eigen taal en technieken. Een techniek die Houellebecq zeker beheerst, is een bepaalde gedachte dermate doordrijven dat het een provocatie wordt. Ik betwijfel sterk of dat daarom ook visionair is. Eerder is het de literaire versie van gokken op het laatste paard. Dat mag, maar het is een beetje laf.

Er bestaan daarnaast ook schrijvers die eerder dan een concrete technologische of politieke evolutie een bepaald sentiment beschreven dat erg actueel zou blijven of worden. Niet met voorbedachten rade - zo slim is haast niemand - maar omdat hun oorspronkelijk gevoel zo eerlijk en goed beschreven was, dat het een halve of een hele eeuw later in een heel ander licht opnieuw betekenis krijgt.

Het recht op ongelukkig zijn

Halverwege de vorige eeuw publiceerde John Cheever zo het verhaal The Enormous Radio (1953). In dat verhaal gaat de radio stuk in het appartement van een jong paar, de Wescotts. Zij is daar triest om - het was ook zo'n mooie, oude radio. Hij denkt haar plezier te doen door een veel te duur, nieuw topmodel in huis te halen. Zij vindt het ding te groot en lelijk, maar gaat er natuurlijk wel naar luisteren. Blijkt na een tijdje dat ze niet alleen radiostations ontvangt, maar ook geluid uit de andere appartementen in het gebouw. Ze schrikt eerst, maar geraakt al snel verslaafd.

Helaas valt het leven van de anderen erg tegen: ze hoort ruzies over geld, huiselijk geweld, bedrog en noem maar op. Is dit de wereld, vraagt de vrouw zich hardop af, en aan haar man: zijn wij ook zo? Natuurlijk niet, verzekert hij haar. Maar het vele luisteren verandert de vrouw. Ze gaat twijfelen. Aan de anderen en aan zichzelf. Voelt zich ellendig. Wordt achterdochtig: wat als zij ons ook kunnen horen? Uiteindelijk wordt de radio hersteld. Ook dat kost weer geld. Er kan nu rustig naar muziek worden geluisterd, maar het kwaad is geschied. De rottigheid is binnengelaten en heeft de Wescotts besmet. Ze maken ruzie. Hij ziet het nog niet maar zij weet al dat het allemaal voorbij is.

Facebook en andere grote sociale netwerken zijn voor mij de radio uit het verhaal, nadat iemand op alle kanalen verklapte dat iedereen zomaar kan meeluisteren. Er zou dan een stilte volgen. En daarna zou exact dezelfde nonsens en rotzooi weer verdergaan, maar dit keer doorzichtig verpakt als schoonheid en geluk. Iedereen is zich bewust van zichzelf en van de anderen. Altijd. Overal. En je kunt geen technicus meer bellen om de radio te maken. Het enige wat je zou kunnen doen, is de maatschappij proberen te verlaten.

Wat precies is wat het hoofdpersonage John doet nadat hij teleurgesteld is in de liefde en de Brave New World die Aldous Huxley voor hem schiep. Nadat hij uit een reservaat werd gehaald en in een maatschappij terechtkwam waar alles op het eerste gezicht uitstekend geregeld lijkt te zijn, begint de ware aard van een schijnbare utopie zich bekend te maken. Het liep zo dat John opgroeide met natuur en het werk van Shakespeare. Beide zaken, natuur en gecultiveerde gevoelens, kregen helaas geen plaats in een wereld die angstaanjagend hard een utopie wil zijn: weg ziektes, weg honger, weg monogamie, maar ook weg controleverlies, weg vrije wil, weg verliefdheid, weg vaders en moeders, weg met alles wat mensen onderscheidt van robots. En voor wie niet meer mee kan, zijn er drugs: soma. Kijk eens aan.

John beseft dat hij, om vrij te zijn, alle schijnbaar negatieve menselijkheden moet omhelzen. "I'm claiming the right to be unhappy", pleit hij uiteindelijk tegen de controleur van het systeem. De vrijheid die hij daarop verkrijgt, wordt een mislukking. Ook de liefde kan hij niet meer aan, al brengt die wel shakespeariaans drama met zich mee.

Net zoals het voor de Wescotts fout liep op de dag dat die oude radio stuk ging, is het voor John al verloren op het moment dat ze hem uit zijn reservaat komen halen. En zelfs dan zat hij al in een reservaat. Wat de vraag oproept of hij ooit wel een kans had op vrijheid.

De utopie van de verheerlijkende vooruitgang leidt ertoe dat de innerlijke mens stilletjes afsterft. Alles waar tijd of aandacht of liefde voor nodig is, wordt namelijk als ouderwets bestempeld en afgeschreven. Dat is vandaag realiteit. We worden verteld dat we niet meer van eten moeten genieten - tijdverlies - als we maar een shake drinken met alle noodzakelijke voedingsstoffen. Gegevens in de plaats van genot. Op dat moment moet een mens in verzet gaan, net als John. Een gevoel waarvan ik vandaag niet begrijp dat het niet veel sterker aanwezig is, dat van de nood aan verzet. Hebben we te veel soma op of zijn we er gewoon nog niet aan toe?

George Orwell wist anders in 1949 al wel waar wij vandaag aan toe zouden zijn. In Nineteen Eighty-Four (1949) loopt Winston Smith rond. Een man die braafjes voor het Ministerie van de Waarheid werkt, maar tegelijk niet anders wil dan rebelleren tegen het systeem. Zijn gehoorzaamheid en zijn afkeer verhullen elkaar. Dat moet toch precies zijn zoals de westerlingen zich voelen, die sinds 9/11 het zo kostbare recht op privacy hebben moeten afstaan. Je ziet mensen meegaan in de regering van hun overheden: ik heb niets te verbergen, dus heb ook geen problemen. Dat is zowel juridisch als moreel gezien complete nonsens. Ik weet niet waar Winston Smith anno 2015 rondloopt - misschien heet hij wel Anonymous - maar we hebben hem nodig.

De natte mond van de muze

Hoe komt het nu dat zulke oude boeken ons vandaag nog zoveel over onszelf kunnen leren? Wat is het element dat bepaald werk zo tijdsbestand maakt?

Laten we een schijnbaar utopische metafoor hanteren.

Stel je alle schrijvers voor die je kent, gezeten aan een smalle, lange tafel, terwijl zij gezamenlijk een maaltijd gebruiken. Ze eten druiven uit de natte mond van hun muzes, drinken wijn en smullen van de koekjes uit hun kindertijd. Onder de tafel staat echter een smerige pot smurrie verstopt waar enkel de beste schrijvers - Kafka, Huxley, Cheever, Orwell en vul maar aan - heimelijk uit lepelen. Zij praten er niet over, maar voeden zich stiekem met de stinkende maar voedzame smurrie.

Die smurrie staat niet voor grotere liefde of wat je misschien ook vermoedde. Waar ze voor staat, is angst. Zwetende, onverholen angst.

Sommige literatuur kan dan wel slim lijken, of zelfs visionair, maar ze is nooit meer of minder dan de verwerking van de angsten van de schrijver. Het enige wat de schrijver te bieden heeft, is dat hij in zijn angsten kan afdalen om te beschrijven wat hij ziet. Soms komt hij slechts terug met provocatie, maar soms ook met de waarheid.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234