Dinsdag 22/06/2021

exclusief Interview

Vincent Kompany schudt de Brusselse jeugd wakker: "Leer Nederlands en verdubbel je kansen"

Vincent Kompany. Beeld Pierre-Yves Thienpont/LE SOIR
Vincent Kompany.Beeld Pierre-Yves Thienpont/LE SOIR

Zijn moeder prentte hem van kleins af aan in: als je later werk wilt vinden, moet je Nederlands leren. Vandaag wil Vincent Kompany diezelfde boodschap overbrengen op de jeugd van Brussel. De stad waarvan hij zielsveel houdt, maar die hem minstens even hard frustreert. "Manchester is sterker uit de aanslagen gekomen. Brussel niet."

Wat doet een profvoetballer op een trainingsvrije dag? Vergaderen, zo blijkt. Heel veel vergaderen. Of toch als je Vincent Kompany heet. Als hij diep in de namiddag en meerdere academische kwartiertjes na het afgesproken uur aankomt in een Manchesters hotel, blijkt hij nog niet eens gegeten te hebben. Te druk bezig geweest.

Kompany zet, wanneer hij niet geblesseerd is, niet alleen de lijnen uit bij Manchester City en de Rode Duivels. Op zijn cv lijkt voetbal intussen een bijkomstigheid: hij is investeerder, heeft met Bonka Circus een eigen productiehuis en managementbureau, is sociaal ondernemer, richtte voetbalclub BX Brussels op en is ambassadeur van SOS Kinderdorpen. En nu ook het gezicht van een nieuwe campagne om werkzoekenden in heel Brussel aan te sporen om Nederlands te leren.

Daarom zijn we hier en meteen na binnenkomst illustreert de 31-jarige Brusselaar waarom de keuze voor een uithangbord op hem viel. De mannen aan de bar begroet hij in zorgvuldig Engels, de meegereisde journalist en fotograaf van Le Soir in ratelend Frans, om vervolgens naadloos over te schakelen op smetteloos Nederlands.

Kompany ticks all the boxes. Samen met Stromae en Jean-Claude Van Damme, is hij een van de belangrijkste rolmodellen voor de Brusselse jeugd volgens een studie van de UGent. En hij heeft een ­persoonlijke band met Actiris, de Brusselse tegenhanger van de VDAB dat de campagne heeft opgezet. In het promotiefilmpje dat de arbeidsbemiddelaar intern zal gebruiken voor haar medewerkers klinkt dat zo: “Hey, hallo, ik ben Vincent Kompany, misschien kennen sommigen onder jullie me nog wel”. Het klinkt als een flauw grapje voor iemand wiens faam reikt van Los Angeles tot Tokio, maar hij meent het serieus.

null Beeld Pierre-Yves Thienpont/LE SOIR
Beeld Pierre-Yves Thienpont/LE SOIR

“Ik ben opgegroeid met Actiris, letterlijk. Mijn moeder (Joseline Fraselle, zij overleed in 2007, AVB) werkte er. Ik ging er ‘s middags met een bende andere kinderen mijn boterhammen opeten. Mijn school was op de Nieuwe Graanmarkt, mijn moeder werkte op tien ­minuten stappen aan de Beurs. Daardoor weet ik als geen ander wat de uitdagingen zijn.

“Mijn moeder peperde het er mijn broer, zus en mezelf toen al in: ‘Vincent, Christel, François, jullie hebben een ander kleurtje dus jullie zullen twee keer zo hard moeten werken’. Zij zag dat dagelijks in de praktijk. Ze zag ook dat wie eentalig was veel minder kansen kreeg op de arbeidsmarkt. Daarom hebben onze ouders ons naar het Nederlandstalig onderwijs gestuurd. Ze vonden dat we onze kansen in een meertalig Brussel moesten grijpen, terecht. Als ik één boodschap heb aan de Brusselse jongeren is het echt dat: talenkennis opent altijd deuren.”

Doe je best, dan geraak je er wel?

Vincent Kompany: “Als je er twee keer zo hard voor werkt, dan word je op een gegeven moment ook twee keer zo goed. Daar komt mijn zelf­zekerheid vandaan. Ik heb de harde weg gekozen vroeger, ik heb altijd heel hard moeten knokken voor alles wat ik gekregen heb. Daardoor heb ik nu het gevoel dat ik er recht op heb.

“Dat wil niet zeggen dat wie geen werk heeft, dat enkel aan zichzelf te wijten heeft en gewoon niet hard genoeg zijn best gedaan heeft. Dat is belachelijk en zulke uitspraken ­richten veel schade aan. Er zijn nog zoveel andere factoren die moeten meezitten ook.”

De cijfers zijn redelijk dramatisch. Van alle werkzoekenden in Brussel geeft amper één op vijf aan een redelijke kennis te hebben van het Nederlands. Amper zeven procent zegt een goede kennis te hebben. Faalt het beleid dan niet?

“Ik kan enkel uit mijn eigen ervaring spreken en ik heb gemerkt dat de bereidheid om elkaars taal te leren erop achteruitgegaan is. Die wraakgevoelens van de ene gemeenschap ten opzichte van de andere merk je zowel bij Franstaligen als bij Nederlandstaligen. Zo jammer, het is een beperking van je eigen kansen, wanneer je de talenkwestie zo communautariseert. En ik snap er al helemaal niks meer van als de politiek beslissingen neemt die onze openheid naar andere talen vermindert. Dan vraag ik me af of we er niet op achteruitgaan in plaats van vooruit.”

Hoe heeft de kennis van het Nederlands u concreet geholpen?

“Als je één vreemde taal beheerst, is het veel makkelijker om de volgende te leren. Doordat ik Nederlands sprak, heb ik op twee maanden tijd Duits kunnen leren toen ik in Hamburg speelde. Ik heb Engels geleerd doordat er op de Nederlandstalige televisie veel ondertitelde Engelstalige programma’s zijn. Iets wat ik in Franstalig België ook warm zou aanbevelen, overigens.

“De kennis van meerdere talen maakt het ook zoveel makkelijker om om te gaan met mensen van overal. De opportuniteiten worden alleen maar groter. Waarom zou je steeds één richting uitkijken, ­wanneer je ook een beeld van 360 graden kunt hebben?”

De politieke realiteit is heel anders: de gemeenschappen in België drijven eerder verder uit elkaar dan naar elkaar toe.

“Ik ben niet naïef. Soms is het wellicht beter om dingen apart te doen. Maar het verbaast me steeds hoe groot de goesting van sommigen is om altijd voor de meest complexe weg te kiezen. Ik vraag me oprecht af hoe je de splitsing van het land wilt regelen, wanneer je al niet meer gewoon met elkaar kan praten.”

De politiek maakt alles nodeloos moeilijk?

“Niet altijd. Maar in Brussel stoot ik toch soms op problemen die je je gewoonweg niet kunt voorstellen. Tegen dat je daar iets geregeld krijgt, ben ik arm. Ik denk oprecht dat er veel meer potentieel en rijkdom is in Brussel dan problemen. Maar we mankeren het kader om daar ook echt iets aan te doen.

“Het is problematisch wanneer er minibaronieën ontstaan. Ieder stukje straat heeft bij wijze van spreken zijn eigen patron waar je moet langsgaan als je iets gerealiseerd wilt krijgen. Daar wil ik mijn tijd niet aan verdoen. Ik wil iets kunnen betekenen voor alle Brusselse jongeren en niet enkel voor degenen die in deze of gene gemeente wonen. Ik hou geweldig veel van Brussel, maar het is ook een geweldig frustrerende stad.”

Negentien Brusselse gemeenten, dat zijn er achttien te veel?

“Ik spreek gewoon vanuit de praktijk. Als ik vandaag ergens moet gaan praten over een voetbalveld, moet ik bij de gemeente zijn. Wanneer ik bij die gemeente zit, dan moet ik gaan verantwoorden hoeveel jongeren van die gemeente ook op dat voetbalveld zullen spelen.

"‘Het stelt mij gerust dat als ik morgen alles verlies, mijn kinderen nog steeds een voorsprong gaan hebben. Omdat ze die diversiteit in zich dragen en meerdere talen kennen."Beeld Pierre-Yves Thienpont/LE SOIR

“Maar soms zijn de vereiste quota niet haalbaar, gewoon door de ­ligging van dat veld. Het gevolg zijn compleet absurde discussies. Dan blijkt dat er toch vooral veel kinderen uit Anderlecht op dat veld in Vorst zullen spelen, omdat ze in Vorst naar school gaan. Of omdat het veld dichtbij de grens met Anderlecht ligt. Ik zeg nu Vorst en Anderlecht, maar het zou evengoed over eender welke andere gemeenten kunnen gaan. Voor een Brusselaar die zijn hele leven met de MIVB de stad heeft doorkruist en nooit iets gemerkt heeft van die grenzen, is dat echt een belachelijk absurde discussie.

“Weet u, als ik kijk naar de ­mobilisering die er ontstaan is in Manchester na de aanslagen, dan heb ik het gevoel dat Manchester er alleen maar beter van geworden is. Hoe rampzalig en dramatisch het ook was. Maar die stad is zoveel sterker geworden.”

Brussel niet?

“Nee. Of toch niet genoeg. Ik wil echt niet beweren dat ik alles beter weet over Brussel, maar ik heb het gevoel dat er nooit genoeg dynamiek kan ontstaan doordat alles zo gefragmenteerd is. Daar komt nog bij dat Brussel een speelbal is van het federale niveau. Dat is allemaal problematisch.”

U spreekt alsof u helemaal klaar bent om in de politiek te stappen.

“Ha, maar dat is het nu net: ik wil helemaal niet in de politiek stappen. Ik heb een mening en ik vind dat ik daar recht op heb als geboren en getogen Brusselaar. Ik wil er geen rekening mee moeten houden dat ik morgen misschien stemmen verlies. Ik wil geen verantwoording moeten afleggen aan een of andere instantie.

“Maar ik ben en blijf wel Brusselaar, ik ken de stad als ­inwoner, als investeerder en sociaal ondernemer. En ik denk dat ik op die manier een grotere, efficiëntere impact kan hebben dan wanneer ik me politiek zou engageren.”

Bent u nog van plan om ooit terug te keren naar Brussel?

“Ik heb niet het gevoel dat ik er weg ben gegaan. Ik ga zeker blijvend investeren in de Brusselse jeugd, daarom heb ik ook BX Brussels opgericht. Maar of ik er ook fysiek zal komen wonen, dat weet ik ­vandaag nog niet.

“Ik kom er wel zo vaak als ik enigszins kan. Mijn familie woont er, mijn hart ligt er nog steeds en ik wandel heel graag rond op de plekken die voor mij veel herinneringen hebben. De buurt waar ik naar school ben geweest, de Noordwijk, de parken. Helaas is het vandaag wat moeilijker om ongestoord rond te lopen voor mij. Ik verberg me niet hoor, maar hopelijk wordt dat over tien jaar toch iets makkelijker.”

U bent heel geëngageerd ­opgevoed, probeert u hetzelfde te doen bij uw drie kinderen?

“Absoluut. Mijn vader is als politiek vluchteling uit Congo in België terechtgekomen. Mijn moeder was een vakbondsvrouw. Ze was zeer strijdvaardig, zette zich altijd in voor de zwaksten, ook al werd ze daar niet noodzakelijk goed voor betaald. Ik weet nog goed dat ik mijn eerste salaris ontving op Anderlecht. Ze was oprecht kwaad. Ze vond dat te veel geld. (lacht) Maar ik heb haar dan gerustgesteld door te zeggen dat het aan mij niet verloren zou gaan. Ze wist dat ik het geld dat ik verdiende zou inzetten voor het goede doel.

“Wij hebben met de paplepel binnen gekregen dat je moet knokken in het leven en steeds positief moet blijven. Mijn vrouw deelt die waarden gelukkig ook.”

null Beeld Pierre-Yves Thienpont/LE SOIR
Beeld Pierre-Yves Thienpont/LE SOIR

Uw kinderen groeien op in heel andere omstandigheden. Is het niet lastiger om uw sociale bewustzijn door te geven aan ­kinderen die niets te kort komen?

“Dat is moeilijk, ja. Maar ze zullen zeker minder bevoorrecht opgroeien dan mensen misschien zouden verwachten in onze situatie.

“We nemen de kinderen regelmatig mee naar Brussel, ze zijn er ook graag. Ze zijn Brusselaars, maar ze zijn ook van Manchester, ze zijn een stukje Jamaïcaans, een stukje Brits, een stukje Belg en een stukje Congolees. Het stelt mij gerust dat als ik morgen alles verlies, zij ­dankzij hun afkomst nog steeds een voorsprong gaan hebben. Gewoon omdat ze die diversiteit in zich ­dragen en meerdere talen kennen.”

Spreken ze al Nederlands?

“Ze begrijpen een beetje Nederlands, ja. Ze begrijpen ook Frans. Maar het is een dagelijkse strijd. Ik moet eens met Actiris overleggen, geloof ik, want ik heb de juiste formule nog niet gevonden. Vandaag praten we de ene week Frans, de andere week Nederlands. Dat blijkt nogal moeilijk te zijn. Zeker als je dan tien dagen weg bent met de nationale ploeg. Dus nu gaan we om de maand van taal wisselen.”

U bent met al uw engagementen stilaan de Bono van de sport aan het worden.

“Alsjeblieft zeg. Laat het uit.”

Ik kan me voorstellen dat u daar niet enkel applaus voor krijgt.

“Kritiek omdat ik me inzet voor het goede doel? Laat maar komen, dan.

“Ik doe dit niet omdat ik zit te wachten op de goedkeuring of het applaus van de mensen rondom mij. Ik ben betrokken bij SOS Kinderdorpen omdat ik ter plekke gezien heb hoeveel mensenlevens ze konden redden. Ik heb BX Brussels opgericht omdat ik iets wil teruggeven. Dat vind ik maar logisch. En ik hoop dat het anderen aanzet om zich ook te engageren in onze stad.”

U probeert anderen daar niet actief van te overtuigen?

“Heel veel voetballers doen dat al, hoor. Dat gebeurt misschien niet altijd voor het voetlicht, maar ik ben heus geen uitzondering. Mensen vergeten blijkbaar vaak dat velen van ons echt met niets zijn opgegroeid en ook maar zijn begonnnen door op straat tegen een bal te ­sjotten.

“Voetbal is geen rijkeluissport. Als wij vandaag heel veel verdienen, dan hangen we daar ook niet aan vast alsof ons leven ervan afhangt. Ik zou zelfs durven te zeggen dat heel veel jonge voetballers veel meer doen voor de maatschappij dan heel veel rijke families. Dat mag ook wel eens vermeld worden.”

U heeft de afgelopen jaren een MBA-opleiding gevolgd. Bent u intussen afgestudeerd?

“Ik wacht momenteel op mijn ­resultaten. Ik denk dat het goed geweest is, maar helemaal zeker zal ik pas zijn wanneer ik de uitslagen in handen heb.

“Mijn thesis ging over de businesslogica achter het thuisvoordeel. Dat gaat veel breder dan enkel maar matchen winnen thuis. Maar ik zal er nog maar niet te veel over zeggen, want stel dat ik straks gebuisd ben.” (lacht)

Gaat u ook echt iets doen met dat diploma?

“Voorlopig is mijn grootste ambitie om een petje te kunnen opzetten en dat vervolgens in de lucht te gooien. Voor mij was dit heel bijzonder om te doen, omdat het volledig buiten mijn comfortzone ligt. Ik ben verre van academisch ingesteld, ­studeren vond ik nooit plezant en ik was ook echt geen uitblinker op school. Maar dan stierf mijn moeder. Daarna werd goed presteren op school voor mij plots veel belangrijker. Op doorzettingsvermogen ben ik er dan toch geraakt.”

U deed het voor haar?

“Het is een natuurlijke reflex, denk ik. Wanneer iemand die je heel dierbaar is plots de wereld verlaat, dan probeer je vast te houden aan alles wat die persoon je ooit verteld heeft. Ik heb ook de fase gehad waarin ik vond dat mijn ouders niks wisten. Maar dan heb je zelf kinderen en denk je: mja, misschien had ik beter toch wat vaker geluisterd.

“Mijn moeder heeft deze wereld verlaten, maar ze heeft ook heel veel achtergelaten. Een bepaalde manier van zijn, een bepaalde visie. Ik wil die ook overbrengen op mijn kinderen. Ik ben Brusselaar, maar ook Ardennees zoals zij. Wij zijn mensen die graag hard werken en als het moeilijk is gewoon blijven doorgaan. Soms wordt dat bestempeld als koppig. Ja, dat heb ik dan van mijn moeder.”

"Ik weet nog goed dat ik mijn eerste salaris ontving op Anderlecht. Mijn moeder was oprecht kwaad. Ze vond dat te veel geld."Beeld Pierre-Yves Thienpont/LE SOIR

Heeft u de seizoensstart van Anderlecht gevolgd? Ze kunnen wel wat steun gebruiken in de defensie.

(lacht) “Ik steun wel als supporter. Dat zal ik altijd blijven doen, we moeten positief blijven. Ik vertrouw erop dat we toch nog een goed ­seizoen zullen beleven.”

De Rode Duivels zullen wel op u kunnen rekenen in Rusland?

“Dat is zeker de bedoeling. We ­hebben het nu over heel veel dingen gehad die voor mij erg belangrijk zijn, maar voetbal is nog steeds mijn grootste passie. Ik zit in deze wereld sinds mijn zesde en ik wil ook het maximale eruit halen. In Rusland presteren is de reden waarom ik met de glimlach door de pijn heen ga wanneer het moet.”

Rusland is uw laatste grote doel?

“Ik ga zeker niet stoppen met voetballen na het WK. Maar de kans is wel groot dat ik daarna stop bij de nationale ploeg. Ze weten dat ook. Ik heb er heel veel jaren alles aan gedaan om fit te blijven en steeds weer terug te komen. Ik wil dat niet glorierijker voorstellen dan het is, maar elke sporter zal u kunnen bevestigen hoe zwaar dat is. En hoe meer matchen je speelt, hoe meer je van huis bent, hoe meer je je lichaam onder druk zet en hoe ­minder kans je hebt om nog gezond door te voetballen.

“Ik speel doodgraag bij de Rode Duivels, maar als ik voel dat ik de beslissing moet nemen voor mijn lijf, dan zal ik dat zonder twijfel ook doen. En ik zal een geweldige carrière bij de nationale ploeg hebben om op terug te kijken.”

Toch als u eerst wereldkampioen wordt.

“Voilà! Het maximum halen uit een ploeg is het beste wat je kunt meemaken in de sport. Soms is dat wereldkampioen worden, soms grijp je er net naast omdat anderen beter zijn. Maar er is niets mooier dan te weten dat je jezelf en dat je je als team hebt overtroffen.”

Heeft u dat gevoel al gehad? Is het beste er al uitgekomen bij de Rode Duivels?

“Nee, uiteraard niet. Maar we ­konden het eerder ook nog niet ­verwachten. De jongens die er vier jaar geleden stonden zijn dezelfde als vandaag, maar nu is er veel meer ervaring in de ploeg en geldt het argument niet meer dat de we nog moeten leren van onze fouten. Natuurlijk kan de ploeg nog fouten maken, maar je verwacht wel dat ze ondertussen weten wat ze moeten doen op een groot toernooi.”

Het is dus echt nu of nooit?

“Voor mij wel, in ieder geval. Misschien denkt Eden Hazard dat zijn moment pas komt in 2022, maar dan moet ik hem nu overtuigen van het tegendeel. Anders ga ik het nog vier jaar langer moeten volhouden en ik weet niet of ik dan nog ga kunnen lopen. (lacht luid) We hebben geen tijd meer te verliezen.”

J’APPRENDS LE FLAMAND AVEC VINCENT

Vincent Kompany is de komende maand ­alomtegenwoordig in Brussel. In de metro, op de flanken van de bus, op de radio, in de cinema en zelfs op Spotify. Overal zal de kapitein van de Rode Duivels reclame maken om samen met hem Nederlands te leren.

De campagne (kostprijs: 493.377 euro, Kompany engageert zich gratis) is opgezet door de Brusselse arbeidsbemiddelaar Actiris in een uniek partnerschap met de VDAB. Voor het eerst ­werken de twee diensten samen om de werkloosheid in de Brusselse regio aan te pakken.

“Het moet een win-winsituatie worden”, zeggen directeur-generaal van Actiris Grégor Chapelle en zijn adjunct Caroline Mancel. “In de Vlaamse rand is er een grote nood aan werkkrachten, wij hebben ze. Alleen kunnen we ze nu niet matchen, omdat het gros van de werkzoekenden geen Nederlands spreekt; 22 procent van hen zegt een gemiddelde kennis te hebben, amper 7 procent beheerst het Nederlands goed.”

Affiche van de Actiris campagne met Vincent Kompany. Beeld rv
Affiche van de Actiris campagne met Vincent Kompany.Beeld rv

Om dat percentage op te trekken, is er al langer brulingua.be, een gratis tool om de taal te leren, en kunnen werkzoekenden een beroep doen op taalcheques. Maar het grote verschil moet gemaakt worden door het partnerschap met de VDAB. Wie bij Actiris aangeeft dat hij geïnteresseerd is om in de Vlaamse rand aan de slag te gaan, zal ook intensief naar een job begeleid worden door de VDAB.

Eind juli telde het Brussels Gewest 93.000 werklozen, in Brussel-stad zit 23,8 procent van de jongeren zonder job. De meesten daarvan zijn Frans- of anderstalig. Aangezien voor 53 procent van de jobs in het Gewest tweetaligheid vereist is, geraken Nederlandstaligen er veel makkelijker aan werk. Bij hen is talenkennis veel minder een probleem.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234