Dinsdag 29/11/2022

Vijfentwintig jaar later waart Franco's spook nog volop rond

Deze week was het precies vijfentwintig jaar geleden dat in Spanje een einde kwam aan het Franco-regime. Gevierd werd er niets. Het land staat nog steeds vol monumenten ter ere van de dictator, tal van straten en pleintjes dragen nog steeds zijn naam. Gemeentebesturen bieden nabestaanden van slachtoffers van het Franco-regime geen steun. In Priaranza, een dorp in de noordelijke provincie León, weigerden de autoriteiten afgelopen maand mee te werken aan het openmaken van een massagraf. Toen deden de familieleden het maar met de hulp van een actiegroep en een aangewaaide historicus. Ze vonden de lijken van dertien mannen.

Rop Zoutberg

In de nu lege geul staan potjes met planten. De greppel is twaalf meter lang en zo breed als een badkuip. Een bosje anjers is aan een boom gebonden, een krans bevindt zich eronder. Het terrein is modderig. Wat opvalt, is de locatie, pal voor het plaatsnaambordje langs de kant van de weg. De moordenaars vonden het duidelijk niet nodig een afgelegen plek te zoeken.

Het regent hard en auto's stoppen. Gebogen onder een paraplu zet Carmelina Silva een boompje neer, ergens in het midden tussen de omgeploegde aarde. Ze is 74 jaar, net zo oud als het graf bij Priaranza. "Ik weet nog steeds niet wat ik voel, nu hij is opgegraven", zegt ze. "Ik ben triest dat hij dood is, angstig voor een reactie, blij dat ik hem heb gevonden. Alles loopt door elkaar. Het ergste was toen mijn moeder drie jaar geleden overleed en ik in het gemeentehuis ontdekte hoe mijn vader nergens bestónd, op geen enkel papier. Nu pas weet ik zeker dat hij echt bestaan heeft."

Spaanse geschiedschrijvers zijn een kwarteeuw na de dood van de caudillo Francisco Franco wat voorzichtiger geworden met het tellen van de doden. Zo kwamen er tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-'39) niet een miljoen mensen om het leven - zoals vaak wordt beweerd - maar eerder ongeveer 650.000, meent historicus Javier Tusell in zijn bejubelde boek over de geschiedenis van Spanje. Kort na de Burgeroorlog werden er nog eens tussen de 30 en 40.000 politieke tegenstanders doodgeschoten, schat Tusell. Tienduizenden anderen overleden door honger en epidemieën.

Over die doden wordt niet meer gesproken. Geen enkel monument herinnert aan hen en alleen af en toe steekt de geschiedenis - tot ieders schrik - de kop op. Het meest tastbare voorbeeld zijn de pistoolgaten die in '81 achterbleven in het plafond van de Cortes, het Spaanse Parlement, na de tragikomische staatsgreep door een reactionaire splinter van het leger. Maar achteraf kolderiek of niet, het herinnerde de Spanjaarden met het effect van een zweepslag aan hoe jong hun democratie eigenlijk was. Franco stierf op 20 november 1975 en hoewel zijn dictatuur toen nog maar een geraamte was, had het regime het wel 36 jaar volgehouden. Dát was men zelfs in '81 al haast vergeten.

Ook een vorig jaar op de Spaanse televisie uitgezonden documentaire over het leven in de concentratiekampen die Franco pal na de Burgeroorlog in Spanje neerzette, veroorzaakte consternatie. Vooral de generatie Spanjaarden die in de jaren zeventig werd geboren weet maar weinig over de generalísimo Franco. In Asturië, waar in een volkenkundig museum een klaslokaal uit de jaren vijftig werd nagebouwd, vragen bezoekende scholieren of de streng kijkende man met die snor op de foto naast het schoolbord soms les gaf in de buurt. De man met de snor heeft er aardig wat aan gedaan om zich onvergetelijk te maken. Het ontbreekt in Spanje niet aan sporen uit zijn tijd. Genoeg pleinen, straatnaambordjes en standbeelden herinneren aan de dictator. Wie die straatnaambordjes wil weghalen, krijgt het moeilijk, en dan vooral in de deelstaten waar de Partido Popular, voortgekomen uit de fascistische Falange, het voor het zeggen heeft.

Een voorbeeld is Santander. Het gemeentebestuur, gevormd door de Partido Popular, weigert keer op keer de naam van het Plaza del Generalísimo voor het stadhuis te veranderen. Initiatieven van de socialistische PSOE zijn keer op keer gesneuveld. Rompslomp, onhandig voor de officiële papieren, is het argument. Of: "De inwoners van Santander zijn het nu eenmaal zo gewend." Over het enorme standbeeld van een Franco-te-paard op hetzelfde plein durft niemand nog te spreken.

"Spanjaarden willen de etappe die achter ons ligt vergeten", zegt Juan Luis de la Vallina, een voormalig parlementslid van de Partido Popular. "Het is een afgesloten periode. Het lijkt me daarom juist goed dat lokale bestuurders geen initiatieven aanmoedigen die willen spitten in de geschiedenis. Het zou alleen maar herinneringen naar boven halen. En dat wil niemand." Het is de algemene stemming in Spanje. Het verleden is heel vervelend, om niet te zeggen onverwerkt. En de Spaanse democratie is een van de beste die er bestaat. En toch. Afgelopen maand mei kwam in het dorp Priaranza voor het eerst de discussie op gang om het massagraf, daterend uit het eerste jaar van de Burgeroorlog, te openen. De aanleiding was een bezoek van een zoon van een van de vermoorde mannen. "Hij kwam helemaal uit Venezuela met maar een doel: zijn vader opgraven en meenemen", vertelt Santiago Macias, een plaatselijke historicus. "We gingen samen aan het werk. Het bleek uiteindelijk niet heel moeilijk toestemming voor de opgraving te krijgen, zij het dat het gemeentebestuur weigerde te helpen graven." Ook kreeg Macias problemen met het leger. "We hadden papieren nodig, historische documenten, cijfermateriaal. Ze verdomden het die aan ons te geven of vertraagden op andere momenten de boel enorm. Het spook van Franco waart nog steeds rond en voor Defensie is dit thema delicaat. Zij weten ook nog wel hoe hun rol in de Burgeroorlog was." De opgravingen bij Priaranza startten eind oktober. Een week later werd het eerste lichaam gevonden.

De Burgeroorlog was nog maar net begonnen toen de dertien mannen, afkomstig uit Villafranca, op ongeveer vijftien kilometer afstand, pal aan de toegangsweg naar Priaranza in hun gezicht werden doodgeschoten. Een werkelijke reden voor de executie was er niet. Veertien inwoners van Villafranca hadden een briefje gekregen met de mededeling dat ze zich bij het gemeentehuis moesten melden. Wie niet kwam opdagen, werd thuis opgehaald en afgevoerd. De dode lichamen bleven een nacht liggen. Daarna dwongen de soldaten een dorpsbewoner de geul te graven om zo de lichamen te laten verdwijnen.

"Het was niet alleen door die inwoner uit Priaranza dat we wel wisten dat het graf zich hier bevond", zegt José Luis Franco, een zich meteen voor zijn familienaam excuserende vertegenwoordiger van de vereniging die de herinnering aan de dertien levend wil houden. "Een andere man, toebehorend aan de groep die doodgeschoten zou worden, kon ontsnappen. Hij rende weg, maar maakte in zijn paniek een rondje. Hij keerde terug op de plek waar hij getuige was van de liquidatie."

Franco heeft bloemen bij het graf gelegd en een foto genomen. Hij is even stil. "We willen de geschiedenis die de overwinnaars optekenden, herschrijven en de waardigheid van de mensen aan de andere kant herstellen. In dit graf lagen willekeurig opgepakte mannen. Moord."

De angst die de liquidatie veroorzaakte, is volgens Franco de reden waarom het bijna driekwart eeuw duurde voor iemand het aandurfde de doden op te graven: "Maar vier families waren bereid om mee te werken aan de identificatie van de lichamen. Er bestaat nog veel angst. Ook leeft het besef dat de politiek deels wordt gemaakt door mensen die niet willen dat de geschiedenis terugkeert. Toch hebben de slachtoffers namen en achternamen. Ze zijn niet louter een berm langs de kant van de weg waarvan iedereen wéét wat eronder ligt."

Carmelina Silva vindt het moeilijk te begrijpen dat de lokale autoriteiten niet van plan waren mee te werken aan de opgravingen in Priaranza. "Alleen door de hulp van vrijwilligers kregen we het voor elkaar." Franco valt haar bij: "Ze zeiden ons dat ze hun archieven uit die tijd vernietigd hebben, dat er niets meer is of dat we bij het leger moesten zijn. Maar daar weigerden ze informatie te geven. Soortgelijke dingen overkwamen ons bij de burgemeesters van een aantal dorpen en bij rechtbanken. We waren nergens welkom."

Het gesprek voert op de monumenten voor Franco en de straatnaambordjes uit zijn tijd. Het voorbeeld van de Valle de los Caídos, de groteske dodenvallei bij Madrid, wordt aangehaald. Daar werden politieke gevangenen na de Burgeroorlog gedwongen een 42 meter hoge basiliek in een berg te hakken. Aan het eind van een honderden meter lange gang is het altaar waarachter Franco in '75 werd begraven.

Het is in Spanje geen onderwerp van discussie die monumenten weg te halen. Wel steekt hun aanwezigheid schril af bij het ontbreken van bijvoorbeeld een nationaal gedenkteken voor de slachtoffers van Franco, iets waar Carmelina Silva een voorstander van is. "Dat zou er niet alleen moeten komen voor de mensen die nog leven, ook de doden hebben een rehabilitatie nodig. Na de dood van mijn vader werden we voortdurend aangevallen met de vraag waarom hij niet meer was. Een erkenning hoezeer hij voor niets is gestorven, zou ons helpen, al was het maar als signaal dat dit zich nooit meer herhaalt."

De historicus Macias is oud genoeg om een aantal kinderjaren in de Franco-tijd te hebben doorgebracht. In zijn geschiedenisboek was de Franco-tijd een afgesloten periode. "De oorlog duurde tot '39, daarna volgde tot '75 een dictatuur. Wanneer je de geschiedenisboeken leest lijkt het of er in die 36 jaar niets gebeurde. Over massagraven met resten van doodgeschoten mensen heb ik nimmer iets gelezen."

Een warme studeerkamer in Oviedo. Juan Luis de la Vallina kijkt naar de zwartwitfoto in zijn boekenkast waarop hij de oude generaal de hand schudt. Het toenmalige parlementslid buigt op de foto door zijn knieën, een gebogen rug. Hij voelde er op het moment dat die foto gemaakt werd niets bij, zegt hij. Franco was het staatshoofd. Een man die er naargelang van de omstandigheden het beste van maakte. "Je moet de geschiedenis in zijn tijd kunnen plaatsen - pas op termijn kunnen we Franco in zijn juiste proporties bezien." Hij glimlacht kort. "Daar komen we aan toe wanneer Spanje wordt bestuurd door mensen die het regime niet hebben meegemaakt."

Het werkelijk allemaal snappen doet Carmelina Silva niet. "Waarom is er na de oorlog in Joegoslavië een tribunaal ingesteld, en waarom onderzoeken Spaanse rechters misdaden tijdens de militaire dictaturen in Chili en Argentinië? Waarom doen ze dat niet in eigen land? Waarom beginnen ze niet in de provincies León of Huesca, waar het nog bezaaid is met massagraven zoals hier?"

'Waarom onderzoeken Spaanse rechters wel de misdaden van de dictaturen in Chili en Argentinië, maar niet in eigen land? Sommige provincies zijn bezaaid met massagraven zoals dit hier'

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234