Maandag 05/12/2022

AchtergrondLaatste getuige

Victor Hannes over de thuiskomst in België: ‘Ik krijg nog steeds tranen in mijn ogen als ik eraan terugdenk’

Een uitgelaten menigte begroet de Brigade Piron in Brussel.  Beeld Jean-Louis Marichal
Een uitgelaten menigte begroet de Brigade Piron in Brussel.Beeld Jean-Louis Marichal

In Normandië hoorde Victor dat zijn vader in Engeland was overleden. Het verdriet hing als een sluier over hem toen een uitzinnige menigte de Brigade Piron in Brussel verwelkomde.

Yannick Verberckmoes

Victor Hannes kwam als soldaat van de Belgische Brigade Piron ons land bevrijden. 75 jaar lang vertelde hij niets over zijn oorlogsverleden. Maar in een nieuw boek doet de 98-jarige dat wel. Ook aan De Morgen vertelt hij zijn verhaal in drie delen. Vandaag deel 2.

Deel 1. Victor Hannes vocht mee in Normandië: ‘Ik zie De Ridder daar nog liggen, met zijn rug helemaal open’

Voor ons was de verrassing compleet toen we bij Le Havre het bevel kregen om koers te zetten naar België. De Britten kwamen ons aflossen in de nacht van 1 september en onze brigade haastte zich in een paar dagen naar Brussel. Met dat plotse bevel kwam de veldtocht in Normandië voor ons ten einde.

Tijdens die campagne kreeg ik het bericht dat mijn vader overleden was. Hij stierf op 9 augustus 1944, toen ik mij nog aan het klaarmaken was voor de strijd. Ik kan niet meer precies zeggen in welke stad we ons bevonden. Meteen ben ik met die brief in de hand naar de commandant van onze eenheid gestapt. Ik wilde hem vragen of ik verlof kon krijgen.

“Ja maar,” reageerde hij, “uw vader is al begraven. Het heeft dan toch geen nut om u nog naar Engeland te sturen?”

Ik keek hem verbaasd aan. Ik ben niet naar Engeland kunnen reizen omdat ik mij toen door hem heb laten ompraten. “Het is goed”, zei ik. “Ik moet geen verlof hebben.”

Terwijl ik in Normandië was, heeft mijn zus Stephanie de begrafenis in Groot-Brittannië zelf moeten regelen. Nu ik eraan terugdenk, geloof ik zelfs niet dat ik haar een brief heb geschreven. Van aan het front heb ik nooit naar huis geschreven. Gedurende die periode zat ik door de dood van mijn vader zwaar in de put. Het verdriet en het gemis van mijn familie hingen als een sluier over mij.

Dat stond in schril contrast met hoe de meesten van onze brigade die dagen beleefden. Toen we in onze vrachtwagen, een troop carrier, de Belgische grens overstaken, kwam de bevolking ons massaal verwelkomen. Na vier jaar stond het Belgische leger plots in eigen land en leek het einde van de oorlog nabij.

Victor Hannes (98): ‘Mijn verdriet stond in schril ­contrast met hoe de meesten van onze brigade die dagen beleefden.' Beeld Wouter Van Vooren
Victor Hannes (98): ‘Mijn verdriet stond in schril ­contrast met hoe de meesten van onze brigade die dagen beleefden.'Beeld Wouter Van Vooren

Op 3 september rond half vijf ’s middags bereikte de brigade de grens in het kleine plaatsje Rongy. “Ik heb toen zelf ook een traantje weggepinkt”, vertelde Marcel Hellemans, een sergeant uit Kontich, die in de jaren tachtig samen met zijn twee vrienden Frans Goovaers en Leon Van Hellemont herinneringen ophaalde. “Daar hebben zich dolle taferelen afgespeeld. De grond werd zelfs gekust.”

Feest in Brussel

Vanuit het kleine grensdorpje vlak onder Doornik trok de colonne verder naar Antoing, Ath en Edingen. Daar kregen de soldaten rust, maar ook de gelegenheid om zich te wassen en te scheren. Langs de Bergensesteenweg en het Baraplein aan het Zuidstation reed de Brigade Piron op 4 september de hoofdstad binnen.

De soldaten arriveerden om drie uur ’s middags in Brussel. “Het konvooi kon bijna niet vooruit”, zei Hellemans. “Als we even stopten, dan sprongen er wijfkes op onze carrier. Er werd toen gekust langs alle kanten. Luitenant D’Helft zei dat ik die vrouwen van onze vrachtwagen moest halen. Toen antwoordde ik: ‘Maar luitenant, op uw carrier zitten er ook vrouwen.’”

De 'troop carrier' met het peloton van Vic in Brussel. Luitenant Rogge (links) houdt de antenne vast. Leon Van Hellemont zit 
 achter hem op het dak en zwaait.  Beeld Rudi Vandenweyer
De 'troop carrier' met het peloton van Vic in Brussel. Luitenant Rogge (links) houdt de antenne vast. Leon Van Hellemont zit achter hem op het dak en zwaait.Beeld Rudi Vandenweyer

Sommigen konden in de hoofdstad al op bezoek gaan bij ouders of familie. Het ouderlijke huis van luitenant Rogge bevond zich op de Etterbeeksesteenweg nummer 5: vandaag zouden zijn ouders dus in het hart van de Europese wijk wonen.

Toen hij zijn moeder van ver zag, begon hij te lopen. “Ik viel haar in de armen en ik dacht dat mijn moeder gek zou worden”, schreef Rogge in zijn dagboek. “C’était le délire porté à son comble. Toen we elkaar weer zagen, kon mijn moeder niet ophouden met me te omhelzen. Ze bedekte me met haar tranen van blijdschap. Iedereen in de straat kwam naar buiten om me te ontvangen, om mijn hand te schudden, om me te feliciteren, ik kreeg oneindig veel kussen.”

De grootste verrassing voor Hellemans en zijn twee vrienden, Frans Goovaers en Leon Van Hellemont, kwam er op de dag na de bevrijding van Brussel. Zonder dat ze ervan wisten, waren hun ouders per taxi naar de hoofdstad afgereisd om hen in hun armen te sluiten. De tranen rolden over ieders wangen. “Je mag dit gerust aannemen”, zei Hellemans. “Dat is nog altijd het mooiste moment uit mijn leven.”

Van onze officieren kregen we veel vrijheid om aan het feestgedruis deel te nemen. Van de strenge militaire discipline was bijna geen sprake meer. Ik weet nog goed dat ik met een van mijn collega’s was uitgenodigd om bij een familie te komen eten. Maar de joelende menigte, de vreugde, eigenlijk ging dat door de dood van mijn vader allemaal aan mij voorbij.

Dubbel gevoel

Bij de Brigade Piron waren er heel wat kinderen van Belgische migranten die zich in Canada of de VS hadden gevestigd. Ver weg van huis moeten die jongens een bevreemdende soort eenzaamheid hebben gevoeld. Leon Van Hellemont beschreef hoe hij Franky Verbeeck meenam naar zijn tante Bertha in Ukkel.

Verbeeck, die nauwelijks Nederlands sprak, had anders niemand om te gaan bezoeken. Daarom ging hij graag in op de uitnodiging om samen met Nelly, de nicht van Van Hellemont, naar Ukkel te stappen, waar zijn tante Bertha een klein restaurant had. “Franky Verbeeck en ik hebben er patates frites gekregen en een goede biefstuk”, vertelde Van Hellemont. “Ik weet niet hoe mijn tante dat vlees tijdens de bezetting heeft kunnen achterhouden, maar in elk geval hebben we er goed gegeten.”

Ook de Joodse onderofficier Léon Zielinski, die uit Molenbeek kwam, sprak over het dubbele gevoel dat hij had bij al die feestelijkheden. Hij zei dat hij tijdens de bevrijding op zoek ging naar Golda, zijn toekomstige echtgenote. Maar omdat zij ondergedoken zat, kon hij haar niet vinden. “Ik heb niet deelgenomen aan de euforie in Brussel”, zei Zielinski. “Ik was op zoek naar mijn lief, mijn latere vrouw, en ik heb anderen geholpen met te zoeken naar hun moeder. Wie het nodig had, heb ik ook geld gegeven.”

Op 6 september kregen alle soldaten het bericht dat degenen van wie de stad of het dorp al bevrijd was, hun familie mochten bezoeken. Brussel was op precies dezelfde dag als Kontich bevrijd, dus de drie jongens uit Kontich kwamen in aanmerking voor zo’n kort verlof. Zij stapten op een vrachtwagen met bestemming Antwerpen. Aan de kerk van Kontich stapten ze af.

De eerste stop was het huis van de burgemeester, dokter Edward Geerts. Daar vormde zich een kleine parade, opgeluisterd door een inderhaast opgetrommelde harmonie, die naar het gemeentehuis trok. Heel Kontich kwam de drie bevrijders met open armen ontvangen. Vanop de pui van het gemeentehuis hield Hellemans een korte toespraak. “Ik geloof dat ik gezegd heb dat we blij waren om terug te zijn”, vertelde hij achteraf. “En dat we de strijd voor de bevrijding gingen verderzetten. Het zag toen zwart van het volk.”

Toen de brigade de opdracht kreeg om vanuit Brussel weer op te trekken, was het voor veel soldaten mentaal heel zwaar om aan dat bevel te voldoen. Hun gedachten stonden nu meer op tijd doorbrengen met hun familie dan op vechten aan het front. “Meer dan ooit waren ze bang om te sneuvelen”, schreef Hellemans in 1994 over het vertrek uit Brussel. “Of om gewond te raken of krijgsgevangene te worden..”

Op maandag 11 september zette onze eenheid zich om acht uur ’s ochtends in beweging om België verder te bevrijden. We hadden orders gekregen om naar Leopoldsburg op te trekken. We reden langs Leuven en Diest. Bijna alle bruggen over het Albertkanaal waren vernietigd. Enkel bij Beringen konden genisten een noodbrug aanleggen, nadat de Nederlandse Prinses Irene Brigade er een bruggenhoofd had gevestigd.

Terug naar Leopoldsburg

Daar kon ik vier jaar na de vlucht uit Heidehuizen, het gehucht bij Mol waar ik ben opgegroeid, weer het kanaal oversteken. Toen we bij Leopoldsburg aankwamen, zijn we uit de troop carrier gestapt. We waren nog maar net in de stad en ik zag er al het lijk van een burger liggen. Neergeschoten door de Duitsers vlak voor ze zich terugtrokken. Hij lag bij een kruispunt aan het kanaal.

Rond Leopoldsburg is er nog zwaar gevochten bij de bevrijding. Een sergeant, Louis Goetz, is op 12 september omgekomen in Heppen, nu een deelgemeente van Leopoldsburg. Op de plek waar hij sneuvelde is er een monument voor hem opgericht.

Onze hele compagnie kreeg de opdracht om de bossen rond Immer, een plaatsje bij Leopoldsburg, uit te kammen, op zoek naar Duitsers. Daar zijn we in totaal een week geweest. Toen onze patrouille Schoorheide, in Balen, bereikte, heb ik aangeklopt bij de hoeve van boer Willekens.

Ik zei mijn naam en dat ik op zoek was naar mijn familie. Iemand uit Balen heeft me dan geholpen door met zijn fiets naar Heidehuizen te rijden om mijn familie in te lichten. De volgende dag zag ik ineens mijn zus Mit en mijn nonkel Seppe. Zij waren met de fiets naar Leopoldsburg gereden om mij te komen bezoeken.

Dan heb ik zelf een fiets geleend en ben ik naar mijn moeder gegaan. Ik denk dat ik twaalf uur kreeg om haar te bezoeken en ik moest ongeveer 10 kilometer fietsen. Toen mijn moeder me terugzag, was ze geweldig geëmotioneerd, dat kun je niet geloven. De tranen komen nog in mijn ogen als ik erover praat.

Ze was enorm blij om haar zoon na die vier jaar terug te zien. Ik herinner me dat de ruiten van het huis kapot waren door een bominslag. In Heidehuizen ontstond er spontaan een volksfeest. Er werden toespraken gehouden om mij te verwelkomen. Samen met mijn moeder en mijn zus ging ik ook naar het kleuterschooltje van Hei.

Ik nam een kind van de klas van juffrouw Verhulst in mijn armen, terwijl de andere kinderen rond ons gingen staan voor de foto. Maar als je die beelden goed bekijkt, zie je dat geen van ons drie er echt blij op staat.

Mijn moeder was heel benieuwd naar hoe het met mijn vader en mijn zus was, die nog in Engeland zaten. Maar ik heb haar die dag nog niet alles durven zeggen. Aan mijn zus en mijn broer heb ik wel uitgelegd wat er met vader is gebeurd. Maar ik zei tegen hen: “Wacht tot ik weg ben om het aan moeder te vertellen.” Ik heb gehoord dat ze die avond nog de dokter voor mijn moeder hebben gehaald, omdat ze zo over haar toeren was.

Foto's van Victor, zijn moeder (links) en zijn zus Mit (rechts) bij het kleuterschooltje.  Beeld YV
Foto's van Victor, zijn moeder (links) en zijn zus Mit (rechts) bij het kleuterschooltje.Beeld YV

Een tijd later kon ik voor een tweede keer op verlof gaan. Ik liftte tot een geallieerde vrachtwagen me oppikte. Ik liet de chauffeur me afzetten aan het station van Mol en dan ben ik zo naar Heidehuizen gewandeld. Zelf rookte ik niet, maar ik had de sigaretten die we elke week kregen bijgehouden voor mijn broer. Mijn rugzak zat vol met Old Gold en Player’s. Frans was er heel blij mee.

Om terug te keren heb ik bij café ’t Spieken aan de Molderdijk een lift gekregen richting het front. Mijn moeder en zus zijn nog meegekomen tot aan het café om me uit te wuiven.

Zoeken naar Frans

Ook mijn vriend Frans Beckers, die soldaat was bij het Britse leger, is tijdens de bevrijding teruggekomen naar Heidehuizen. Toen zijn moeder – iedereen noemde haar ‘Mie Lou’ – vernam dat haar zoon terug in het land was, sprong ze meteen op de fiets. Samen met Josefien Kemps, zijn jeugdvriendin met wie hij na de oorlog zou trouwen, ging ze hem opzoeken.

Maar zodra ze bij het Britse kamp aankwamen, was het nog niet zo makkelijk om hem te vinden. “Ze wilden ons nergens toelaten”, zo liet Mie Lou in een boek over Heidehuizen optekenen. “Overal stonden wachtposten, maar we zijn gewoon doorgelopen. Geen mens kon me tegenhouden. Die mannen riepen lelijke dingen naar ons, maar ik bleef naar Frans vragen. Ze spraken allemaal Engels en dat verstonden we niet. Eindelijk vonden we een Belgische soldaat en die is Frans gaan halen.”

Toen Mie Lou er jaren later over sprak, kwamen ook bij haar de tranen weer naar boven. Frans kreeg een kort verlof om zijn familie te bezoeken. Tegen vijf uur ’s ochtends moest hij de volgende dag terug zijn. Iedereen in Heidehuizen kwam naar buiten om Frans te verwelkomen. Van slapen is er die nacht niets in huis gekomen, vertelde Mie Lou: er was te veel om over te praten.

Dit is een voorpublicatie uit het boek van Victor Hannes, opgetekend door Yannick Verberckmoes. De laatste getuige, hoe ik met de Brigade Piron België bevrijdde verschijnt op 13 september bij Horizon.

Morgen deel 3 (slot): het peloton van Victor wordt geselecteerd voor een tragische aanval in Nederland.

Cover ‘De laatste getuige’. Beeld RV
Cover ‘De laatste getuige’.Beeld RV

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234