Zaterdag 04/02/2023

Verzopen nachten

houellebecqiaans proza van Pierre M�rot

Pierre Mérot

Memmen

Oorspronkelijke titel: Mammifères

Vertaald door Liesbeth van Nes

Vassallucci, Amsterdam, 190 p., 16,95 euro.

In het ultracynische Memmen vertelt Pierre Mérot grimmig lucide en onbarmhartig komisch over de alcoholische escapades, amoureuze afschampers en sociale dwalingen van zijn alter ego.

'Alcohol is waarschijnlijk de factor die het meest heeft bijgedragen tot de vernieuwing van de literatuur sinds Baudelaire", schreef Alexandre Lacroix boudweg in In drank ten onder. In dit uiterst lezenswaardige essay inventariseert deze Franse essayist het "alcoholische literaire masochisme". Zouden schrijvende dipsomanen als Marguerite Duras, Bohumil Hrabal, Malcolm Lowry, F. Scott Fitzgerald, Dylan Thomas, Antoine Blondin en Charles Bukowski er zonder hun portie promilles evenveel van gebakken hebben? Hoogst betwijfelbaar, aldus Lacroix. Hij wees meteen ook op de deprimerende wisselwerking tussen alcohol en seks: "Dronkenschap en erotiek zijn allebei gebieden van de overmaat." Neem nu Bukowski. Voor dit getalenteerde drankorgel was zuipen én seks één "falende herhaling", beide bitter van nasmaak en uiteindelijk weinig bevredigend. En bij Georges Bataille, schrijver van het gewelddadig pornografische L'Oeil, stond alcohol synoniem voor een "weerzinwekkende seksualiteit: het tegen elkaar wrijven van twee zatte pensen". Bataille was immers behekst door vrouwen die "hun best [deden] om afkeer op te wekken".

Het geschrift van Lacroix leest als een voorstudie bij het werk van de Franse schrijver Pierre Mérot (°1959), die met zijn vierde roman Memmen van de weeromstuit in de eretribune van literaire zuipschuiten postvat. Bovendien heeft Mérot de levenslessen van Bukowski en Bataille in een eigenzinnige variant gegoten. Seksualiteit, dronkenschap en weerzin gaan een even bizar en heilloos triootje aan. Niet iedereen was er kapot van. Mérots manuscript werd door Gallimard lichtjes geshockeerd geweigerd. Vervolgens sloot Flammarion, waar trendsetter Frédéric Beigbeder tegenwoordig de plak zwaait, het vliegensvlug in de armen. Memmen kreeg laaiende kritieken en leverde Mérot in Frankrijk de Prix de Flore op, die wel vaker garant staat voor enige controverse.

In Memmen (entre nous: de Nederlandse titel bekt van geen kanten) sloft ene 'Oom' door een perpetuum mobile van uniforme dagen. Oom is een nauwelijks verdoken schutsnaam voor Mérot zelf, een neurotisch personage dat valt op licht vulgaire dames en "metafysische sletten, die uit wanhoop strings dragen". Al te vaak ziet de zielenpoot zich 's nachts verplicht aan te kruipen tegen "onvolmaakte vrouwen [...], in een lucht van goedkope shampoo". Hijzelf is er geen jota beter aan toe. "Oom verenigt in zijn persoon een paar klassieke gebreken: hij rookt ongeveer veertig sigaretten per dag. [...] Hij drinkt. Hij heeft geen wilskracht. Hij is seksueel geobsedeerd." Zodoende "stinkt hij steeds meer naar een zieke lever, wordt [hij] libidineus en agressief en produceert sperma in de kleur van Kronenbourg-bier."

Hoe dat zo gekomen is? Heel simpel: "U bent begonnen met drinken om de liefde te bereiken. De drank heeft u er verder vanaf gebracht en heeft uiteindelijk haar plaats ingenomen." Of is het toch de schuld van Ooms betuttelende moeder, een "zoogdier die u beschouwt als een uitgroeisel van haar eierstokken"? Tenslotte was zij "uw eerste café. U hebt van haar placenta gedronken. Tegenwoordig gaat u van de ene naar de andere bar op zoek naar uw oervocht. Cafés zijn grote, donkere, drukke baarmoeders."

In zijn veertig levensjaren heeft Oom vele vergeefse watertjes doorzwommen. Nu woont hij op een vrijgezellenkamertje van dertig vierkante meter. Voor zijn talloze misstappen is hij bestraft met "een schandalige afwezigheid van geluk en kinderen". Hij heeft de handen vol als fulltime loser en kroegtijger: "Alcoholisme is namelijk werk, in die zin dat het over het algemeen het overgrote deel van je dagen in beslag neemt, dat het in elk geval lichamelijke vermogens vereist, kennis van de alcoholica en het doseren ervan, en dat het een van de voornaamste gespreksonderwerpen is."

Op docerende wijze leidt Oom ons door zijn piepkleine universum van wijkcafés, vaste ankers in de morsigheid van verzopen nachten. Mérot geeft zijn openingshoofdstukken de merkwaardige plechtstatigheid van een filosofisch traktaat. Uitspraken over de lamentabele staat van de wereld en de vergeefsheid van de liefde vliegen ons om de oren: "De paren die vandaag een liefdesverhouding beginnen, schepen met hen een clandestiene passagier in, de onafwendbare scheiding [...] Niemand kan blijvend als stel leven. Zij die erin slagen zijn geen optimistische heiligen, maar diep depressieve wezens." De bittere scherpte is herkenbaar Houellebecqiaans. De persiflage op de meester-pessimist van de menselijke relaties dreunt opzichtig door. Aanvankelijk debiteert Mérot zijn frasen op de toon van een nieuwslezer met kiespijn. Toch zou het zonde zijn om het boek juist op dat moment dicht te klappen. Wanneer Oom eindelijk zijn krakkemikkige beroepsverleden en amoureuze buitelingen en detail begint te onthullen, wordt Mérot gevaarlijk als een snerpende slijpschijf. Een spervuur van gitzwarte maar onbedaarlijke escapades maakt dit boek eensklaps tot kwaadaardig leesplezier: Oom verkent de mogelijkheden van een elektrische tandenborstel als vibrator; Oom meet met een schuifmaat de wisselende grootte van zijn testikels en ontdekt het 'hazelnootsyndroom'; Oom heeft vaginale obsessies, zelfs op vernissages van abstracte-kunsttentoonstellingen: "Had U niet een perverse brunette bespeurd, een vrouw die een string draagt, een niet-abstracte driehoek in deze Nacht van de Kunst-Galeries? Er is nog tijd om te vluchten. Naar een vagina van ammoniak en wanorde." Al even grauwkomisch zijn de bokkensprongen met zijn tijdelijke Poolse vlam ("hij ziet opnieuw haar roodharige gestalte, en de mislukking fluit opnieuw door zijn bloed met de zwarte kraaien van Warschau als ongeneeslijke bloedproppen") of met de loederige Cruella ("Ze wil alleen maar de liefde bedrijven, of minder alleen zijn. De mannen ruiken het en gaan op haar af met zware eikels en een verborgen razernij").

Gaandeweg daagt het besef dat Ooms drankzucht een subtiele vorm van subversiviteit is, een manier om aan de middelmatigheid te ontsnappen en ongegeneerd giftige maatschappijkritiek te ventileren. Net als bij Houellebecq richt Mérot zijn pijlen op 'de wereld van markt en strijd': "Werk is een van de wezenlijke oorzaken van het ongeluk van de mensheid, de andere is zoals bekend de liefde. Een handvol zeikers tiranniseert de hele planeet met werk. [...] Een reusachtige frustratie drijft hen ertoe zich overmatig in te spannen." Anders dan Houellebecq kiest Mérot voluit voor de burleske en is hij kwistiger met grove humor. Illustere hoogtepunten vormen de ontnuchterende professionele doortochten van Oom bij het militair museum, bij een Minitel-bedrijf of bij uitgeverij Ubu, "de bekroning, het hoogtepunt, de apocalyps": "Je denkt eindelijk de hof van Eden te hebben bereikt, de krioelende wateren waar de vis van droomt in het seizoen van het kuit schieten." Helaas: "de voornaamste activiteit van een uitgeverij bestaat uit manuscripten zoekmaken" of "ervoor te zorgen dat ze zich opstapelen zonder gelezen te worden."

Als leraar scheert Oom ten slotte langs de hoogste pieken van beroepsmatige ellende. Mérot haalt het onderwijs met zijn pedagogische neptalk, zijn (alweer) bronstige "vrouwtjesdieren" en zijn turbulente concentratiescholen zonder compassie door de mangel. Ontredderd snakt Oom naar de veilige haven van de werkloosheid. Gloort er dan geen greintje licht in het universum van Mérot? Toch wel. De bucolische, weliswaar zurig ruikende lachsalvo's werken vaak bevrijdend. En de "geschminkte muil van de alcohol" zorgt op de slotpagina's voor een authentieke floers van vreugde: "Toch overkomt het u dat u gelukkig bent. U overlijdt misschien vroegtijdig aan een levercirrose, een overdosis of een ander overmatig gebruik, maar u hebt geen overeenkomst vertoond met een benepen gezin of met al die mensen die u willen verhinderen om te leven."

Dit gepeperde maar soms onevenwichtige logboek van een verlopen outcast mag dan wel gretig aanleunen bij Houellebecq, Bukowski en Bataille (hij wordt in een aantal gruwelijke seksuele fantasieën fijntjes gepersifleerd), Le Nouvel Observateur zat er in zijn recensie niet ver naast: "Les damnés de l'Occident viennent de trouver leur nouveau troubadour."

Dirk Leyman

Pierre Mérot wordt gaandeweg gevaarlijk als een snerpende slijpschijf

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234