Zaterdag 28/05/2022

Verweesd in de hel van Kenia

Zelfs de allerkleinsten moeten al werken om hun steentje bij te dragen. De vijfjarige Quinta heeft een perceeltje waar ze 's morgens vroeg moet spitten; op blote voeten en met lege maag

Vandaag roept Live 8 de wereld op om niet onverschillig te blijven voor de armoede in Afrika. Maar hebben Bono en Bob al wel de geur van een stervend kindje geroken? En weten zij dat een uitgehongerd, op zichzelf wonend weesje van vijf jaar zich er eerst van verzekert dat ook haar oudere broertjes en zusjes iets te eten hebben, voor het haar eigen bordje leeg eet? De eerste dagen uit het dagboek van Margot Vanderstraeten, bij de aids-weeskinderen van Nairobi en Kabondo.

Woensdag 22 juni 2005

08.00 uur

Het was van eind december geleden dat ik Achieng Renish Ngube nog gezien had. In die tijd hebben we elkaar wel gemaild. En af en toe een sms gestuurd. Achieng is een seropostieve aids-activiste wier familie en omgeving zelf niet van de aids-doden bespaard gebleven zijn. Een zin in een van haar mails zit in mijn hoofd gegrift: "We hebben vandaag mijn grootmoeder begraven. Ze heeft een goed en lang leven gehad. De begrafenis was een feest. Het was voor het eerst in jaren dat ik nog eens naar een begrafenis ben geweest van iemand die ouder is dan ik." Achieng is 38.

Ze stond me gisteravond aan de luchthaven op te wachten. Het was een warm weerzien. Een maand lang zal ik bij haar logeren, haar slaapkamer is op mijn komst voorbereid; zelf zal ze - tegenstribbelen heeft geen zin - een maand samen met haar dochters op hun kamer slapen. Lyn (18) en Susan (13) geven de indruk aardige, stille meisjes te zijn.

Woensdag 22 juni 2005

20.00 uur

Kariobangi is de hel. Eén enkel bezoek - ik zal de komende weken herhaaldelijk terugkomen naar dit weeshuis met aanpalende school - volstaat om tot die vaststelling te komen. Zelfs als de term weesgevangenis zou bestaan, zou hij deze verschrikkelijke lading niet dekken.

In Kariobangi, dat achter een enorme sloppenwijk ligt, wonen honderd wezen. Ze zijn allemaal tussen de vijf en de vijftien jaar oud. Hun ouders zijn aan aids overleden. Of ze hebben nog een vader of een moeder, maar die ligt in bed - dat is op de grond van een krot in de sloppenwijk - te sterven zodat hij of zij niet eens voor zichzelf, laat staan voor zijn kroost kan zorgen. Gelukkig zijn niet al deze kinderen besmet met het hi-virus. Zij die hiv positief zijn, gaan er op jonge leeftijd aan dood omdat ze de medicamenten niet kunnen betalen. Zo simpel kan de werkelijkheid hier zijn.

In Kariobangi gaan ook nog eens tweehonderd externe leerlingen naar school. Het weeshuis en de klassen - de Danoko Outreach Academy - van Kariobangi zijn van golfplaten en bij elkaar gesprokkeld afval gemaakt. De vloer is van aarde. Er is geen sanitair. Om een klas binnen te stappen moet je over openliggende riolen springen. Het is er vies. Het stinkt. In de klassen is geen elektriciteit. Een raam werpt een schamele lichtstrook binnen.

De kinderen hebben me hun slaapkamers getoond. Kamers - hokken - van hooguit drie meter bij drie waarin twee stapelbedden in T-vorm tegen elkaar staan. De matrassen ruiken naar schimmel, ze zijn bedekt met donkergrijze dekens vol vlekken. Op vier eenpersoonsmatrassen slapen soms negen kinderen. Aan een meisje van zeven vraag ik of ze goed kan slapen, met zoveel in bed. Ze antwoordt dat ze elke nacht minstens drie keer uit haar bedje valt. Uit haar bedje, dat is op de natte, rode aarden grond.

In heel het weeshuis, en ook niet in de aanpalende school, staat nergens een tafel. Als de kinderen eten krijgen, schuiven ze aan bij de grote ketels op de binnenplaats; die biedt geen enkel ander uitzicht dan dat van gore, vervallen krotten. Honderd kinderen eten hun kinderleven lang geen enkele keer aan tafel. In hun kamers hangt, op een enkele overbelichte Jezus na, geen poster of foto. De leefwereld van deze weeskinderen is bruin en verregend, grijs, vol schimmel en vol beestjes.

Ik vermoedde het al wel, maar nu weet ik het zeker. Kinderen zijn uitzonderlijke wezens. Zo zien zij, ik weet niet hoe, altijd licht in het donkerste duister. Ik denk zelfs dat ze het duister niet zien. Ze rennen, huppelen, lachen, spelen tikkertje en wuiven dat het een lieve lust is. En, ik kan het niet verhelpen, het bezoek van een blanke, een 'mzungu' maakt hun dag tot een heus feest. Als ik in een klas een uurtje mag vertellen over wie ik ben en wat ik doe, kent hun nieuwsgierigheid geen grenzen. Ze willen alles over België weten.

Als Achieng aan het eind van die dag honderd knuffeldieren te voorschijn tovert, kan de vreugde helemaal niet meer stuk. Aan sommige kinderen moeten we uitleggen welke troeven een knuffeldier kan hebben. We moeten vertellen, voordoen, dat je een knuffeldier tegen je aan kunt drukken, 's nachts, als je niet zo goed slaapt, of als je wel goed slaapt, maar gewoon een warm en zacht vriendje wilt hebben.

Donderdag 23 juni 2005

19.30 uur

Ik ben bijna de hele dag in de weer met het zoeken van een cybercafé waar de internetaansluiting niet al te traag is, en met het uitwerken van het dagboek op mijn website. In de late namiddag, als we huiswaarts rijden, komen we een jonge, uitgeputte vrouw tegen die heftig staat te snikken; ze draagt een kindje in haar armen. Achieng gaat naar haar toe en vraagt wat er gaande is. Ze ziet het kind en weet meteen wat er gaande is. Het kindje, Ian, is één jaar en heeft aids. Het is stervende. We nemen de jonge vrouw, Lucie, en het kindje eerst mee naar huis, en dan naar het ziekenhuis. Ik zit naast hen, achteraan in de auto, een Toyota Starlet Turbo, donkerblauw met felgele strepen. Ik zie het kindje hangen; het heeft niet eens de kracht meer om de oogjes te sluiten. In de auto hangt een stank die amper te harden is. Ik buig me over het kindje. Het is graatmager. Het kan niet meer eten. Houdt niets binnen.

Als ik naar Ian kijk, zie ik maar één enkel allesomvattend beeld voor me. Het beeld dat de oorlogsfotograaf James Nachtwey in Soedan heeft gemaakt, en dat de hele wereld is rondgegaan. Het beeld van dat uitgemergelde kindje dat op een droge aardkost ligt, kloven in de lipjes en kloven in de aarde. Achieng en de moeder wassen het kindje. De moeder krijgt een bord rijst met vissaus. Het kindje grijpt een stukje vis. Het kindje heeft honger, wil het stukje vis eten, maar spuugt alles er weer uit. Het is uitgedroogd, en op. Achieng brengt Lucie en Ian naar het ziekenhuis. Achieng weet dat het ziekenhuis te laat zal zijn. "Ik ken die geur te goed; het is de laatste fase, als het lichaam niets meer ophoudt, en ook het leven eruit zal lopen."

Vrijdag 24 juni 2005

20.00 uur

We zitten met een groep weeskinderen aan tafel. We hebben eten gekookt, rijst en ugali (een stevige pap op basis van maïsmeel), en ook bonensoep voor bij de ugali, en dan groene groenten, ik ken de naam ervan niet, maar het is een soort kool die samen met wat ui en tomaat gestoofd wordt en heel lekker is. Achieng zegt: "Let's eat, my children." Er is er eentje, een meisje van een jaar of twaalf, dat zich verzet. Ze zegt lachend: "I am not a child." "Oh", zegt Achieng, "wat ben jij dan wel?" Het meisje antwoordt: "I am an adolescent." "Dat is een moeilijk woord", zegt Achieng, "weet je ook wat het betekent?" Het meisje staat op, ze zegt: "Het is de periode between puberty and adulhood." "Goed zo", zegt juffrouw Achieng. "Maar waarom ben jij dan een adolescent?" "Omdat ik mijn bimenstriations al heb?" "Je wat?" "Mijn bimenstriations", zegt het meisje en ze voegt eraan toe: "The pronunciation of that word is so hard." "Ha", zegt een ouder meisje dat naast haar zit "wacht totdat je het menstruatieproces ondervindt, dat is pas echt 'hard'."

Zaterdag 25 juni 2005

13.00 uur

In Afrika wordt het aantal aids-wezen vandaag op 12 miljoen geschat, dat is meer dan de volledige Belgische bevolking samen. Ik weet niet op hoeveel het aantal corrupte zakenmensen en ambtenaren in Afrika geschat wordt, maar het staat vast dat twee voorname Keniaanse ziekten, aids en corruptie, elkaar hebben gevonden. Er worden vandaag lukraak, en zonder procedureboek, dus ook zonder controles van overheidswege, grootschalige weeshuizen opgezet omdat er aantrekkelijke nationale en internationale fondsen te verkrijgen zijn. Voor lepe ondernemers en valse welzijnswerkers zijn weeskinderen big business omdat ze per definitie aan het hart van de gever appelleren. Omdat de mens voorbeschikt is om van kinderen te houden. Omdat de meeste volwassenen, samen met de kinderen, ook hoop, troost en schoonheid zien mee huppelen.

Zondag 26 juni 2005

17.00 uur

We rijden, Achieng, chauffeur Boniface en ik, helemaal naar Kabondo, het dorp van Achiengs moeder, niet ver van Nabuku. De weg is hobbelig. Als mijn darmen al in de knoop lagen, zijn die nu weer helemaal losgegooid.

In dit land wordt geen enkel voedselrestje weggegooid. Wie zijn bord niet leeg krijgt, geeft de rest aan zijn buur. Uien die niet volledig versneden worden, krijgen de volgende dag hun culinaire bestemming. Idem voor lookteentjes, restjes rijst en noem maar op. In dit land vraag je nooit of iemand wil mee-eten. Je zet gewoon een bord extra op tafel en schuift een stoel bij. De traditie wil dat als je iemand vraagt of hij mee-eet, hij uit beleefdheid 'nee' zal zeggen. Ook als hij een reuzenhonger heeft. En er hebben er hier nogal wat een reuzenhonger.

Ik ontving deze uitleg over de traditie van het bord extra. Ik dacht: dat lijkt me logisch. Totdat ik daarstraks met Achiengs broer naar een cybercafé stapte. Een uur op het internet werkte om mijn website aan te passen. Dorst kreeg. Zag dat er Coca-Cola - niets anders - verkocht werd. Aan Steve, Achiengs broer, vroeg of hij ook een Coca-Cola wilde. En zijn antwoord 'nee, ik heb geen dorst', voor waar nam. Pas later, toen ik weer thuis was, zag ik mijn fout in. Ik had voor hem sowieso ook een flesje cola moeten kopen.

Maandag 27 juni 2005

17.00 uur

Ik moet schrijven voor het donker wordt. Ik ben in Kabongo. Hier is geen elektriciteit. Ik kan schrijven tot de batterij van mijn laptop plat is. Daarna moeten we, morgen, naar de stad om ze weer op te laden; de stad ligt een uur rijden hiervandaan.

Op het platteland krioelt het, net als in de steden, van de weeskinderen. In de lagere school van Kabongo is een vierde van de kinderen wees. Aids heeft met een zeis de generatie van twintigers en dertigers neer gemaaid. De kinderen komen ook nog eens uit heel arme families, wat evenveel wil zeggen als dat ze nu volledig aan zichzelf overgelaten zijn. Zelfs de allerkleinsten moeten al werken om hun steentje bij te dragen. De vijfjarige Quinta heeft een perceeltje waar ze 's morgens vroeg moet spitten; op blote voeten en met lege maag.

De moeder van Achieng is onderwijzeres. Ze kent veel kinderen. En de kinderen kennen haar. In de grote achtertuin schuiven regelmatig een tiental weeskinderen aan tafel. Quinta is de jongste; ze was drie toen ze haar beide ouders aan aids verloor. Ze heeft nog broertjes en zusjes. Ze dragen zorg voor elkaar.

We hebben gisteravond met zijn allen gegeten. Met zijn allen, dat betekent met dertien weeskinderen die anders niets gegeten zouden hebben. Een aantal is ook blijven slapen, omdat er toch nergens een bed op hun wachtte. Ze hadden reuzenhonger. Sommigen hadden in geen weken nog een warme maaltijd gehad. Ze eten bananen, af en toe een avocado of een maïskolf. Maar gisteren aten ze rijst en groenten en kip. En de kinderen die zo uitgehongerd waren, wachtten tot iedereen een vol bord had voor ze begonnen te eten. En toen alle borden vol waren, informeerde het jonge meisje Quinta bij haar oudere broertjes en zusjes of ze een even gevuld bord hadden als het hare, en pas toen ze daarvan verzekerd was, ging ze met haar handjes naar ugali, kneedde er een propje van, vermengde het met de groentesaus en at drie borden leeg.

Dinsdag 28 juni

17.15 uur

Achieng heeft de voetjes van veel kinderen gedesinfecteerd. Ze zaten vol wormen en maden. Ongedierte dat hun hele voeten opvreet. In de voetjes van Quinta zaten er wel honderd. Maar het meisje huilt niet. Niet toen de beestjes zich in haar nestelden. Niet toen het ontsmettingsmiddel ze eruit wegbeet. Het heeft tot deze namiddag geduurd voor ik er zeker van was dat de Keniaanse kinderen toch kunnen huilen. Dat was toen we een lokale school bezochten. En twee kleine kereltjes vochten. Om een door ons meegebrachte frisbee. Geschonken door de KBC.

Tot 17 juli kunt u op de website van Margot Vanderstraeten (www.margotvanderstraeten.com) het rechtstreekse webdagboek uit Nairobi lezen. De Gentse vzw The Silent Witness biedt, via de Koning Boudewijnstichting, steun aan kleinschalige, lokale projecten in Kenia.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234