Woensdag 14/04/2021

GetuigenisQuarantainedagboek Maarten Keulemans

‘Verwarrend genoeg zijn de méést voorkomende symptomen niet hoest en koorts, maar hoofdpijn en vermoeidheid’

null Beeld Erik Smits
Beeld Erik Smits

Al bij de eerste merkwaardige berichten uit China verdiept wetenschapsjournalist Maarten Keulemans zich voor de Volkskrant in het coronavirus. Immer goed gedocumenteerd gidst hij zijn lezers helder naar het nieuwe normaal van wattenstaaftest, lockdown en virusmutant. Als zijn vriendin vlak voor Kerstmis met covid gediagnosticeerd wordt, begint Mister Corona een dagboek, waarin hij zijn kennis van het afgelopen jaar aan de praktijk toetst: ‘Dat dit coronageweld mij moet overkomen!’

21 DECEMBER 2020: CORONA-ALARM

Aan de manier waarop ze mijn naam roept, onderaan de trap, hoor ik het meteen. Dringend, een beetje gealarmeerd. Zoals ze zou roepen als er een grote spin op de muur zit, de kat een muis heeft binnengebracht, of allebei. Maar nee. “Ik ben positief”, zegt mijn partner als ik de huiskamer binnenkom. Positief. Voor corona. “Neemt u even de tijd om het te verwerken”, staat er in het bericht dat ze heeft ontvangen. Want corona, dat is toch: die ziekte.

Ik begin wat kalmerende cijfers op te zeggen die ik, als coronaverslaggever van de Volkskrant, inmiddels uit mijn hoofd ken. Uiteindelijk, zeg ik, hoeft van alle mensen die besmet zijn met het virus, maar een paar procent naar het ziekenhuis. En op de ic belandt zo’n 0,35 procent van alle geïnfecteerden. “Dat valt best mee, toch?” Mijn vriendin tuurt ietwat verslagen naar haar laptop. Een beetje keelpijn en wat verkoudheid zijn haar voornaamste klachten. En o ja, ze kan minder goed ruiken, bleek gisteren toen ze aan een theezakje rook – het laatste duwtje om een wattenstaafjestest aan te vragen.

Boven, in mijn werkkamer, begin ik de wetenschappelijke literatuur uit te vlooien die ik inmiddels in steeds wankeler stapels op de rand van mijn bureau heb verzameld. Hoe groot is tegenwoordig de kans dat mijn vriendin in het ziekenhuis belandt? Of, ik durf er haast niet aan te denken, komt te overlijden? Het zet me ertoe aan ook die statistieken erbij te pakken. Het opnamerisico in het ziekenhuis loopt sterk op met de leeftijd: 1 procent voor twintigers en dertigers, 2 procent voor veertigers, 4 procent voor iemand in de vijftig en al snel 6 tot 8 procent voor zestigers en zeventigers. Dat zijn Amerikaanse cijfers, houd ik mezelf voor, een land waar ze je vast sneller opnemen. Maar de cijfers uit Nederland zijn niet veel beter. De kans om in het ziekenhuis te belanden was tot dusver ruwweg 3 procent voor 60-minners, en 10 procent voor mensen van boven de 60.

Waarschijnlijk liggen die getallen in werkelijkheid lager: tijdens de eerste golf wisten we immers niet goed hoeveel mensen geïnfecteerd waren. Maar je ziet het ook in het ziekenhuis: 10 procent van alle patiënten is tussen de 35 en de 50, nog eens 28 procent is tussen de 50 en de 65. En de kans op overlijden? Die schiet vooral boven de 65 omhoog. Volgens een recente overzichtsstudie overlijdt rond de 70 jaar zo’n 2,5 procent, is de sterfkans voor 80-jarigen ongeveer 8,5 procent en voor 85-plussers liefst 28,3 procent. Voor mensen van rond de 40 is de overlijdenskans 0,07 procent, en rond de 50 is de overlijdenskans 0,25 procent. Eén op de vierhonderd, dat valt eigenlijk best mee, houd ik mezelf voor.

Beneden is mijn partner inmiddels in bed gekropen, rillerig en vermoeid. De geschrokken appjes en beterschapswensen stromen binnen. “Het is eigenlijk een gewone griep. Iets wat ik eerder heb gehad”, zegt mijn partner, allerminst op haar gemak. “Maar nu denk je toch wat eerder: er zit iets in me dat kan ontploffen.”

22 DECEMBER 2020: DE GEZINSUITSTAP

“Ik voel me wel een beetje ten dode opgeschreven nu.” Append vanuit zijn studentenkamer verwoordt onze zoon het aardig. Afgelopen weekeinde, uitgerekend toen mijn vriendin op haar besmettelijkst moet zijn geweest, zijn we met zijn vieren op gezinsuitstap geweest in Zeeland. We deden alles wat onverstandig is: urenlang met elkaar in een afgesloten auto zitten, met zijn vieren op een hotelkamer slapen, krappe saunaruimtes bezoeken, druk met elkaar praten en lachen aan tafel. Zelfs de omstreden kunst van het zingen hebben we beoefend: mijn partner was jarig, en in ons gezin is het de gewoonte dat we dat uit volle borst bezingen.

In de gezinsapp stuur ik een besmettingsgrafiek rond uit het Britse blad The Lancet, waarop te zien is hoe het met die besmettelijkheid zit. Wie besmet raakt, is eerst een dag of drie, vier op het oog coronavrij: het virus is zich nog zo bescheiden aan het vermenigvuldigen dat een wattenstaafjestest het niet zou oppikken. Die incubatieperiode kan in extreme gevallen wel twee weken duren. Dan komt het virus op gang. Steeds meer cellen in keel- en neusholte scheiden het af, het virus vermenigvuldigt zich exponentieel. En, het verraderlijke, aanvankelijk merken we daar niets van. Geen keelpijn, koorts, hoest- of niesbuien: het virus zit er gewoon, in steeds grotere hoeveelheid. Maar kijk uit met schreeuwen, praten of zingen: het kan dan gelanceerd worden en wegzweven. Daar zit iets verrassend diepzinnigs achter, legde hoogleraar klinische virologie Louis Kroes me eens uit. Wie geen verkoudheidsklachten heeft, maakt in de keel weinig vocht aan. Dat maakt dat er kleinere druppeltjes ontsnappen dan uit de keel van iemand die snipverkouden is. Gevolg: meer zwevend virus, want kleinere druppeltjes blijven langer hangen in de lucht dan zwaardere. In die beroemde ‘presymptomatische’ fase verkeerde mijn vriendin dus. De fase waarin het virus weleens een half restaurant, zangkoor of sportklas wil aansteken, als de geïnfecteerde toevallig net iemand is die extreem veel virus aanmaakt.

Pas na ongeveer twee dagen explosieve virusvermenigvuldiging komen de symptomen. Uw afweer krijgt door dat er in uw keel een virus is komen wonen, en grijpt in. Cellen gaan vocht aanmaken om de indringer weg te spoelen, alarmstoffen drijven uw lichaamstemperatuur op om het de vijand zo onplezierig mogelijk te maken, en u begint te snotteren, te hoesten en u ziek te voelen. Gelukkig is er één lichtpuntje, weet ik: al die keren dat er niemand besmet raakte. Want al die koorrepetities en kerkdiensten waar het goed ging, daarover hoor je nooit iets. Kleine, ‘droge’ keeldruppeltjes blijven dan misschien langer hangen, er past ook minder virus in. Misschien wel te weinig om van besmet te raken. Vandaar de aanwijzingen dat het met de symptoomloze besmettingen best meevalt. Een bemoedigende meta-analyse in artsenblad Annals of Internal Medicine keek eens naar 1.400 nauwe contacten van geïnfecteerden zonder symptomen: slechts acht waren besmet geraakt.

Ping! De gezinsapp weer. “Ja Maarten, het zou een wonder zijn als je níét besmet bent”, appt zoonlief behulpzaam. “Er is dan maar één verklaring: de naam Keulemans blijkt een vaccin.”

23 DECEMBER 2020: SYMPTOMEN TE OVER

“Dat dit mij weer moet overkomen. Dit coronageweld.” We zijn een paar dagen verder, en mijn vriendin krijgt haar praatjes al aardig terug. Moe is ze, koortsig en bedlegerig, maar nog wel in staat om wat te Netflixen. En nu staat ze in de keuken, in ochtendjas. “Op gummibenen”, zegt ze, zichtbaar wankel. “En mijn ogen voelen dik aan.” Gelukkig lijkt ze tot de ongeveer 98,5 procent te behoren die de virusinfectie thuis kan uitzieken. Nou ja, gelukkig. Ik denk terug aan hoe nijdig ik werd toen ik een economiehoogleraar op televisie hoorde zeggen dat die 98,5 procent dus “heel lichte of geen klachten” heeft. Dat is ook weer niet waar, zoals je met één blik op mijn partner kunt vaststelllen.

Een tijdje geleden riepen we Volkskrant-lezers die thuis corona hadden uitgeziekt op om hun ervaringen te delen. Dat resulteerde in een rijke bloemlezing, met verhalen van mensen die slechts kort verkouden waren geweest, tot stakkers die weken met hoge koorts in bed hadden gelegen en zwoeren dat dit de meest verschrikkelijke ziekte was die ze ooit hadden doorstaan. Op wat de thuispatiënt te wachten staat, is geen peil te trekken. Volgens een Europese studie van 1.420 ‘gewone’ patiënten, zijn de meest voorkomende symptomen hoofdpijn (70,3 procent), geurverlies (70,2 procent) en verstopte neus (68 procent). Maar volgens een andere academische inventarisatie bestaat de top drie uit koorts (81 procent), hoesten (66 procent) en vermoeidheid (44 procent). Wat is het nu? Het hangt er maar vanaf welke symptomen je in zo’n onderzoek kunt aankruisen, denk ik. En aan wie je het vraagt: in het ziekenhuis zullen ze andere klachten rapporteren dan thuis.

Interessant is een lopend onderzoek in Groot-Brittannië, waarbij miljoenen mensen hun symptomen bijhouden op een app. De drie klassieke, onderscheidende symptomen, volgens het onderzoek: hardnekkige hoest, koorts en geurverlies. Haast iedereen die positief test, heeft één (of meer) van die klachten. Maar verwarrend genoeg zijn de méést voorkomende symptomen niet hoest en koorts, maar vermoeidheid en hoofdpijn. Van de volwassenen heeft 82 procent last van vermoeidheid en driekwart van hoofdpijn; bij tieners en kinderen is hoofdpijn de meest gemelde klacht. Koorts krijgt opvallend genoeg slechts een minderheid (40 procent), en dan nog vooral kinderen en 65-plussers.

Leuk, al die cijfers, maar is er een symptoom dat je níét kunt krijgen? Duizeligheid, misselijkheid, diarree? Zo’n 5 tot 10 procent heeft er last van. Huiduitslag? In de Britse app zegt 8 procent het te hebben. Soms is de ziekte zelfs lastig te herkennen: bij ouderen uit ze zich vaak in verwardheid, bij jonge kinderen zijn de voornaamste klachten buikpijn en hangerigheid. Ik bel erover met Jako Burgers, één van de covidexperts van het Nederlands Huisartsen Genootschap. Kijk, legt hij uit: dat coronavirus mag dan binnenkomen via de luchtweg, uiteindelijk komt het in het bloed, en begint het aan zijn achtbaanrit door het lichaam. “Zo komt het bij alle organen, alle cellen, alle weefsels.” Zoals dat opvallende symptoom geurverlies: veroorzaakt doordat het virus de steuncellen rondom het reukcentrum boven in de neus aanvalt. Hij noemt nog wat symptomen die hij met enige regelmaat tegenkomt: wintertenen, oogirritatie, pijn op de borst. Bizar.

“Griep, griep… dit is echt geen griep”, klaagt mijn partner, als ik per ongeluk het g-woord gebruik. “Het voelt gewoon anders.”

‘Wie besmet raakt, is eerst een dag of drie, vier op het oog coronavrij. Het verraderlijke is: aanvankelijk merken we daar niets van. Geen keelpijn, koorts, hoest- of niesbuien: het virus zit er gewoon, in steeds grotere hoeveelheid. Het vermenigvuldigt zich exponentieel.’ Beeld Erik Smits
‘Wie besmet raakt, is eerst een dag of drie, vier op het oog coronavrij. Het verraderlijke is: aanvankelijk merken we daar niets van. Geen keelpijn, koorts, hoest- of niesbuien: het virus zit er gewoon, in steeds grotere hoeveelheid. Het vermenigvuldigt zich exponentieel.’Beeld Erik Smits

29 DECEMBER 2020: EEN GEZINSKWESTIE

Een vervelend bijeffect van een coronapatiënt in huis, is de hypochondrie die je bekruipt. Dat kriebeltje in de keel, is dat de eerste voorbode? Voel ik daar nu een opkomende vermoeidheid? En is het hier echt zo koud, of begin ik koorts te krijgen? Al direct hebben we – mijn dochter, zoon en ikzelf – een coronatest aangevraagd. Al een paar keer moest ik niezen, en mijn dochter weet zeker dat ze beginnende keelpijn heeft. En nu is de uitslag binnen. Met lichte verbazing lees ik: negatief, in vetgedrukte letters. Net als mijn dochter. “Negatief!” appt inmiddels ook mijn zoon, vanuit zijn studentenkamer.

Gezinsleden staan er nochtans om bekend dat ze het virus aan elkaar doorgeven. Volgens een studie, die veertig onderzoeken samen neemt, ligt de besmettingskans tussen de 15,4 en de 22,2 procent, met als beste schatting 18,8 procent. Eén op de vijf! Met drie gezinsleden geeft dat een kans van 60 procent dat minstens één van ons besmet zou zijn geraakt. En dan hebben de Keulemansjes ook nog eens zo ongeveer alles gedaan wat de kans op corona verhoogt. “Specifiek gaat het om vijf contactmomenten of meer”, volgens een Amerikaanse analyse. Ook “fysiek contact”, “een voertuig delen”, “een woonkamer delen” en “een maaltijd delen” vergroten de kans op besmetting. Ik vink ze één voor één af.

Vooral ik blijk in de gevarenzone te zitten. Tussen koppels is de kans op overdracht liefst 37,8 procent, lees ik in de meest recente overzichtsstudie. Maar de kans op overdracht binnen huishoudens zonder kinderen is wel een pak groter (41,5 procent!) – wie geen kinderen heeft, kan elkaar nog eens aanraken zonder meteen commentaar van de jeugd te krijgen. Gelukkig werkt één factor in ons voordeel: mijn vriendin had nog geen symptomen. Dat maakt de kans om in het huishouden besmet te raken prompt 26 keer kleiner. De kans dat u door een ‘asymptomatisch’ gezinslid wordt aangestoken, is tot mijn verbazing slechts 0,7 procent, met een maximumkans van 4,9 procent: haast één op de 150!

Even denk ik terug aan de gezinsselfies die we maakten – onze zoon sloeg zelfs even een arm om zijn moeder. Niet aan één, maar aan álle risicoverhogende factoren hebben we ons bezondigd.

30 DECEMBER 2020: NAAR DE WINKEL

De koelkast raakt leeg, de yoghurt is op, en de dochter des huizes klaagt dat er geen rijstwafels meer zijn. Een tijdje heb ik glazig naar een app van een supermarkt gestaard, maar al snel verlies ik mijn geduld. “Ik ga even naar de winkel”, kondig ik achteloos aan. “Doe nou niet! Je bent nog wel Mister Corona!”, protesteert mijn partner vanuit haar isolatiekamer. Maar ik heb mijn beslissing genomen. “Ach, ik ben zo terug.” Terwijl ik het zeg, besef ik dat ik niet de enige ben. Van de mensen met een coronapatiënt in huis, zegt haast de helft (42 procent) zich toch naar buiten te hebben begeven. In de regel is dat omdat ze een prangende reden hebben: de hond moet uitgelaten, men moet naar het werk, je dochter heeft trek in rijstwafels.

Gedwongen thuisblijven terwijl je niets mankeert, het gaat ook wel erg in tegen het gevoel. Ik besluit erover te bellen met hoogleraar infectiepreventie Andreas Voss, de gemoedelijke wetenschapper met het Duitse accent die over de naleving van de coronaregels de legendarische uitspraak deed: “Als je een Nederlander zegt om te springen, vraagt hij: ‘Waarom?’ Stel je de vraag aan een Duitser, dan vraagt hij: ‘Hoe hoog?’” Geduldig legt Voss deze Nederlander nog maar eens uit: wie weet ben je al besmet, en scheid je het virus uit zonder klachten te hebben.

Neuzend door de literatuur kom ik inderdaad gevallen tegen van winkelbesmettingen. In China zocht men kort na het begin van de uitbraak uit waar 377 ziekteclusters waren ontsproten: 297 bij mensen thuis, 39 in restaurants, maar nog altijd 23 in winkels. En de winkeluitbraken zorgden steeds voor relatief veel besmettingen: gemiddeld dertien, veel meer dan in restaurants (vijf) of op de werkplek (zes). De kans is dus klein dát het misgaat, maar áls het misgaat, kunnen de gevolgen groot zijn. Neem een voorval dat afgelopen zomer plaatsvond in een Starbucks in Zuid-Korea. Een bezoeker bleek corona onder de leden te hebben en toevallig extreem veel virus aan te maken: 27 klanten raakten besmet, die op hun beurt nog eens 29 anderen aanstaken. Zo zou mijn bijnaam ‘Mister Corona’ ineens een heel nieuwe betekenis krijgen, besef ik.

31 DECEMBER 2020: DE NIEZENDE KAT

En daar klinkt in de keuken, vanuit het niets, ineens een harde nies. Mijn dochter en ik kijken elkaar verschrikt aan. Dan kijken we naar Louis. Onze vrolijke, jonge kater. Hij schudt wat met zijn snuitje, alsof er nog een nies nadert. “Zou Louis ook corona hebben?”, verwoordt mijn dochter wat we allebei denken. Nu we allemaal gescheiden slapen, is onze onderlinge concurrentie om Louis verscherpt. En een paar avonden geleden won mijn vriendin. Vanuit haar isolatiekamer appt ze triomfantelijk een selfie, met Louis in haar armen. Daar ligt hij dan, uitgestrekt, zijn kopje tegen haar wang gevleid.

Dat huisdieren besmet kunnen raken met het coronavirus, is inmiddels algemeen erkend, vertelt Els Broens van het Veterinair Microbiologisch Diagnostisch Centrum in Utrecht. In Italië testte men bloedmonsters van 603 honden en 316 katten: van de katten droeg 5,8 procent antistoffen tegen het virus, van de honden 3,3 procent. En dat zijn gemiddelden. In gezinnen waarin corona was vastgesteld, liep het aandeel bij honden op tot 14 procent. Eén op de zeven! Gelukkig merken de huisdieren er meestal weinig van. Bij dierproeven blijken vooral jonge katten wel degelijk ziek te kunnen worden, met luchtwegklachten, niezen en maag- en darmproblemen – maar dat is in het lab, na experimentele blootstelling aan extreem veel virus. “Als ik gewone eigenaren spreek, zeggen de meesten: niks vreemds gezien”, vertelt Broens. Maar toch. Al die besmette huisdieren, kan dat geen kwaad voor de mens? Gevallen waarbij een kat of hond het virus overdroeg op het baasje zijn nog niet bekend, weet Broens. “Maar misschien merken we een enkele besmetting die via een huisdier gaat niet op.”

Thuis heeft mijn vrouw zich al helemaal verzoend met het idee dat Louis corona heeft. “Kijk, hij heeft al vermoeidheidsklachten”, zegt ze, als Louis ’s middags languit bij haar op bed ligt te slapen. “Misschien moeten we hem een tijdje in isolatie houden. Bij mij.” Maar Broens wijst op een coronaregel die ik nog niet kende: “Vermijd intensief knuffelen en contact met het dier.” Af en toe een aaitje mag best, maar liederlijk gevrij, zoals mijn vriendin met Louis pleegt te doen, is uit den boze. “Ik zou het zelfs nog iets sterker willen zeggen”, voegt Broens toe. “Ik zou huisdieren onder dezelfde regels scharen als andere huisgenoten. Mijn advies zou ook zijn de kat uit de buurt te houden van personen die positief zijn getest.” Hartelijk bedank ik haar voor de uitleg: “Ik denk dat je zojuist een belangrijk conflict in ons gezin hebt opgelost.”

‘Van de mensen met een coronapatiënt in huis, gaat haast de helft toch naar buiten. In de regel omdat ze een prangende reden hebben: de hond moet uitgelaten, men moet naar het werk, je dochter heeft trek in rijstwafels.’ Beeld Erik Smits
‘Van de mensen met een coronapatiënt in huis, gaat haast de helft toch naar buiten. In de regel omdat ze een prangende reden hebben: de hond moet uitgelaten, men moet naar het werk, je dochter heeft trek in rijstwafels.’Beeld Erik Smits

2 JANUARI 2021: SCHOMMELEN

Een beetje vervelend begint het wel te worden. Voor mij op zolder, maar veel meer nog voor mijn partner, die nu al anderhalve week ziek is. Even leek het wat beter te gaan, maar nu ligt ze alweer in bed, gevloerd. Ik bel met Jako Burgers: is het écht zo dat de ziekte op en neer schommelt? Burgers denkt dat het anders zit: “Je ziet dit met sommige andere ziektes ook. Na een tijdje denken mensen: het gaat wel weer, en dan kom je jezelf tegen. Je lichaam geeft een signaal: wacht even, ik ben nog bezig met het herstel.”

Hoelang covid duurt, verschilt van persoon tot persoon, maar gemiddeldes zijn er wel. Al vrijwel direct als de eerste symptomen zich aandienen, begint de aanmaak van virusdeeltjes (en de besmettelijkheid) scherp te dalen. Na gemiddeld acht dagen houdt de virusaanmaak op. En in de praktijk is na tien dagen de besmettelijkheid echt wel voorbij, bleek uit een Britse studie: het lukt patiënten dan niet meer om een kweekschaaltje met cellen te infecteren. Maar dan ben je nog niet hersteld. Burgers destilleert uit de literatuur en zijn praktijk de vuistregel: ongeveer 90 procent is na drie weken genezen. En van de overblijvers is nog eens 90 procent na drie maanden genezen. Waarbij het lastig is dat de ziekte niet op slag verdwijnt, maar uitdooft, als een donderslag die nog lang narommelt in de verte. En ja, er zijn er ook bij wie die donderslag wel heel hardnekkig nagalmt. Dat is het geval bij ongeveer één op de honderd. “Deze mensen klagen vooral over enorme vermoeidheid na beperkte inspanning”, vertelt Burgers. “En over cognitieve klachten: geheugenstoornissen, concentratiegebrek, een mist in het hoofd. Dat gevoel van: wat is er met mijn hersenen gebeurd?”

Het is te vroeg om al te kunnen zeggen of dat specifiek is voor corona, want zo’n ongelukkige, lange nasleep zien artsen na diverse andere infecties ook. “We denken dat je, als je er vroeg bij bent, veel van de nasleep kunt voorkomen”, zegt Burgers. Daarbij ligt de nadruk op begeleiding en ondersteuning: gezond eten, voldoende rust, maar ook genoeg bewegen, eventueel met logopedie, fysio- of ergotherapie om weer iets van het verloren terrein te herwinnen. En dan? “Ik zeg altijd: kijk niet op de dag, maar op de week. Kijk een week terug, of een maand, en probeer te zien hoe je bent verbeterd. Die lijn kun je dan voorzichtig doortrekken. En eigenlijk kun je pas na een jaar goed voorspellen hoe het verder gaat.”

4 JANUARI 2021: BRANDENDE NEUZEN

Daar zijn we weer, mijn dochter en ik in de teststraat. Wie had ooit gedacht dat de PCR-test, normaal bestemd voor ziekenhuispatiënten, tegenwoordig op straat wordt afgenomen? Want verfijnd is hij: de test zoekt naar de genetische vingerafdruk van het virus, ongeveer zoals je na een misdrijf de genetische code van de dader chemisch uitvergroot uit een onbeduidend druppeltje speeksel. Zeer betrouwbaar, dus. Hooguit komt het soms voor dat men het virus níét vindt terwijl je het wel hebt, zoals het op de plaats delict soms ook niet lukt om het DNA van de dader aan te tonen. Dat komt dan meestal doordat het wattenstaafje niet diep genoeg uw neus in is gegaan, of toevallig net een plekje heeft beroerd waar geen virus zit.

Niettemin is er nu al enkele maanden gerommel rond de test. Een groep dwarse wetenschappers – stuk voor stuk onderzoekers met ergens in hun loopbaan wel iets raars, zoals flirten met rare diëten tegen kanker, of beweren dat God de evolutie stuurt – eist dat de wetenschappelijke publicatie die ten grondslag ligt aan de PCR-test wordt geschrapt. “Er is niks aan de hand. De test meet iets, maar we weten niet wat”, zegt de hoofdopstandeling, een moleculair bioloog genaamd Pieter Borger, in een YouTube-filmpje. “De bedden kunnen net zo goed vol met grieppatiënten liggen.” Als tiener was ik gek op dit soort tegendraadse ideeën. Dat er heel lang geleden misschien wel een buitenaardse beschaving is geweest die de reusachtige Nazcalijnen in de woestijn van Peru heeft getekend! Dat er diep verscholen in Loch Ness voorhistorische plesiosaurussen leven!

Totdat je wat dieper in de zaak duikt en ontdekt dat de werkelijkheid wat aardser, maar eigenlijk minstens zo interessant is: ongelooflijk hoeveel moeite men in Peru deed om in contact met de goden te komen; prachtig hoe vurig mensen overal ter wereld zeemonsters hopen te zien in de rimpelingen van hun meren. Zo’n saaie, aardse verklaring is hier natuurlijk ook. Inderdaad waren de eerste PCR-tests afgesteld op een ánder virus: het SARS-virus van 2002-2003. Dat was handig, omdat men in Europa nog geen exemplaren van het nieuwe virus had, maar nog wel van het nauw verwante, eerdere virus. Alleen wil dat niet zeggen dat de wattenstaafjestests elk keelvirus uitroepen tot corona. Bij verkoudheidscoronavirussen, griepvirussen en andere luchtwegvirussen slaat de test negatief uit, blijkt uit controle-experimenten.

Wat de dwarsliggers vooral zoeken, is een makkelijke uitweg uit de crisis. Een manier om te kunnen zeggen: we zien het he-le-maal verkeerd, er is helemaal geen pandemie, het is de seizoensgriep maar, dus houd op met al die maatregelen. Was het maar zo simpel, denk ik terwijl we de teststraat uitwandelen, de neuzen nog nabrandend van het staafje.

5 JANUARI 2021: EEN WOLKJE VIRUS

Af en toe kan het coronavirus een mens voor raadsels stellen. Neem het geval van T., de studerende zoon van vrienden van ons. In weken tijd had T. zijn ouderlijke huis maar één keer verlaten, om een identiteitsbewijs aan te vragen in het stadhuis. Hij had een mondkapje op en hield keurig afstand. Maar na een paar dagen: ja hoor, corona. Terwijl zijn ouders en broer virusvrij bleken. Rara, waar heeft T. het virus opgelopen?

Zelfs met de beste contactonderzoeken lukt het niet om van alle besmettingen de herkomst te achterhalen. In Nieuw-Zeeland dacht men het virus kwijt te zijn: doken er opeens nieuwe besmettingen op, niemand wist waarvandaan. Ook in China blijkt het virus nog als een veenbrand te smeulen. Onlangs meldde het land elf nieuwe besmettingen, verspreid over vijf plekken in het noorden. Vaak hebben onverklaarde besmettingen een aardse oorzaak. U bent aangestoken door iemand die zelf niets in de gaten heeft. Uw geheugen laat u in de steek. Of de geïnfecteerde liegt tegen de contacttracers, omdat hij naar een illegaal feest was, een quarantainevoorschrift heeft geschonden of er een geheime liefde op nahoudt. Of er komen uit het brononderzoek simpelweg meerdere mogelijkheden naar voren. Ook dan wordt het vakje ‘herkomst onbekend’ aangekruist.

En student T.? Het is nog altijd denkbaar dat het toch in het gemeentehuis is gebeurd, of op weg erheen, via vluchtig contact op straat of aan een balie. Want naarmate een virus meer rondgaat, is er ook meer ‘gemeenschapsoverdracht’, zoals dat heet. Er lopen dan zo veel geïnfecteerden rond, dat allerlei kleine kansjes dat we het virus in het voorbijgaan oppikken, zich vertalen naar steeds meer echte besmettingen.

Neem een cluster van veertien besmettingen in Peking die met Chinese grondigheid werd uitgezocht. Elf keer was het virus overgesprongen bij nauw contact tussen collega’s of familieleden. Maar het virus bleek ook drie keer te zijn overgegaan bij vluchtig contact in de winkel, tussen verkoper en klant. Als ik moest gokken, denk ik dat zoiets met student T. is gebeurd. Een kuchende passant, iemand naast je bij het stoplicht, een wolkje virus dat is blijven hangen in het pasfotohokje.

7 JANUARI 2021: TWÉÉ KEER CORONA

Ik loop in de keuken langs mijn partner, als ik even een kriebeltje wegkuch. Het ontsnapt me, ik ben te laat om nog in mijn elleboog te kuchen. Mijn vriendin kijkt me ontzet aan. Waarom? Ze is toch net ziek geweest? “Jij hoeft je nu geen zorgen meer te maken”, zeg ik. “Ik ben eigenlijk wel een beetje jaloers.” Wie ziek is geweest, is acht weken tegen het virus ‘beschermd’, zo heeft de Gemeentelijke Gezondheidsdienst plechtig aan mijn partner meegedeeld. Dat is dus twee maanden onbezorgd feesten, knuffelen en zingen, zou je zeggen. Maar de biologie kent weinig algemene wetmatigheden. De één is langer beschermd dan de ander. Een enkeling is na een infectie zelfs helemaal niet goed beschermd. En ‘bescherming’ is relatief: wie weet kun je het virus nog steeds doorgeven, zonder er zelf ziek van te worden.

Duidelijk is inmiddels dat wie de ziekte eenmaal heeft gehad, in de regel immuniteit tegen het virus opbouwt. Bij een steekproef onder 6.500 Nederlanders die corona hadden gehad, bleek 90 procent na een halfjaar nog antistoffen in het bloed te hebben. En in Engeland volgde men duizend herstelde zorgmedewerkers: slechts drie raakten opnieuw geïnfecteerd, alle drie zonder echt ziek te worden. Maar er speelt een ander verhaal: dat van mensen die toch weer ziek worden. Het inmiddels klassieke geval is dat van een Hongkonger die een halfjaar nadat hij corona kreeg naar Europa reisde en daar weer het coronavirus opliep, ditmaal met een andere genetisch vingerafdruk.

We kunnen corona twee keer krijgen! Grappig wat er gebeurde toen ik, enigszins ontzet, erover belde met immunoloog Marjolein van Egmond (Amsterdam UMC). Kom, relativeerde de professor, wat hier gebeurde was volstrekt normaal. De Hongkonger was de tweede keer niet ziek geworden, het virus was bij hem ontdekt doordat hij een routinecontrole had ondergaan. En dat betekent dat zijn afweer precies deed wat je ervan mag verwachten: in actie komen tegen het virus, en het lichaam beschermen. Maar er zijn ook gevallen van mensen die soms al na acht weken opnieuw ziek worden, en uit Gelderland is zelfs het geval bekend van een vrouw die de tweede keer overleed. Maar dat zijn de uitzonderingen – de overleden vrouw was al ziek, en hoogbejaard. Wie gezond is maar toch een tweede keer besmet raakt, wordt die tweede keer doorgaans beduidend minder ernstig ziek.

Om door al dat gerommel een dikke streep te trekken, is vaccinatie ook voor mensen die corona hebben gehad, nuttig, vertelt vaccinoloog Cécile van Els. Immuniteit opdoen door de infectie te beleven, is toch een beetje gedoe, niet in de laatste plaats omdat virusdeeltjes allerlei chemische stoorsignalen afgeven om de afweer te dwarsbomen. “Je bouwt je immuniteit dan niet op onder optimale omstandigheden”, zegt Van Els. “Met vaccinatie kun je dat omzeilen. Je geeft dan heel afgepast de antigenen die het immuunsysteem nodig heeft om het virus te herkennen, maar zonder de stoorzenders.”

Voorlopig heeft mijn vriendin een wapenstilstand met het virus. “Het virus is er nog”, zegt ze. “En nu ik zelf besmettelijk ben geweest, en iedereen bang voor me was, voel ik alles juist dubbel. Je voelt je nog steeds één groot besmet gebied.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234