Maandag 23/05/2022

Verschoning

Als er ��n boekenpersonage is dat mijn leven bepaalde, dan wel de Rode Ridder

In iedere man is een jongetje gestorven, dus ook in mij. Toen boeken voor hem nog uit dode letters bestonden, was dat jongetje verzot op dieren, vooral op paarden.

Zijn lievelingspaard heette Jago, zoals dat van zijn naamgenoot, Johan de Rode Ridder. Jago stond hem elke dag trouw op te wachten aan de schoolpoort. Hij gaf het dan de sporen en snelde naar huis, in de hoop er vóór zijn broer aan te komen en als eerste de strips in de krant te kunnen lezen. Meestal was zijn broer hem echter voor, die was ouder, kon harder rennen en had ook geen ingebeeld paard te beteugelen. Soms, op bevel natuurlijk, steigerde het, terwijl het jongetje zijn slagzwaard trok om een of andere draak te doden, onderwijl uit roepend: "Bij Sint-Joris!"

Het lezen begon dus bij 'De Rode Ridder', het stripverhaal van Studio Vandersteen - als kind dacht ik een tijdje dat Studio een broer van Willy was. In die tijd, de jaren zestig, verkondigden bezorgde pedagogen nog dat stripverhalen lezen nadelig zou zijn voor de lectuur van échte boeken. In mijn geval klopte dat allerminst: wat boeken betrof, was mijn kinderhart onverzadigbaar. Wel herinner ik me dat ik een tijdlang de huisgenoten toesprak in ridderlijke stripballonnentaal: "Duizendmaal verschoning, edele vrouwe, mijn leven behoort u toe".

De titels van de eerste 'Rode Ridder'-strips klinken nog steeds als poëzie in de oren: De draak van Moerdal, Het veenspook, De parel van Bagdad, Het wapen van Rihei, De hoorn van Horak, De galmende kinkhoorns. Geef toe, het is een ander niveau dan De snorrende snor of De jacht op een voetbal.

Als ik de strips nu nog eens inkijk - op familiefeesten durf ik me weleens af te zonderen nadat ik mijn gameboyende neefje enkele boekjes heb afgetroggeld - valt me op hoe inventief die eerste verhalen waren. De oorspronkelijke uitgaven werden tot in de jaren tachtig ongecorrigeerd herdrukt, met archaïsche taalgebruik en dt-fouten, waar ik als kind overigens niet op lette. Ook ging het me nauwelijks om de tekeningen, maar om de avonturen van de onverschrokken held, dolend door het land "op zoek naar een gelegenheid om zijn zwaard in dienst van het recht te stellen", zoals er stond bij het eerste plaatje van het eerste verhaal, Het gebroken zwaard.

Als er één boekenpersonage is dat ooit mijn leven bepaalde, dan wel Johan de Rode Ridder. Altijd nam hij het op voor weerloze jonkvrouwen en onderdrukte horigen, altijd weer bond hij de strijd aan met schurken en rabauwen. De ridder van de rechtvaardigheid.

Ik las het stripverhaal dus eerst in de krant. Een tienjarig jongetje was ik toen, in het verhaal De laatste droom, het plaatje verscheen waarop koning Arthur na een verraderlijk tweegevecht kwam te sterven. Ik probeerde mijn tranen te verbergen, want ridders en schildknapen huilen niet, maar moeders kunnen dwars door de krant heen kijken.

Pas later liep het grondig mis met Johan, de Rode Ridder. Dat kwam door de vrouwen natuurlijk. Het begon met frêle maar strijdlustige amazones in De hamer van Thor, en vanaf dan doken er album na album steeds weeldiger boezems en vollere blote dijen op, wat vreemd genoeg gepaard ging met een overdaad aan feeërieke en duistere krachten. De onkreukbare Rode Ridder bleef niet ongevoelig voor dat vrouwelijk schoon, speciaal voor Galaxa, de fee van het licht. Ook mij, intussen een twaalfjarige, deed het iets. Tot dan had ik wat het andere geslacht betrof alleen maar ervaring met 'Claudia's' en 'Olijke tweelingen', sullige bibliotheekboeken van mijn zus die ik las in het geniep, want koene ridders lezen natuurlijk geen malle meisjesboeken.

Een nieuwe tijd brak aan, en ergens in het midden van die jaren zeventig stond dat jongetje op een trapladdertje in de toen al oudmodische boekhandel Roeland, om van een schap bovenaan, bij de K van Koolhaas, behoedzaam een boek te nemen. De strenge boekverkoopster keek van boven haar leesbrilletje goeddunkend toe. Later zou ze aan de moeder van het jongetje zeggen dat hij zo respectvol met boeken omging.

Nog later ging die mevrouw dood en met haar verdween ook het boekenpaleis. De winkel werd overgenomen door een boekwinkelketen, de hoge, met boeken volgestouwde houten rekken werden vervangen door plexi- of plastic toonbanken, waar alleen nog bestsellers een plaatsje krijgen. Van een schrijver als Anton Koolhaas is er geen boek meer voorradig. Een kippige verkoopster moet zijn naam gespeld krijgen vooraleer ze op een computerscherm kan kijken of er van hem nog iets leverbaar is. Ondertussen klinkt er muzak.

In 1976 kostte Vanwege een tere huid 170 frank, het was het eerste boek voor volwassenen dat ik kocht met eigen centen. De roman over een ontluikende liefde tussen een twaalfjarige jongen en het meisje Takkie was toen mijn absolute lievelingsboek. Ik had het sinds mijn schooltijd niet meer ingekeken tot ik het enkele jaren geleden herlas, om er een krantenstukje over te schrijven. Dat viel niet echt mee, al werd ik wel meteen opnieuw ontroerd door de eerste zin: "Alle ramen van het huis van de eerste geliefde hebben de eigenschap dat zij zelf er onverhoeds voor kan verschijnen."

En door de waarheid op het einde van het boek: "In iedere vrouw is een meisje gestorven en in iedere man een jongetje."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234