Woensdag 19/01/2022

Verliefd op de traditie

Santiago de Cuba, bastion van de trova

Sinds het succes van het gepensioneerdenkransje Buena Vista Social Club kan de Cubaanse son op almaar meer waardering rekenen. Maar hoewel de Europese luisteraar er doorgaans beelden van Havana bij droomt, liggen de wortels van dit smeltkroesgenre eigenlijk in de Oriente, in de groene valleien aan de voet van de Sierra Maestra en in de bars en bordelen van Santiago. Deze stad, met haar steile straatjes en koloniale gebouwen, is het bastion van de trova, het traditionele Cubaanse lied.

Dirk Steenhaut

Wie het twee uur durende traject van Holguín naar Santiago per auto wil afleggen, kan maar beter schokbestendig zijn. Het asfalt is bezaaid met kleine kraters en de weg is zo smal dat je iedere tegenligger meteen als een bedreiging ervaart. De huizen, klein en volgekalkt met prorevolutionaire slogans, staan er wat verwaarloosd bij en zelfs in de vooravond voel je hoe je huid zich opspant onder de schroeiende zon. Toch ogen de heuvelruggen, begroeid met palmbomen en suikerriet, verrassend aantrekkelijk en vruchtbaar. Dit land is niet arm, het heeft alleen een paar goede vrienden nodig.

Santiago, in de vroege zestiende eeuw opgericht door de Spaanse ontdekkingsreiziger Diego Velásquez, mag dan de eerste hoofdstad van het eiland zijn geweest; vandaag heeft ze, zelfs met 400.000 inwoners van gemengde etnische origine, iets uitgesproken provincialistisch. Het leven verloopt er trager dan in Havana en door de bootverbindingen met Jamaïca en Haïti is het wellicht de meest Caraïbische plek in Cuba. Uit ieder raam, uit iedere deuropening komt de muziek je tegemoet gewaaid. Net als in New Orleans lijkt het wel alsof iedere inwoner van Santiago zingt of een instrument bespeelt. Hier en in de bergen die de stad omringen, voltrok zich omstreeks 1880 de fusie van Afrikaanse en Spaanse muziektradities, waaruit gaandeweg de son zou ontstaan.

Het genre koppelt de vraag- en antwoordzang en de polyritmiek, geconserveerd door de zwarte slavengemeenschappen, aan de melodieën en gitaarmotiefjes van de uit Andalusië en de Canarische eilanden ingeweken blanke boeren. Ook de komst van Franssprekende Haïtiaanse vluchtelingen drukte haar stempel op de ontwikkeling van de son, die vervolgens door rondtrekkende soldaten over het hele eiland zou worden verspreid en in de jaren twintig van de vorige eeuw Havana veroverde. De voornaamste instrumenten in de son zijn de tres, een kleine gitaar die met drie dubbele rijen metalen snaren is bespannen, en percussietuigen zoals bongos, claves, maracas en de güiro. Tegenwoordig gebruiken de meeste groepen echter ook een trompet en een contrabas.

Dé pleisterplaats voor muzikanten en muziekliefhebbers, althans sinds de Cubaanse revolutie, is de Casa de la Trova in de Calle Heredia, een gemeenschapscentrum op enkele stappen van de kathedraal, waar artiesten van uiteenlopende leeftijden dagelijks vanaf het middaguur hun kunsten vertonen. Trovadores, enkel in het gezelschap van hun gitaar, of meerkoppige conjuntos spelen er onversterkt op een laag podium voor de buurtbewoners, die, gezeten op harde houten banken, aanmoedigingen schreeuwen en de liederen uit volle borst meezingen. Voor Cubanen is de toegang gratis; buitenlanders worden geacht bij ieder bezoek één Amerikaanse dollar te betalen.

In een belendende ruimte bevindt zich een kleine bar, waar de beste mojito (een cocktail van witte rum, vers limoensap, rietsuiker, muntblaadjes en ijs) van de stad wordt geschonken. De witgekalkte muren zijn versierd met foto's en schilderijen van de zangers en muzikanten die de trova (letterlijk: het lied) groot hebben gemaakt. Rechts naast de toonbank herken ik een portret van Compay Segundo. Aan een van de ronde tafeltjes zit een levensgrote sculptuur die een gitaarspelende zwarte man voorstelt. Tussen de andere aanwezigen valt ze nauwelijks op. Eliades Ochoa, de zanger en meestergitarist die we kennen van Buena Vista Social Club en Cuarteto Patria, Reinaldo Creagh van La Vieja Trova Santiaguera en Alejandro Almenares van Los Guanches - allemaal zijn ze hier kind aan huis. Ze hebben hier vaak gespeeld en er staat altijd een fles Ron Mulata voor hen klaar.

"In de jaren zestig baatte een man die Vergillio heette hier in Santiago een eethuisje uit, waar aan een glazen toonbank geroosterde vis werd verkocht", vertelt Ochoa. "Het was een plaats waar trovadores samenkwamen voor een babbel, een glas en een hap. In de loop van de avond werden gewoonlijk de gitaren van de muur gehaald en ontstonden er spontane improvisaties op traditionele liederen. Dat was het begin van de Casa de la Trova. Nu vind je er een in vrijwel iedere stad. Je hoeft trouwens niet beroemd te zijn om hier te mogen spelen: het podium staat open voor iedereen die de moeite heeft genomen zich vooraf in te schrijven. Je wordt voor je optreden niet betaald, maar als je iets te bieden hebt en je bent op zoek naar een publiek, dan is dit de uitgelezen plek."

Er wordt weleens beweerd dat er een grote rivaliteit bestaat tussen de soneros uit Havana en Santiago, maar Ochoa haast zich om dat gerucht te relativeren. "In het oosten van Cuba spelen we de son gewoon met meer pit. We doen er wat meer kruiden op", lacht hij. "Zeventig procent van de muzikanten die in de hoofdstad actief zijn, komen eigenlijk uit de Oriente, dus die kennen het klappen van de zweep."

Het straatbeeld van Santiago wordt beheerst door opgelapte Amerikaanse sleeën uit de jaren vijftig, motorfietsen met zijspan en vrachtwagens waarvan de laadbak is volgestouwd met rechtopstaande passagiers. Telkens als de 'bus' een bocht neemt of een helling afrijdt, worden de inzittenden onzacht door elkaar geschud. Maar zo gaat het nu eenmaal in een land dat door benzineschaarste wordt geplaagd. Een gevolg hiervan is wel dat oudere mensen, die zulke veeleisende reisformules lichamelijk niet meer aankunnen, nauwelijks meer hun huis uit komen. Fietstaxi's en paardenbussen houden weliswaar minder risico's op kneuzingen in, maar zijn enkel bruikbaar voor korte afstanden. Transport is in Santiago een prangend probleem: onze eerste afspraak met de zingende zusjes Ferrin valt om die reden zelfs in het water.

Eliades Ochoa, die net jarig is geweest, neemt ons mee naar een paladar: een onopvallend huis waarvan de bewoners een privé-restaurant uitbaten. De regering tolereert deze vormen van klein ondernemerschap, op voorwaarde dat er niet meer dan twaalf cliënten tegelijk aan tafel zitten en de eigenaars jaarlijks een fikse belasting ophoesten. Je eet er lekkerder en gevarieerder dan in officiële restaurants, waar de bediening vaak traag en onvriendelijk is, maar zoals vrijwel overal in Cuba zijn de lokale pesos ongewenst. Alleen wie dollars heeft krijgt eten op zijn bord.

In het hart van de stad, recht tegenover het Parque Céspedes, waar Fidel Castro op 1 januari 1959 op het balkon van het stadhuis verscheen om het welslagen van de revolutie af te kondigen, ligt het statige Casa Granda-hotel. Ooit schreef Graham Greene er enkele hoofdstukken van Our Man in Havana; vandaag worden rijke toeristen, die op het dakterras van een piña colada komen genieten, er verstrooid door Los Guanches, een van de weinige son-groepen uit Santiago wier repertoire niet uit traditionals bestaat. De leden zijn nog vrij jong, hebben gestudeerd en schrijven zelf hun liedjes, zij het dan wel in de oude stijl. Ze hebben al enkele cd's gemaakt en wisten onlangs een contract te versieren met multinational Virgin, die hun volgende ook in Europa zal uitbrengen. De teksten van Los Guanches zitten vol grapjes en dubbele bodems. In een van hun liedjes, 'La mamaracha', vraagt de zanger zich in al zijn naïviteit af waarom zijn arme buurvrouw 's nachts altijd zo schreeuwt. In een ander nummer vraagt de ene muis aan de andere: 'Waarom trek je niet bij me in? Het is heel veilig: de bewoners hebben alle katten opgegeten!' Het is een subtiele kritiek op het Castroregime, want zoals bekend heeft de doorsnee Cubaan het, zeker sinds de val van het Eurocommunisme, niet erg breed.

Los Guanches bewijzen dat er in het oosten ook jongeren zijn die de son-toorts brandend houden, maar met Alejandro Almenares hebben ze dan ook een oude rot in hun midden. Deze rondbuikige, goedlachse vijftiger, eerder al te zien in Cuba Felíz, de muzikale roadmovie van Karim Dridi, behoort tot de meest gereputeerde muzikanten van de Oriente. Hij is onder meer een virtuoos op de requinto, een instrument dat tot de gitaarfamilie behoort en vijf dubbele rijen snaren heeft.

Dat zoveel muzikanten blijven zweren bij de música tradicional cubana is een logisch gevolg van de revolutionaire regeringspolitiek. Sinds hun beroep in de vroege jaren zestig officieel werd erkend, krijgen muzikanten als staatsambtenaren een maandelijks salaris uitbetaald. Maar als gevolg van de vijandige houding van de Verenigde Staten, waardoor Cuba economisch geïsoleerd raakte, besloot het Castroregime buitenlandse culturele invloeden zoveel mogelijk te bannen, zodat Cubaanse muzikanten zich wel verplicht zagen zich op hun eigen tradities te concentreren. Voor een volk dat systematisch van luxe en informatie verstoken blijft, is traditionele muziek dus een voorwerp van nationale trots. In de Oriente kent men niets anders en wíl men ook niets anders kennen. De son is niet alleen een symbool van standvastigheid in een samenleving waar vrijwel alles onzeker is geworden, het is ook een van de weinige dingen waar Cubanen nog een eigen culturele identiteit uit kunnen putten.

"Ik ben erg benieuwd naar wat er zal gebeuren als Cuba zijn deuren openzet en jonge muzikanten geconfronteerd worden met wat er elders in de wereld gebeurt", zegt Fernando Martínez, die zich als product manager bij de Spaanse vestiging van Virgin over het Cubaanse repertoire buigt. "Want op Ricky Martin en de populaire Puertoricaan Elvis Crespo na, hoor je hier nooit uitheemse muziek."

Op vijf minuten lopen van hotel Casa Granda liggen de Siboney Estudios, het plaatselijke hoofdkwartier van het staatslabel EGREM (Empresa de Grabaciones Y Ediciones Musicales). De opnamefaciliteiten zijn ondergebracht in een door de regering geconfisqueerd kerkgebouw en omvatten een 24-sporenmachine en een grote, met hout afgewerkte ruimte waar een vleugelpiano en talloze percussie-instrumenten werkloos staan te wachten op het eerstvolgende ensemble dat hier een plaat komt maken. In de controlekamer hangen twee geluidstechnici, staatsambtenaren uiteraard, zomaar wat rond. Vandaag hebben ze niets om handen, dus halen ze een mastertape van het legendarische Orquesta Gigante de Chepín uit het archief. "Hier ingeblikt", vertelt een van hen trots.

Omdat de studio dezer dagen twintig jaar bestaat, zijn we, samen met het kruim van de plaatselijke muzikanten, uitgenodigd op een feestje met creools buffet, dat plaatsvindt op de binnenplaats van het EGREM-gebouw. Uit de luidprekers schalt muziek van de pas overleden son-legende Nico Saquito. Eliades Ochoa, die op de cd aan de zijde van zijn grote leermeester te horen is, mag als eregast het gebraden speenvarkentje aansnijden. En zoals altijd en overal in Cuba, wordt alles rijkelijk met rum besprenkeld.

Vanop zijn stoel in de schaduw van een palmboom kijkt Aristoteles Raimundo Limonta, de zevenentachtigjarige contrabassist van La Vieja Trova Santiaguera, hoofdschuddend naar het feestgewoel. Zijn respectabele leeftijd maakt hem veeleer tot observator dan deelnemer, maar ook al dut hij regelmatig in, zijn lichaamstaal verraadt dat hij deze samenkomst met zijn collega's voor geen goud had willen missen.

Een andere veteraan, die er een vermoeiende reis van Holguín naar Santiago voor overhad om morgen met Eliades Ochoa op het podium staan, is de negenentachtigjarige Faustino Oramas. De man, die ook bekendstaat als El Guayabero, is zo slecht ter been dat hij aan beide zijden dient te worden ondersteund, maar tres spelen doet hij nog altijd als de beste. Oramas is gereputeerd om zijn ondeugende, vaak aangebrande sones en guarachas, zoals 'Candela', 'Mañana Me Voy' en 'Como Baila Marieta', die tegenwoordig op het repertoire prijken van Buena Vista Social Club, Cuarteto Patria, La Vieja Trova en Ibrahím Ferrer. De zanger heeft de naam een onverbeterlijke vrouwenloper te zijn, iets waar hij zelfs in de herfst van zijn leven nog graag mee uitpakt.

Als hij, op gitaar begeleid door Ochoa, met rauwe stem 'Por Culpo de las Mujeres' inzet, terwijl de diva's Esperanza en Mercedes Ferrin hem met hun waaier enige koelte toewuiven, krijg je het gevoel getuige te zijn van een heel bijzondere gebeurtenis. Vergelijk het met John Lee Hooker die in je bloedeigen achtertuin 'Boogie Chillun' ten gehore zou komen brengen.

Ik raak aan de praat met Pjotr, een Poolse cineast die al zeventien jaar in New York woont, maar naar Santiago is gekomen om beelden te schieten voor Ochoa's nieuwe videoclip. Daarbij wil hij clichés over de zogenaamd achtergestelde Cubanen vermijden. "Veel liever leg ik de nadruk op de fierheid en het overlevingsinstinct van dit volk", zegt hij. Een goed idee, want een gemiddeld maandloon in Cuba bedraagt momenteel zo'n 200 à 240 pesos (10 à 12 Amerikaanse dollar) en behalve wat elementaire voedingsmiddelen kun je er weinig mee kopen. In dit land draait momenteel alles om harde deviezen en dat leidt, zeker voor buitenlanders, soms tot onbehaaglijke situaties. Als je, bij wijze van souvenir, een handvol Cubaanse cd's mee naar huis wil nemen, stel je bij het afrekenen vast dat je er net zowat het volledige jaarloon van de winkeljuffrouw hebt doorgejaagd. Cd's kosten gemiddeld 15 dollar per stuk en worden dus uitsluitend aan toeristen verkocht. Cubanen moeten zich tevredenstellen met tientallen keren gekopieerde cassettes.

Alex Van Looy, een Belg die in opdracht van Virgin Spain in Santiago als talent scout werkt, stelt ons voor aan Pepecito Reyes, een vierentachtigjarige pianist die in Cuba ooit bekendstond als de koning van de instrumentale danzón, maar ten gevolge van zijn turbulente liefdesleven in de obscuriteit verzeild is geraakt. Reyes is een kleurrijke figuur: hij heeft veertien zonen verwekt bij zeven vrouwen en leeft momenteel teruggetrokken op het platteland met een 'groen blaadje' van zesentwintig.

In 1935, hij was toen negentien, kwam hij terecht bij het orkest van Joseíto Fernández, de auteur van het wereldbekende 'Guajira Guantanamera'. Reyes arrangeerde het lied en speelde piano op de allereerste opname ervan. Later kwam hij bij de band van de blinde tres-speler Arsenio Rodríguez terecht en ontdekte hij de toekomstige koningin van de salsa, Celia Cruz. Door zijn onverzadigbaar libido werkte hij zich echter vaak in nesten: tot driemaal toe zag hij zich genoodzaakt Cuba te ontvluchten en zo belandde hij tijdens de jaren vijftig in New York, waar hij bevriend raakte met Duke Ellington, Nat King Cole en Cab Calloway. Toen de jaloerse echtgenoot van de dame met wie hij een affaire had zich op hem wilde wreken, keerde hij halsoverkop terug naar zijn land, waar hij gestrand raakte door de revolutie. "Net toen iedereen uit Cuba wegging, keerde ik terug", grijnst hij. In twee weken tijd vergokte Reyes zijn hele fortuin in de casino's van Havana en uiteindelijk kwam hij, weer door toedoen van een vrouw, in de Oriente terecht, waar zijn carrière langzaam uitdoofde. Maar de man blijft er filosofisch bij: "Mijn avonturen hebben me toch tot een paar mooie bolero's geïnspireerd, haha."

Een dag later zien we de minzame man met de onafscheidelijke deukhoed aan het werk met de groep Estrellas de la Charanga, tijdens het Siboneyfestival in het Parque Céspedes, en ondanks zijn leeftijd blijkt Pepecito Reyes nog steeds geen jicht in de vingers te hebben. Virgin, zwaar onder de indruk van zijn prestaties op het klavier en er rotsvast van overtuigd dat dit een artiest is die Ruben 'Buena Vista' González naar de kroon zou kunnen steken, wil met hem zo gauw mogelijk een plaat opnemen. Alleen raken Reyes en zijn nieuwe broodheren het niet eens over het soort cd dat hij moet gaan maken. Alex Van Looy wil hem koppelen aan een paar 'speciale gasten'; de pianist houdt koppig vast aan zijn eigen identiteit, staat erop de studio in te gaan met zijn charanga-orkest, dat ietwat kitscherige, sentimentele muziek maakt met fluiten en violen, en wil van geen vernieuwing weten.

De discussie is nog altijd niet afgesloten, maar Pepecito Reyes heeft een goed argument: "Cubaanse rum wordt al sinds mensenheugenis op dezelfde traditionele manier gedistilleerd. Wie een beetje bij zijn verstand is, verandert daar toch ook niets aan?"

Buena Vista Social Club, met Ibrahím Ferrer, Omara Portuondo en Ruben González, is op donderdag 24 mei te zien in Vorst-Nationaal. Dit concert is uitverkocht.

'Dat zoveel muzikanten blijven zweren bij de música tradicional cubana is een logisch gevolg van de revolutionaire regeringspolitiek'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234