Zondag 26/09/2021

‘Verklaren kan ik het niet, maar de mensen zijn warm en gastvrij’

Aan de telefoon, bij de afspraak voor dit gesprek, klinkt bescheidenheid, die hij herhaalt als hij in de gangen van Woestijnvis een koffie tapt: “Ik heb zulke interviews eigenlijk nog nooit gedaan, en ik weet helemaal niet of ik wel voldoende te vertellen heb.” Oprecht, aarzelend. Van een grote mond of ego moet niemand Arnout Hauben beschuldigen. Fijne man, open ogen, vriendelijke jongen, aan wie je zelf zo je verhaal zou vertellen. Dat knopje dus. Hij las de woorden die Marc Didden vorige week in De Morgen schreef, als bijgedachte bij de Nacht van de Televisiesterren: “... Sneu dat er geen speciale prijs was uitgevonden voor Arnout Hauben en zijn Weg naar Compostela, al was het maar als ‘beste tv-programmaonderdeel dat gaat over Arnout Haubens die van Brussel te voet naar Compostela wandelen’”. Al eerder schreef Didden dit: “Bij een laatste berekening kon ik zo’n 615 verschillende zenders ontvangen op mijn tv-toestel, maar neem het van mij aan: nergens anders dan op Eén is er iets te zien met de kracht en de zuiverheid en de authenticiteit van deze Weg naar Compostela.”

Marc Didden! “Daar ben ik wel trots op”, knikt Arnout. “Op Sint-Lukas heb ik in het eerste jaar wat les ‘fictie’ gevolgd in zijn atelier, maar dat zal hij zich niet meer herinneren. Zelf had ik al snel door dat ik niet geboren was om fictie te maken. Ik wilde reportages en documentaires maken, andere mensen observeren. Dat heb ik altijd al gedaan. Maar op deze reeks komt het meest reactie. Dat is nieuw voor me. Dat komt misschien omdat ik voor het eerst zelf deel uitmaak van het verhaal, al ben ik op straat in Brussel nog nooit herkend. De enige keer dat me dat wel gebeurd is, was onderweg aan het Lac du Der, waar die vogels massaal opstijgen. Daar heeft een koppel Vlamingen me aangesproken.

“Eigenlijk is het heel kleinschalige televisie. Wat je heel vaak ziet op tv, is dat een reporter met een vooropgesteld plan een verhaal gaat maken dat hij bevestigd wil zien of waarmee hij iets aan de kaak wil stellen. Voor Weg naar Compostela heb ik het uniform van reporter naast mij neergelegd. Het plan was om in honderd stapdagen daar te raken, en ik engageerde me om die honderd dagen allemaal zelf te wandelen. Elke kilometer. Weliswaar niet in één ruk, dat heb ik nooit beloofd, maar in grote etappes van telkens tien à vijftien dagen. Er is altijd een bestelwagen met iemand van Woestijnvis in de buurt, dat wel, maar zelfs om een slaapplaats te zoeken heb ik daar nog geen meter in gezeten.”

Eenzaamheid

Wie nu dinsdag naar Man bijt hond kijkt, zal Hauben vanuit het Zuid-Franse Saint-Jean-Pied-de-Port de grens naar Roncesvalles in Spanje zien oversteken. Dit gesprek mag dan wel in Brussel plaatsvinden, pelgrimArnout Hauben moet nog één keer terug voor de laatste zes dagen van zijn tocht. Zo stelt hij zichzelf elke keer voor: ‘Bonjour, je suis un pèlerin Belge’. Het is stilaan een bekend zingend zinnetje, maar de verhalen raapt hij vooral bij de mensen die langs de route wonen. Zoals vorige week, toen een dame voor Hauben plots haar fotoboek uithaalde en haar verhaal vertelde: als kind was ze afgestaan, dat had ze pas op haar 60ste ontdekt, ondertussen was ze de zoektocht naar een reeks broers en zussen gestart, en op de plaatsen van nog ontbrekende zussen of broers hing een Post-it. “Ik had met die dame gepraat en ik nam al afscheid toen ik gewoon nog een opmerking maakte over de ketting die ze droeg: ineens kwam dat hele verhaal naar buiten. Zo gebeurt het vaak.”

Nog straffer is dit, nog niet uitgezonden, verhaal: “Net in Spanje zag ik, achter een informatiebord langs de kant van de weg, een brief zitten. ‘Van Clara voor Clara’, stond erop. Het begon net te regenen, ik stopte hem weg en weer stappend begon dat te knagen. Ik had me een brief toegeëigend, maar mocht ik die lezen? Dat deed ik uiteindelijk toch, en die hele brief was een soort mantra, een heel filmische brief van een vrouw die zichzelf aanmoedigde. Goed, ik vergeet dat, tot ik twee dagen later een pendelaarster tegenkom. Ze pendelt over die brief en zegt dat alles in orde komt. Later sta ik in de kathedraal van Logroño een Italiaans schilderij te bewonderen, en achter mij staat een Nederlandse vrouw die bij het afscheid haar naam zegt: Clara. Pas even later doet die naam een belletje rinkelen. Ik zoek haar in de straten van Logroño en als ik haar vind en naar die brief vraag, begint ze te wenen. Een dag later heeft ze me haar hele verhaal verteld. Als jong meisje was ze op kantoor verliefd geworden op de kerel die aan de andere kant van haar bureau zat. Die man stootte af en toe met zijn voet tegen haar been, tot ze op een dag zei: ‘Als je je benen niet kunt thuishouden, steek ze dan in je nek.’ Die kerel doet dat meteen, maar er kraakt iets, zijn been breekt en in het ziekenhuis stellen ze vast dat hij aan een zeldzame botziekte lijdt. Zijn been moet worden geamputeerd. Dus wat is er gebeurd? Die vrouw is verliefd geworden op een man met twee benen, die er plots maar één meer heeft, en toch beginnen ze een relatie en daar komen vier kinderen van. Maar nu is ze zestig en ze denkt eraan om bij hem weg te gaan. Die tocht naar Compostela is voor haar een bezinning. Ze begon echter te twijfelen en wilde haar missie opgeven. Uit het feit dat ik haar brief vond, putte ze toch kracht om verder te gaan.”

Of Clara ondertussen in Compostela is geraakt, weet Hauben nog niet. Maar zo is Weg naar Compostela een paternoster van verhalen, van gewone mensen. Zoals Remi en Alice, bij wie hij verdwaald op een koud besneeuwde dag een slaapbank aangeboden kreeg en zijn komst met vier flessen wijn werd gevierd. Vorige week zei Vincent Leus, de vader van het verongelukte meisje Emilie, in deze krant: ‘Er zijn nog altijd meer warme mensen dan koude.’ Hauben knikt: “Ik kan het niet verklaren, ik kan alleen maar vaststellen dat mensen warm en gastvrij zijn. Slechte of botte ervaringen heb ik niet gehad. Overal helpen mensen. Als ik honger had, dan kreeg ik eten.”

Zou het met compassie te maken hebben, en met wat je vroeger wel eens op een enveloppe zag staan: ‘Nodig eens een eenzame uit?’ Misschien. Want eenzaamheid is wat je in elk verhaal van de pelgrim naar Compostela leest. Je krijgt wat je vroeg: het zwijgen van de wereld, dichtte de Antwerpse Christine Mässer over haar tocht. “In stukken alleen in de mist en door de bossen van Frankrijk heb ik wel eenzame momenten gehad. Maar helemaal vergelijken kan ik natuurlijk niet, omdat die bestelwagen en die collega wel in de buurt waren. Men heeft me dat al verweten, maar er bestaat iets wat ik ‘pelgrimsnobisme’ durf noemen. Als je in Frankrijk niet voor 2 euro per nacht slaapt, ben je geen echte pelgrim. Daar heb ik me bewust tegen afgezet. Ik heb vaak op de grond of op een slechte bank geslapen, maar niet altijd in een koeienstal. Ik heb ook in een Ibis-hotel geslapen. Ik had mijn iPod bij en diep in het bos heb ik via podcasts naar Friedl’ Lesage geluisterd. Ik was blij dat ik mijn gsm bij had, en dat mijn vader me door mijn angst en door het bos kon praten. Waarom niet? Het is wel mijn tocht, maar die staat niet in het teken van een innerlijke en persoonlijke missie. Ik denk niet dat ik grote persoonlijke vraagstukken heb op dit moment in mijn leven. Maar mijn tocht is even zwaar en het is een tocht naar Compostela, niet zomaar een banale lijn. Het ritueel is sterker dan het individu en daar maak ik deel van uit.”

Slecht Frans

Vierendertig is hij, getrouwd, en vader van twee kinderen. Dat is niet toevallig. Wel toevallig: dat hij deze job doet. Als student op Sint-Lukas stond hij met een kameraad te praten die telefoon kreeg van Woestijnvis, “of hij voor het programma van Rob Vanoudenhoven een week lang in een wei in Veurne wilde kamperen”. Die kameraad kon niet en hij gaf de telefoon door aan Arnout Hauben. “Ik heb gewoon ja gezegd, een week lang moest ik in een wei om het kwartier een foto maken van de plaats waar het huis van Rob gebouwd zou worden. Twee weken na die opdracht werkte ik bij Woestijnvis.”

Eerst Man bijt hond - ‘De valies’, ‘Wordt vervolgd’, ‘Bedverhalen’, ‘Kris en Yves’ - later ook Bal Mondial, zelfs Het geslacht De Pauw, Mijnheer Doktoor en de zeer opgemerkte documentaire Geel, over hoe gezinnen zich ontfermen over psychiatrische patiënten. Een collega op de redactie van De Morgen deze week: ‘Ik zag die film al drie keer en drie keer moest ik wenen.’

“Of er een rode draad zit in wat ik doe? Los van Het geslacht De Pauw misschien de manier van kijken. Over één mens kun je duizend verhalen vertellen en ik geloof echt dat er in elke mens een verhaal zit. Vaak hoef je er zelfs niet de grootste moeite voor te doen om ze te vinden, het komt erop aan het juiste knopje te vinden. In Frankrijk kwam ik ergens aan, de heerlijke geur van vers gebraad kwam me tegemoet, en voor ik het wist zat ik bij een madame aan tafel. Pro forma vroeg ik: ‘Wat heeft het leven u nog gebracht?’ En dan zie je haar in 2 minuten en 38 seconden, niet geknipt, vertellen over hoe ze 35 jaar geleden met haar man en dochtertje Nathalie in de wagen zaten. Ze zei nog dat hij veel te snel reed. Ze kregen een ongeluk en hun dochtertje overleed. Haar foto stond op de kast en, terwijl haar man naar een feest van de oud-strijders was, vertelde ze hoe ze hem dat nog altijd niet vergeven had. Alleen: toen scheidde je niet. Het is een van die keren geweest dat ik niet meer wist wat ik moest antwoorden.

“In Geel fascineerde me vooral de puurheid en de schoonheid van de mensen die zich levenslang engageren om voor die patiënten te zorgen. Ik filmde er van Kerstmis tot Kerstmis. En van Jeanneke van Rob en Eddy kreeg ik ook 20 euro zakgeld voor mijne kerstmis. Weigeren? Geen sprake van in de Kempen. Daar leerde ik de totale en onvoorwaardelijke gastvrijheid kennen.”

Toch zit ook in zijn eigen blik empathie geslepen. En het vermoeden van gastvrijheid. Dat moet van thuis komen. “Mijn ouders gaven les, gingen wekelijks naar de kerk en stuurden mij vanaf mijn twaalfde vanuit Leuven naar het internaat op het Montfortcollege in Rotselaar. In zo’n zwerm jongens leer je overleven en je een plaats in een groep veroveren. Er heerste camaraderie en je had een gemeenschappelijke vijand. David Ottenburgh, die nu aan Tegen de sterren op meewerkt, sliep in dezelfde gang en Theo Francken (N-VA-politicus, RVP) en Joris Vandenbroucke (sp.a, RVP) zaten daar ook. (glimlacht) Maar ik herinner me vooral zeer traumatische ervaringen met Frans. Altijd gebuisd, in het voorlaatste jaar ben ik zelfs blijven zitten omdat ik voor Frans gezakt was. Ondanks alle bijlessen.”

Die glimlach is logisch: uitgerekend in het Frans zoekt hij zich een weg door Frankrijk. “Er komen veel boze brieven binnen. ‘Het is toch godgeklaagd, konden jullie niet iemand sturen die Frans kent?’ Zelfs Wouter Vandenhaute heeft er in het begin een opmerking over gemaakt. Het is verbeterd nu. Maar misschien is dat gesukkel met Frans op school wel mijn geluk geweest. Dat ik moest blijven zitten, van school veranderde en mijn groep moest verlaten, was een schok. Ik had gefaald en dat heeft me doen nadenken over wat ik met mijn leven zou doen. Fotografie, en filmschool, dacht ik plots. Sint-Lukas dus.”

Nog een glimlach: “Mijn Spaans is nog erger. Voor ik naar Compostela vertrok, heb ik een 24 urencursus gekregen en ik had een geplastificeerde fiche mee met een openingsvraag en wat standaardvragen. Maar van zodra je bij een Spaanse boer staat die over zijn geiten begint, helpt dat natuurlijk niet meer. En toen ik in een restaurant een grapje maakte en water wilde vragen, zoals ze het Frans weleens chateau de pompe vragen, zei ik: vino del pompi. Die kelner bescheurde het en later hoorde ik de hilariteit vanuit de keuken. Blijkbaar betekent vino del pompi in het Spaans ‘reetwater’.”

Tussen leven en dood

Of er gemis is op zo’n tocht en in het leven? Hij belt regelmatig met zijn vrouw en zijn kinderen. “Gemis doet achteraf wel eten”, glimlacht hij. “Maar mijn vrouw is geen wielrennersvrouw, ik heb dus wel wat op de poef staan. En mijn kinderen zijn zeven en vier. Ik kan niet zeggen dat ze er geweldig mee bezig zijn.

“Via de iPod heb ik veel naar de Stones geluisterd. Als ik ga lopen, staan zij ook op. Ook in het bos kan dat. Voor mij vloekt niks. De Pyreneeën heb ik overwonnen met ‘Starlight’ van Muse. Dat nummer is mijn energy bar, het helpt altijd als ik fysiek kapot zit. Lezen doe ik onderweg amper. Ik ben telkens zo verzadigd door al die verhalen, dat er dan geen nood meer is om nog te lezen. Muziek is beter dan.”

Angst, zei hij eerder. “Ik heb aanleg voor angst. En voor twijfel. De vraag die ik me voortdurend stel is of ik wel goed bezig ben. Ik ben een stadskind en een groepskind en heb eigenlijk nooit geleerd om alleen te zijn.”

Is zo’n reportage dan een overwinning? Hij knikt. “Zeker. Zoals die tocht voor de meeste pelgrims een overwinning is. Maar de uitdaging was niet het doel van de reportage.” Of de 17-jarige Arnout Hauben ooit gedacht zou hebben dat de 34-jarige dit gedurfd zou hebben? “Misschien wel”, zegt hij eerst. Dan toch twijfel: “Tja, misschien ook niet. Maar, zoals gezegd, ik was niet helemaal alleen.”

In angst zit, uiteindelijk, altijd hetzelfde gevoel: doodsangst. “Toen ik voor Bal Mondial(een programma rond het WK voetbal in 2002, RVP) in Nigeria was, werd ik serieus ziek. Terug in Leuven herstelde ik, maar blijkbaar was die Afrikaanse worm ergens blijven zitten. Op vakantie in Griekenland is dat opnieuw beginnen spelen. Ik had een abces van 8 centimeter op mijn lever. Die Griekse dokters hadden zoiets natuurlijk niet verwacht en ik heb veertien dagen in het ziekenhuis van Athene doorgebracht. Niet repatrieerbaar. Je zou kunnen zeggen: tussen leven en dood. Achteraf hebben ze me in Gasthuisberg gefeliciteerd dat ik het overleefd heb. Maar ik had me in Afrika blijkbaar iets te enthousiast ingeleefd en allicht was ik na een tijd vergeten dat het toch niet zo gezond was om van het kraantjeswater te drinken of er je tanden mee te poetsen.

“Ik ben voor het eerst in Afrika geweest toen ik op Sint-Lukas zat en we werden uitgedaagd om te reizen. Op zondag ging ik in de Nopri werken en met dat geld kocht ik een ticket voor Ivoorkust. Ondertussen heb ik veel langs de westkust gereisd, was ik in Rwanda en zo. Ook daar val je al snel in de clichés van puurheid en schoonheid, maar ze kloppen wel. Alleen vind ik het als reportagemaker niet zo dankbaar. Filmen is er anders en ik heb het gevoel dat ik daar minder te zoeken heb. Het is nooit: hoe verder, hoe beter. Voor Compostela ben ik in hartje Brussel aan het Madouplein vertrokken, daar vind je trouwens al zo’n typische schelp. En in het Zoniënwoud botste ik op een man die me meteen een van de sterkste quotes van de hele reeks heeft opgeleverd. Dat zegt veel. De bestemming is niet belangrijker dan het verhaal.”

Troost op het kerkhof

Maar hoe ver is België dan, als je door de Creuse en de Morvan wandelt, of als je in de kathedraal van Santo Domingo de la Calzada de levende kippen bewondert? “De dag na het Zoniënwoud kon ik al veel relativeren. Van zodra je bezig bent met je voeten en schoenen en een slaapplaats zoeken, wordt het nieuws in je hoofd al gefilterd. Maar ik werd wel regelmatig aangesproken over de Belgische problematiek. Toen ik bij de pastoor van Varzy een stempel ging halen voor mijn carnet des pèlerins, werd hij kwaad op mij: hoe kunnen jullie in zo’n klein land ruzie maken? Na een tijd ben ik beginnen zeggen dat ik pèlerin de Bruxelles was. Heb ik letterlijk de kerk in het midden gehouden.”

De laatste etappe moet nog gestapt worden, het zal monteren blijven tot eind mei. Over de wanden van de bureaus bij Woestijnvis waait de stem van Mark Uytterhoeven. “Het is een veilige context waar je met gelijkgezinden kunt werken”, zegt Hauben. Het besef van luxe is dat, wat hij goed vertaalt: “Je moet niet denken dat we met een blanco cheque werken.”

Wat nadien komt, is onmogelijk te zeggen. Zijn grote voorbeeld? “De Nederlandse Heddy Honigmann. Ik hoop dat er in mijn werk ooit zo’n lijn kan zitten.” Hij geeft me de dvd Forever mee, een verhaal over hoe mensen troost zoeken op het Parijse kerkhof Père-Lachaise. “Bezorg hem me terug, maar neem je tijd. Ik heb hem al vaak uitgeleend.”

Bij het afscheid nog één citaat, de openingszin van Cees Nootebooms De omweg naar Santiago. “Ik heb het boek niet gelezen, maar die zin kén ik”, glimlacht hij en leest luidop: Het is niet te bewijzen en toch geloof ik het: op sommige plaatsen in de wereld wordt je aankomst of vertrek op geheimzinnige wijze vermeerderd door de emoties van al diegenen die daar eerder zijn vertrokken of aangekomen.

“Dat gevoel herken ik helemaal. Elke stap die je zet, vooruit of achteruit, laat iets na. Veel pelgrims laten trouwens fysiek iets na: een steen of een boekje of zo. Heb ik niet gedaan. Zelfs niet aan de Cruce de Ferro.” Maar in hotel Le Moderne in de Rue Jean Jaurès in Bazancourt, een dag stappen van Reims, vond hij naast zijn bed een boekje. Daarin had wie eerder in dat bed sliep zijn naam geschreven. “Cees Nooteboom, las ik.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234