Woensdag 30/11/2022

InterviewLevenslessen

Verkeersslachtoffer Stijn Geerinck: ‘Ik zou niemand mijn uiterlijk toewensen, maar het is coherent met wie ik ben’

Stijn Geerinck: 'Alledaagse dingen zijn soms onnoemelijk complex: de tafel dekken, mijn boekentas maken en zorgen dat ik op tijd in de trein zit.' Beeld Thomas Nolf
Stijn Geerinck: 'Alledaagse dingen zijn soms onnoemelijk complex: de tafel dekken, mijn boekentas maken en zorgen dat ik op tijd in de trein zit.'Beeld Thomas Nolf

Vijf jaar geleden werd Stijn Geerinck van de weg gemaaid door een dronken chauffeur. Hij hield er levenslange hersenletsels aan over. Geerinck schreef er een inspirerend boek over, dat eind deze maand in het Engels verschijnt. ‘In rancune stop ik geen energie.’

Joël De Ceulaer

“Ik weet hoe het voelt om neerslachtig te zijn”, zegt Stijn Geerinck. “Ik vermijd het woord depressie, omdat dat echt een ziektebeeld is, maar ik heb uitgebreid kennisgemaakt met de neerslachtigheid. Vandaag heb ik nog altijd last van moodswings, maar gelukkig kan ik de negatieve fases onder controle houden. Ik ben erg weerbaar gebleken.”

Binnenkort, op 28 mei, is het vijf jaar geleden dat het noodlot toesloeg in het leven van Stijn Geerinck, moraalfilosoof van opleiding en leraar zedenleer van beroep. Hij was aan het fietsen toen hij van de baan werd gemaaid door een auto met een dronken vrouw aan het stuur. Maandenlang lag hij half-comateus in het ziekenhuis, maar zijn wilskracht, optimisme en discipline brachten hem al heel ver in zijn revalidatieproces. Hij schreef in 2019 een boek over zijn ervaringen, Tussen hoop en hersenletsel – dat een veel groter publiek verdient dan het tot dusver kreeg.

Geerinck lijdt aan een zogenoemd NAH – een Niet-Aangeboren Hersenletsel. Hij verloor bij het ongeval een deel van zijn hersenen in de rechts-temporale kwab, waar nu een gat in zijn schedel zit. De rest van de hersenen nam de functies van dat deel over, maar toch blijft hij kampen met beperkingen. “Gelukkig ben ik nog altijd min of meer dezelfde man als vroeger”, vertelt hij. “Alleen alledaagse dingen zijn soms onnoemelijk complex voor mij: de tafel dekken of afruimen, mijn boekentas maken en zorgen dat ik op tijd in de trein zit. Zodra ik in die trein zit, heb ik het gevoel dat de dag erop zit. Mijn tijdsbeleving is sterk verstoord. En de weg van de minste weerstand is voor mij versperd. Alles is een mentale inspanning, zelfs mijn kleren kiezen en aandoen.”

Eind deze maand krijgt zijn verhaal een internationaal publiek. Zijn boek verschijnt dan bij de gerenommeerde uitgeverij Routledge, in een serie met getuigenissen van mensen die een hersenletsel overleefden. Hij ontvangt ons bij hem thuis in Evergem, waar hij na zijn studies in Gent samen met zijn vrouw een gezin stichtte. Ze hadden het plan opgevat om met de twee dochters eens naar Technopolis in Mechelen te gaan, op zondag 28 mei 2017, maar dat kon niet doorgaan. De nacht voor dat geplande bezoek gebeurde het.

Wat herinnert u zich van het ongeval?

“Niets. Ik weet er niets meer van.”

En uw laatste herinnering van die dag?

“Ook daar ben ik onzeker over. Ik was met een vriend in Gent iets gaan drinken, en was op weg naar huis met de fiets. Maar dat is mij ook allemaal verteld door anderen, dus ik weet niet of ik mij dat echt herinner. Misschien is dat ergens wel een voordeel, en was ik daardoor niet zo bang om later opnieuw met de fiets te rijden. Ik heb alles moeten leren uit de tweede hand, men heeft mij moeten vertellen wat mij overkomen was.”

‘Ik ben bijzonder zorgvuldig in mijn taal, om mensen zo snel mogelijk te overtuigen dat ik verstandelijk nog helemaal in orde ben.’ Beeld Thomas Nolf
‘Ik ben bijzonder zorgvuldig in mijn taal, om mensen zo snel mogelijk te overtuigen dat ik verstandelijk nog helemaal in orde ben.’Beeld Thomas Nolf

Wat was er precies gebeurd?

“Ik reed op het fietspad, volkomen reglementair. Dat heeft de rechter ook bevestigd: ik had het ongeval op geen enkele manier kunnen vermijden. Een ooggetuige heeft gezien hoe een auto al enige tijd aan het zwalpen was. Achter het stuur zat een dronken vrouw, die met haar auto in het decor is beland, met mij ertussen. Zij had 1,95 promille alcohol in het bloed, dus ze had behoorlijk veel gedronken en was wellicht in slaap gevallen.”

Wat is het eerste wat u zich herinnert van na het ongeval?

“Dat mijn vrouw en twee dochters op bezoek waren in het ziekenhuis, al weet ik ook van die periode heel weinig. Maar ik weet nog dat mijn kinderen mijn hand vasthielden – al twijfel ik daar ook over, omdat het verhaal mij zo vaak verteld is, natuurlijk, door mijn dochters, die mij herkenden aan de manier waarop ik hun hand vasthield. Ik heb lang op intensieve gelegen, in een soort semicomateuze toestand.”

En zonder schedeldak?

“Ik heb drie maanden zonder schedeldak in bed gelegen. Mijn hersenen waren aan het zwellen en moesten plaats hebben, dus heeft men dat schedeldak verwijderd. Doordat er allerlei complicaties waren, moest het na drie maanden teruggeplaatst worden, in een spoedprocedure. Daardoor is het een beetje onzorgvuldig moeten gebeuren, en dat kun je op een aantal plekken nog heel goed zien. Men heeft mijn schedel in elkaar moeten puzzelen, als het ware. Gaandeweg ben ik weer langzaam bij bewustzijn gekomen.”

Wat voelde u toen u wakker werd? Angst, paniek?

“Nee, die bewustwording was vrij emotieloos. Ik was gewoon aan het overleven, en die overlevingsmodus is een tamelijk neutrale manier van zijn: het is leven, meer niet. Ik lag ook vastgebonden in bed. Ik was erg onrustig en was er eens uitgevallen. Men wilde te allen prijze vermijden dat dat nog zou gebeuren. Daarom had men mij vastgemaakt.”

En ook dat maakte u niet bang? U aanvaardde dat meteen?

“Ja. Mijn vrouw niet. Die aanvaardde dat niet emotieloos. Die heeft uren bij mij aan bed gezeten, omdat ik dan los mocht – als er iemand bij me was, hoefde ik niet vastgebonden te zijn. Mijn vrouw heeft zorgverlof kunnen nemen. Ik was goed omringd. Maar als zij naar huis ging, maakte men mij weer vast. Ik was eigenlijk volledig hulpeloos. Een van mijn eerste herinneringen is dat ik weer zelfstandig mocht beginnen te eten.”

Hoe was uw lichaam eraan toe?

“Alles boven het borstbeen was gebroken. Ook mijn nek. Ik was volledig halfzijdig links verlamd. Mijn evenwichtsorgaan was geraakt. Ook mijn plasbuis was zwaar beschadigd. Ik kan nu weer zien, maar het linkeroog kan ik niet sluiten. En het linkeroor werkt niet meer. Maar ik kan wel weer met de auto rijden. Ik ben lichamelijk, alles in acht genomen, tamelijk goed hersteld.”

U schrijft dat u veel te danken hebt aan uw goede conditie.

“Ja, dat klopt. Ik had een goede conditie op het moment van het ongeval en dat heeft mij enorm geholpen. Zes maanden voordien had ik toevallig net mijn eerste marathon gelopen. Revalidatieartsen zeggen mij dat ik dankzij de spieren die ik zo had opgebouwd vandaag zo ver ben geraakt. Men heeft mijn nek bijvoorbeeld niet moeten fixeren, dus ik kan mijn hoofd weer gewoon draaien.”

Hebt u weer gevoel in uw gelaat?

“De linkerkant van mijn gezicht is nog altijd verlamd. Door een zenuw uit mijn been in te planten tussen neus en lippen, hoopte men de aansturing van de rechtergezichtshelft te kunnen laten overgaan naar de linkerkant, maar dat is niet gelukt zoals verhoopt. Die verlamming van de linkergelaatshelft gaat niet meer weg. Maar ik kan wel verstaanbaar spreken. Daar besteed ik erg veel aandacht aan. Ik ben bijzonder zorgvuldig in mijn taal, woordgebruik en formuleringen – om mensen er zo snel mogelijk van te overtuigen dat ik verstandelijk nog altijd helemaal in orde ben.”

Twijfelen mensen daaraan?

“Het is niet te onderschatten hoezeer mensen een inschatting van je maken op basis van je gelaat. Dat heb ik wel ondervonden. Mijn gezicht is vervormd, dat is nu eenmaal zo. Ik vind het begrijpelijk dat mensen soms argwanend naar mij kijken, dat ze zich afvragen of ze met mij nog wel een deftig gesprek kunnen voeren. Daarom ben ik zo dwangmatig geworden in mijn taalverzorging. Ik heb niet het gevoel dat ik veel keuze had. Het was dat of in nog grotere mate ondervinden dat mensen gewoon over je heen kijken.”

‘Ik kan genieten van de onnozelste dingen. Van een wandeling met onze hond Maura, of van een halfuur naar onze kippen te kijken.’ Beeld Thomas Nolf
‘Ik kan genieten van de onnozelste dingen. Van een wandeling met onze hond Maura, of van een halfuur naar onze kippen te kijken.’Beeld Thomas Nolf

Gebeurt dat nog altijd?

“Minder dan vroeger. Ik voel soms nog aarzeling bij mensen die mij voor het eerst zien. Mijn vrouw bevestigt dat. We doen sinds kort weer uitstapjes met het gezin en zij vertelt me dat mensen toch nog altijd anders naar mij kijken. Maar ik begrijp dat. Ik ben er niet boos over. Misschien durven mensen mij niet goed te benaderen. Er zijn ook kennissen van vroeger die nog altijd afstand houden, omdat ze niet goed weten hoe ze nu met mij moeten omgaan. Misschien zijn ze bang om mij te kwetsen. Ik heb er wel begrip voor.”

Bent u het nog niet beu om uw verhaal te vertellen?

“Nóg niet. (lacht) In mei is het ongeval vijf jaar geleden. Ik heb nog altijd het gevoel dat ik in een doorstartfase zit. Ik ben wel wat bang voor de lange termijn: hoe zal het zijn om te leven als een ouder wordende man met een put in zijn hoofd? Hoe zal dat zijn, hoe zal ik dat uitleggen? Dat lijkt mij niet zo aangenaam. Ik bereid mij daar al mentaal op voor. Al heeft de manier waarop ik eruitzie, natuurlijk ook onverwachte voordelen.”

Hoezo?

“Er zijn heel veel mensen met een al dan niet aangeboren hersenletsel aan wie je niets kunt zien. Die hebben veel meer moeite dan ik om uit te leggen dat ze vermoeid zijn, of last hebben met hun kortetermijngeheugen. Ik hoef dat niet uit te leggen, mensen zien meteen dat mij iets overkomen is. Dat is zo’n onverwacht voordeel. Je zou het er nooit voor doen, maar nu het er is, kan ik het in zekere zin wel aangrijpen. Ik zou niemand mijn uiterlijk toewensen, maar het is coherent met wie ik ben.”

U bent wel bijzonder lucide en welbespraakt.

“Dat is prettig om te horen. Het is een opluchting dat ik dit heb kunnen bereiken, want het zag er lang naar uit dat ik op sociaal vlak totaal geen normaal leven meer zou kunnen hebben. Alles wat naar de normaliteit gaat, maakt mij blij. Net zoals het ongeval, is dit ook iets wat mij overkomt. En ik vind het geweldig dat mijn puberende dochters zien dat ik in contact kan staan met andere mensen zonder dat het awkward wordt. Dat is mijn ultieme motivatie: hen tonen dat er ook in moeilijke omstandigheden waardevolle opties zijn. Mijn kinderen hebben recht op dat perspectief in het leven.”

Wilt u een voorbeeld zijn voor uw dochters?

“Ja. Ik heb het nooit zo geformuleerd, maar ik wil wel dat ze trots kunnen zijn op mij. En ik hoop dat het aan het lukken is. (lacht) Ik denk dat ik in ieder geval een verdienstelijke poging doe. Dat is belangrijk voor mij: zij hoeven zich niet te schamen om met mij ergens naartoe te gaan. Alle meerwaarde die ik realiseer, hangt daarvan af. Ik mag nog duizend boeken schrijven, als ik in mijn dagelijks leven niet comfortabel kan functioneren met mijn gezin, verliest alles zijn waarde. Zo voel ik het aan.”

Uw boek is één grote levensles. De manier waarop u duidelijk maakt dat je altijd ruimte hebt om te kiezen hoe je omgaat met wat je overkomt, is indrukwekkend.

“Dat zat vroeger ook al in mijn temperament, die houding. Ik ben daarin ook niet uniek, het is iets dat in de mens zit ingebakken, denk ik. Ik heb moraalfilosofie gestudeerd en heb ook de stoïcijnse filosofen gelezen, zoals Epictetus, die al schreef dat niet de dingen die ons overkomen ons depressief maken, maar de manier waarop we ermee omgaan. Nu is het niet zo dat ik die theorie bewust heb toegepast. Ik heb organisch ondervonden dat ik dat deed. Ik besefte tijdens mijn revalidatie: dit ken ik, hier heb ik over gelezen.”

U bent ook erg dankbaar in uw boek.

“Ik kan een waardevol leven leiden dankzij de medische technologie, en de methodische uitwerking van allerlei vormen van therapie. Er is ook voortdurend vooruitgang. Twintig jaar geleden stond de hersenchirurgie nog niet zover, dan had ik het niet gehaald. Ik ben erg weerbaar, maar ik denk dat wij dat gemiddeld genomen allemaal wel zijn. En dat die weerbaarheid stijgt naarmate de omstandigheden gunstig zijn. Wat hier zo is. De zorg en welvaart waarover wij beschikken, is nog nooit zo groot geweest in de geschiedenis.”

U bent een optimist, maar zonder illusies, schrijft u ook.

“Illusies kon ik mij niet permitteren, dat heb ik snel ondervonden. Ik was bijvoorbeeld nogal fanatiek in de manier waarop ik uit mijn rolstoel wilde, na enkele maanden. Ik was zo gedreven dat ik veel te snel wilde gaan, waardoor ik blessures had kunnen oplopen. Gelukkig hebben therapeuten mij geholpen om de twee voetjes op de grond te houden en stapje voor stapje te gaan. Ik heb heel lang alleen maar op de superkorte termijn gedacht, ik leefde hermetisch in het hier en nu.”

‘Dat is mijn ultieme motivatie: mijn dochters tonen dat er ook in moeilijke omstandig-
heden waardevolle opties zijn.’ Beeld Thomas Nolf
‘Dat is mijn ultieme motivatie: mijn dochters tonen dat er ook in moeilijke omstandig-heden waardevolle opties zijn.’Beeld Thomas Nolf

Geef eens een voorbeeld?

“Ik dacht niet aan de volgende week, vaak zelfs niet eens aan de volgende dag. Het enige wat ik dacht toen ik begon te lopen, was: ik ga vanmiddag drie stappen zetten, van mijn rolstoel tot aan het bed. Dat toekomstperspectief is nog lang een probleem geweest. Mijn tijdsbeleving staat nog altijd onder druk. Toen ik pas weer thuis woonde, wilde ik soms naar de keuken en eindigde ik in de badkamer. De korte termijn is moeilijk. Mijn vrouw maakt elke ochtend een lijstje met wat er te gebeuren staat: wanneer de kinderen thuis komen, waar de sla ligt. Als zij dat niet doet, verlies ik urenlang tijd met zoeken.”

Bent u alweer aan het sporten?

“Het gaat snel beter, ik heb een hele sterke focus. Ik loop nu een drietal keer per week tien kilometer. Wel heel traag. Ik noem het ‘veredeld snelwandelen’. Maar de afstand blijft groeien. En als je begint te lopen, is het beste devies: eerst afstand, dan tempo. Begin desnoods aan een belachelijk traag tempo te lopen, en doe steeds grotere afstanden. Als je begint aan een te hoog tempo, loop je het risico dat je snel afhaakt omdat het niet lukt.”

U schrijft in uw boek dat u de productie van endorfines en serotonine in uw hersenen afdwingt, zodat u zich na het sporten beter voelt.

“Dat is wat er gebeurt, maar het is een gedachte die mij achteraf te binnen schoot. Het is de scheikunde in je hoofd die bepaalt hoe je je voelt. Maar dat was niet de reden waarom ik snel opnieuw begon te sporten. Ik deed het vooral om mijn lichaam voor te bereiden op de operaties. Ik heb in vier jaar twaalf operaties gehad. Hoe beter je conditie, hoe beter je die operaties doorstaat.”

Komen er nog operaties?

“Hopelijk niet. Er zouden nog esthetische ingrepen kunnen gebeuren, maar voor mij hoeft het niet meer. Het is goed zo voor mij. Als mijn schedeldak zou beginnen afsterven, en er moet ingegrepen worden, dan zal ik dat moeten aanvaarden. In het uiterste geval wordt mijn schedel vervangen door een exemplaar uit kunststof. Maar ik hoop dat het nooit zover zal komen. De chirurg zegt dat hij dat kan, dat het mogelijk is. En ik geloof dat.

“Maar nu moeten ze even van mijn lijf blijven. (lacht) Grapje. Ik ben vooral erg dankbaar.”

U hebt, dat is wellicht de belangrijkste les uit uw boek, niet de minste vorm van rancune of wrok. U verwijt niemand iets, ook de bestuurder niet?

“Eigenlijk niet. Dat zou nutteloos zijn. Ik heb weinig keuze gehad, hoor. Ik had gewoon geen energie om boos of wrokkig te zijn. Ik moest mijn beperkte energie gebruiken voor de constructieve dingen. Mocht ik mij verloren hebben in boosheid, zou ik gestrand zijn in mijn revalidatie. Het enige wat mij boos kan maken, is onverantwoord gedrag in het verkeer. Die boosheid is het moeilijkste om te beheersen. En als er tijdens mijn revalidatie boosheid opdook, gebruikte ik die als bondgenoot.”

Boosheid als bondgenoot?

“Je kunt woede gebruiken als brandstof om terug te vechten. Ik heb baantjes getrokken in het zwembad tot men mij eruit moest halen, omdat ik overdreef. Maar ik wilde elke neiging tot rancune omzetten in energie voor mijn herstel. In rancune stop ik geen energie. Daar komt nog iets bij: als ik het filosofisch bekijk, denk ik dat mensen iets te weinig vrije wil hebben om een gericht verwijt verantwoord te maken. Iemand de schuld geven is bijna nooit terecht. Mijn hypothese is: 90 procent van de tijd is zo verwijtloos mogelijk in het leven staan de beste optie, en 9,99 procent van de tijd is het de minst slechte.”

U bedoelt dat de chauffeur die u aanreed te weinig vrije wil heeft om haar dat ongeval te kunnen verwijten?

“Daar komt het op neer, ja. Let op, verantwoordelijkheid bestaat natuurlijk wel, het is een sociaal gegeven. En hoe beter de omstandigheden waarin mensen leven, hoe meer verantwoordelijkheid je hen kunt toekennen. In een deftige democratie, zoals de onze, is verantwoordelijkheid dus zeker mogelijk. Maar onze pseudo-openbare ruimte, die voor een groot stuk gevuld is met rondrijdende auto’s, is geen goede omgeving om mensen verantwoordelijkheid te geven. We zijn elkaars hindernis. In die omstandigheden is het realistisch om ervan uit te gaan dat banale accidenten zoals dat van mij gebeuren.”

Is het devies van de stoïcijnen, dat je kunt kiezen hoe je tegenover je lot staat, niet in tegenspraak met het idee dat we geen of nauwelijks vrije wil hebben?

“Het is complex. Ik denk niet dat we géén vrije wil hebben, ik denk veeleer dat we maar een beperkte mate van vrije wil hebben. Maar doordat we sociale wezens zijn, kunnen we omstandigheden creëren waarin we die vrije wil tonen. Er is zeker speelruimte, maar die is beperkt. Ik zou het dus veeleer planmatige wil noemen. Ik geef les aan jongeren met autisme en een normale tot hoge begaafdheid. In zekere zin zou je mij nu een ervaringsdeskundige in omgaan met hersengerelateerde uitdagingen kunnen noemen. Ook voor mijn leerlingen geldt duidelijk dat je omstandigheden kunt creëren waarin ze relatief normaal kunnen functioneren.”

'Het enige wat mij boos kan maken, is onverantwoord gedrag in het verkeer. Die
boosheid is het moeilijkste om te beheersen.' Beeld Thomas Nolf
'Het enige wat mij boos kan maken, is onverantwoord gedrag in het verkeer. Dieboosheid is het moeilijkste om te beheersen.'Beeld Thomas Nolf

Maar die chauffeur verwijt u niets?

“Nee, dan zou ik evengoed verwijten kunnen sturen naar de politici die nog altijd niets hebben ondernomen om elke auto van een alcoholslot te voorzien. Of om nultolerantie in te voeren voor alcohol in het verkeer. Ik ben daar uiteraard voorstander van, maar ik kan mij die verwijten niet permitteren. Ik heb er de energie niet voor. Het is als het ware niet mijn vrije wil om niet verwijtend te zijn. (lacht) Ik focus op andere dingen.”

Hebt u de chauffeur ooit ontmoet?

“Nee, en dat vind ik een beetje jammer. Ik heb ook daar nooit energie in gestoken. Nog altijd niet. Er zijn organisaties die gesprekken tussen dader en slachtoffer organiseren, ik zou ook met iemand kunnen praten die iemand anders heeft aangereden – maar voor mij is het niet relevant genoeg. Ik ben wel een fictieboek aan het schrijven, waarin ik een lang gesprek voer met de vrouw die mij aanreed. Maar in werkelijkheid leg ik liever getuigenis af voor ergotherapeuten, verpleegkundigen en artsen in opleiding.”

En u steunt de beweging Effectief Altruïsme.

“Tijdens mijn revalidatie heb ik het boek van filosoof Peter Singer daarover gelezen, en dat heeft mij geïnspireerd. Een basisprincipe van effectief altruïsme is dat je zoekt naar verwaarloosde problemen die weinig aandacht krijgen maar wel een concrete oplossing hebben. Oplossingen die voor relatief weinig geld een zeer groot rendement opleveren. Een onvoorwaardelijk basisinkomen voor mensen in extreme armoede, bijvoorbeeld. Het is wetenschappelijk aangetoond dat het werkt. Muggennetten ter bestrijding van malaria, ook die zijn erg goedkoop en zeer effectief.”

U bent ook een vegetariër. Om dezelfde altruïstische reden?

“Ik ben op weg om veganist te worden, maar ik wil daar niet te veel lawaai over maken. Ik wil niet nog raarder zijn dan ik al geworden ben. (lacht) Ik wil er graag bij horen.”

Vegetariërs horen er geweldig bij, hoor.

“Ah, daar ben ik heel blij om. Dan kan ik aan mijn dochters laten zien dat ik mee ben met de trends. Ik denk echt dat we ons over vijftig jaar gaan schamen om de manier waarop we nu met dieren omgaan. Ik ben vroeger trouwens al vegetariër geweest, van mijn 16 tot mijn 26 – een soort lange puberale periode, zeg maar. Ik was toen een grote fan van The Smiths en van Morrissey. Meat is murder, nietwaar. Dat was voor mij genoeg om te stoppen met vlees eten. Gedragsverandering is altijd mogelijk.”

In uw boek verwijst u naar het nummer ‘There Is a Light That Never Goes Out’, waarin Morrissey zingt over de ‘ten ton truck’ die hem mag overrijden, als zijn geliefde maar naast hem zit. Is het daarom uw favoriete nummer?

“Eigenlijk wel. Het eerste optreden dat ik zag na mijn herstel, was dat van Johnny Marr, oud-gitarist van The Smiths, in Antwerpen. Toen hij dat nummer zong, heb ik gehuild. Lang gehuild, de tranen bleven maar komen.”

Gebeurt dat vaak?

“Af en toe. Maar als het gebeurt, laat ik de tranen komen. Ik heb weinig zelfmedelijden, maar muziek kan de emoties sterk raken. Over het algemeen ben ik dankbaar en niet verdrietig. Alles wat ik meemaak, is een bonus. Want voor hetzelfde geld was het vijf jaar geleden afgelopen met mij. Ik krijg soms dat gevoel als ik met mensen over koetjes en kalfjes sta te praten: dit is een pure bonus voor mij. Mijn vrouw is soms verbaasd hoe blij ik in het leven sta. Ik kan genieten van de onnozelste dingen. Van een wandeling met onze hond Maura, of van een halfuur naar onze kippen te kijken.”

Zoals wijlen Stijn De Paepe, de huisdichter van De Morgen die onlangs overleed, zei over het geluk: ‘Zoek het niet te ver.’

“Dat is zo. Dat is echt zo. Dat wil niet zeggen dat een mens moet stoppen met verlangen, maar het geluk ligt inderdaad in de kleine dingen, het ligt voor je neus. Ik ben weliswaar rusteloos, maar ik probeer die rusteloosheid te kanaliseren. Er is trouwens een verschil tussen onrust en rusteloosheid, zoals filosoof Ignaas Devisch schrijft in zijn boek Rusteloosheid. Een mens kan nu eenmaal niet stilzitten. Het komt er dus op aan daar iets constructiefs mee te doen.”

Devisch schreef een prachtige inleiding voor uw boek.

“Ja, daar ben ik heel blij mee. Ik heb vroeger nog les van hem gehad en kwam hem tijdens mijn revalidatie toevallig tegen. En ik ben nogal ongeremd, dus ik stapte meteen op hem af. Zo zijn we in contact gebleven en heeft hij iets geschreven voor mijn boek.”

Hebt u nog boekenplannen?

“Ik wil dus die dialoog met de chauffeur schrijven. En ik heb een boek klaar over effectief altruïsme, dat ik naar een paar uitgevers heb gestuurd.”

Ergert het u als mensen zagen over pietluttigheden?

“Daar heb ik mij al op betrapt, maar ik maak er geen punt van. Ik begrijp dat mensen soms de behoefte hebben om hun beklag te doen. Het is bijna sterker dan henzelf. Ik ben daar anders in geworden, omdat ik besef in welke gunstige omstandigheden wij leven.”

Zou u zich hebben kunnen neerleggen bij een slechtere uitkomst? Bij verlamming, of een leven in een rolstoel?

“Ik denk van wel. Ik leg mij niet snel bij iets neer, maar ik denk van wel. Ik zou het erger vinden mocht ik bijvoorbeeld chronische pijn hebben, wat niet het geval is. Bij pijn kun je moeilijk je aandacht afleiden. Ik kan 1.001 dingen doen die mij afleiden.”

U zat eind augustus vorig jaar in het programma Durf te vragen van Siska Schoeters. Welke vraag herinnert u zich daarvan?

“Of mijn liefdesleven nog is zoals vroeger. Een erg persoonlijke vraag, maar ik heb ze beantwoord: zodra dat kon, zijn mijn vrouw en ik opnieuw beginnen te knuffelen. Ook op dat vlak heb ik geluk: ongeveer 60 procent van de koppels scheidt als een van beiden een hersenletsel oploopt. Een puntje is bij ons wat moeilijker geworden: vroeger was ik nonchalant en nu een perfectionist. Mijn vrouw is altijd een perfectionist geweest. En twee perfectionisten in één gezin: dat is niet altijd een aanrader. (lacht) Maar verder heb ik dus het geluk dat mijn persoonlijkheid min of meer dezelfde is gebleven.”

Stijn Geerinck, 'Reconstructing Identity After Brain Injury', Routledge, 146 p., 23,80 euro. Verschijnt op 31  maart. Beeld rv
Stijn Geerinck, 'Reconstructing Identity After Brain Injury', Routledge, 146 p., 23,80 euro. Verschijnt op 31 maart.Beeld rv

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234