Zondag 27/09/2020

Verhoog inschrijvingsgeld voor sommigen, behoud tarief voor velen

Klaas De Brucker doceert Micro-economie, Europees Beleid en Decision-making aan KU Leuven, Campus Brussel. Hij schrijft dit artikel in eigen naam.

De Vlaamse regering wil besparen op hoger onderwijs. Om deze besparingen te neutraliseren, stelden de universiteiten voor om de inschrijvingsgelden te verhogen tot 1.100 euro (DM 18/9). Elke maatregel kent gevolgen én neveneffecten. Lage studiegelden maken het hoger onderwijs toegankelijk, maar kunnen soms leiden tot studievertraging. Hogere studiegelden beperken de overheidsuitgaven maar hebben negatieve impact op sociaal vlak. Het beleid moet àlle effecten voor ogen houden en mechanismen ontwerpen om de voordelen te behouden en de nadelen te reduceren.

Op dit ogenblik gaat de discussie over het al dan niet verhogen van de studiegelden. Een gedifferentieerde aanpak komt nauwelijks aan bod.
Als een bedrijf wil saneren, gaat het op zoek naar kostendrijvers in het productieproces. Daarop wordt ingegrepen, ofwel worden de kostendrijvers omgevormd tot special products die tegen hogere prijs worden aangeboden. Laat ons deze logica nu even toepassen op het hoger onderwijs.

Een eerste reeks kostendrijvers is productgerelateerd. Neem nu de Engelstalige opleidingen, die buitenlandse studenten aantrekken - op de vlucht voor de hoge studiekosten in eigen land. De Vlaamse overheid moet deze mee subsidiëren en bovendien verhogen zij de werkingskost van de instellingen (taalcoaching, extra groepen). De instellingen beschouwen buitenlandse studenten evenwel als een nieuw middel om marktaandeel te winnen en versterken dus dit fenomeen. Waarom vragen we voor dit special product geen hogere prijs?

Naast Engelstalige opleidingen zijn er de flexibilisering en de elders verworven kwalificaties/competenties. Dit systeem van vrijstellingen vereist een leger aan administratief personeel om alles op te volgen. Waarom vragen we als studenten gaan shoppen in diverse instellingen/opleidingsjaren geen extra remgeld voor de kosten die ze veroorzaken, zoals met het globaal medisch dossier bij huisartsen? Idem als studenten hun examens (roekeloos) betwisten of niet komen opdagen op (tweedezit)examens waarvoor ze zich inschreven.

Ten derde zijn er de nieuwe systemen, ontworpen voor speciale doelgroepen, zoals avond- en afstandsonderwijs. Deze vereisen extra personeel. Waarom vragen we hier geen hogere bijdrage? Soms dragen werkgevers zelfs bij aan de studiekosten.

Een tweede reeks kostendrijvers hangt samen met organisatie. Aan de vrije/privaatrechtelijke universiteiten (KU Leuven en VUB) wordt het administratief personeel niet benoemd (professoren wel). Hierdoor ontstaat een dubbele kostenpush. De totale loonkost van benoemd personeel is 11% lager (en hun nettoloon is 1% hoger). Daarbovenop moeten private universiteiten, net als privébedrijven, premies betalen voor een groepsverzekering aan private, winstbeogende verzekeringsfondsen.

Hiermee compenseren zij het feit dat hun niet-benoemd personeel geen recht heeft op het hogere staatspensioen. Omdat de publieke universiteiten (UGent, UA en UHasselt) en alle hogescholen deze premies niet moeten betalen, compenseert de Vlaamse overheid dit kostennadeel. In feite komt dit erop neer dat, voor administratief personeel, het extralegale pensioen van de private universiteiten door Vlaanderen wordt betaald (en door de huidige generatie) en het hogere staatspensioen van de hogescholen en publieke universiteiten door de federale overheid (en de toekomstige generatie).

Een derde kostendrijver is de verzuilde associatievorming. In veel Vlaamse steden zijn meerdere associaties actief. Dit bemoeilijkt de samenwerking tussen instellingen. Bovendien leidt in Vlaanderen brede associatievorming tot extra (verplaatsings)kosten. De zorgsector werkt al langer netoverschrijdend samen, het onderwijs nauwelijks.

Vierde kostendrijver: de bachelor-master structuur. De 3+1 structuur draagt studieduurverlenging in zich, zeker voor masterproeven. Normaal zouden academische bachelors ook een uitstroom naar de arbeidsmarkt moeten kennen, maar in de praktijk gaat bijna iedereen voor een master. Misschien is hoger studiegeld eerder iets voor masters(-na-masters)?

Een vijfde kostendrijver is de outputfinanciering, waarbij instellingen worden gesubsidieerd per student die ze als geslaagd kunnen afleveren. Dit lokt een opbod tussen instellingen uit om meer studenten te winnen, soms door minder streng te zijn.

Maar een eventuele verhoging van het inschrijvingsgeld moet niet noodzakelijk leiden tot een verhoging van de totale kost voor de student zelf. Ook de complementaire kosten moeten worden aangepakt. Universiteiten kunnen (moeten!) meer inzetten op het aanbieden van goedkope studentenkamers. Ook de vaak exorbitante prijsstijgingen van (Amerikaanse) handboeken moet worden gestuit, bijvoorbeeld door uitleendiensten of een tweedehandsmarkt te stimuleren.

Om kort te gaan: door de studiegelden gedifferentieerd te verhogen of te snoeien in de special products, kan de verhoging voor de standaardproducten beperkt worden. Daarnaast moet men de moed hebben om de organisatorische kostendrijvers aan te pakken. Ook terug een beetje strenger worden, zou de waarde van het diploma ten goede komen en de overconsumptie intomen. Of beter, waarom past onze 'Zweedse' regering niet meer in het algemeen de Zweedse recepten toe: accijnzen op 'merit bads' zoals alcohol en tabak opvoeren (dit zijn goederen waarvoor de betalingsbereidheid sociaal gezien te hoog is en die de welvaart schaden) om 'merit goods' zoals onderwijs en gezondheidszorg (hier is betalingsbereidheid te laag, maar ze verhogen de welvaart) aan een lage prijs te kunnen blijven aanbieden? Welke lobby is het sterkst?

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234