Donderdag 29/10/2020

Verhalen van onbespreekbare liefde

Er zijn maar weinig legitieme redenen om de deur van het ouderlijke huis achter zich te sluitenFourat had het gevoel dat hij met de huissleutels ook zijn hele jeugd op tafel had achtergelaten, onzeker of ze hem ooit opnieuw

Op de Gay Pride vandaag zullen maar weinig holebi's van Maghrebijnse origine aanwezig zijn. Het is immers in onzichtbaarheid, stilte en schaamte dat ze zich doorgaans hullen. Voor De Morgen deden Arezki, Fourat en Soufain voor het eerst hun verhaal.Arezki (36)

'Het bevrijdende is dat ik niet langer moet acteren'

Het art-nouveaucafé Cirio, hartje Brussel. Arezki (36) komt hier vaak, sinds hij in België is toch. Hij arriveerde nog maar enige maanden geleden. Hoewel. In zijn hoofd woont deze verpleger-anesthesist uit Algiers al lang in Europa, zo ongeveer sinds hij Frans leerde en zijn liefde voor de literatuur ontdekte. De Belgische man met wie hij onderhand is getrouwd, zegt zelfs dat dat hem het meest onderscheidt van de andere Arabische mannen die hij kent: Arezki's hoofd was al hier, toen zijn lichaam zich nog daar bevond, terwijl het doorgaans net andersom is.

Het was een lange weg overigens, naar Brussel. Een die via de neef, de dokter in Oran, het internet en misschien ook wel zijn vader liep.

Arezki heeft het zich vaak afgevraagd, wat iemand tot een homoseksueel maakt en of hij eigenlijk wel in die categorie thuishoort. Maar het bevrijdende, zegt hij, is dat het hier niets uitmaakt, dat hij niet langer een acteur hoeft te zijn. Hij mag doen wat hij wil, met mannen of vrouwen.

En toch is er altijd dat ene, iets wat knaagt op momenten dat de realiteit even haar vooral administratieve hoogdringendheid laat varen. Wat als. Arezki zegt dat het in het deel van de wereld waar hij werd geboren wel vaker voorkomt: dat mannen immer afwezig zijn, hun vrouwen met grote gezinnen achterlatend. Met kinderen die voor kinderen moeten zorgen, zeker als ze de oudste van de jongens zijn, zoals hij. De kleintjes eten geven, hun sommen nakijken, hen in bed stoppen, het zijn normale dingen, het is wat moeders van hun liefste zonen mogen verwachten. En ze willen nog meer. "Eigenlijk", zegt hij, "ga je op een bepaald moment die afwezige echtgenoot vervangen, bijna onbewust. Je moeder rekent en steunt op je. Wat zou ze zonder je doen?"

Maar onafwendbaar komt de dag dat zonen jongemannen willen zijn, met dromen en ambities, van vrijheid en avontuur. En veel erger nog dan het besef dat hun geesten en harten alleen maar kunnen ontsnappen als ook hun lichamen dat doen, is de wetenschap dat er maar weinig legitieme redenen zijn om de deur van het ouderlijke huis achter zich te sluiten zonder dat dat gebaar de smaak van verraad aan de familie in zich draagt.

Trouwen is de meest voor de hand liggende optie, maar of die weg naar de vrijheid voert, betwijfelt Arezki. Hij heeft het risico alvast niet genomen en prijst zich gelukkig met de vluchtroutes die hem restten. Het vervullen van de dienstplicht, bijvoorbeeld, en het vinden van een baan in een andere stad. Het ene na het andere. Maar eerst was er de neef.

Arezki zegt dat hij niet het gevoel had dat jongens hem meer aantrokken dan meisjes. Het beeld van toen hij twaalf was, is overigens nog heel helder. Van het eerste meisje waarmee hij in de beslotenheid van de kleedkamer van het zwembad zoende, herinnert hij zich zelfs nog de kleur van de badmuts en het badpak.

Maar in een wereld als de Arabische horen meisjes en jongens elkaar niet zomaar te ontmoeten. Ze leren het andere geslacht met gevaar te associëren en met straf en noodlottigheid. Arezki wist wat er hem voorbij het zoenen in het kleedhokje wachtte. Hij zag de ongeboren kinderen naar hem loeren. Het waren vage maar dreigende gestaltes met een donker aura van familiale toorn en schaamte.

Daarom bande hij ze zo goed en zo kwaad als dat ging uit zijn gedachten: de herinneringen aan het zoete speeksel van een meisjesmond, aan de vreemd warm aanvoelende huid onder een koud, nat badpak en aan twee ogen waarvan hij eerst niet wist dat je erin kon verdrinken. Hij deed zichzelf geweld aan, zolang hij daar de kracht voor had tenminste, maar in momenten van zwakte en onvermijdelijkheid leidden zijn voetstappen hem steevast naar de veilige zolderkamer van de neef.

Hij zou er vaker eindigen dan hij in die eerste jaren kon vermoeden. En tot op heden houdt de vraag hem soms bezig of hij zijn jeugdige begeerte zo veelvuldig zou hebben geblust met de naaktheid van dat familielid als hij zich niet louter tot hem veroordeeld wist. Wat als.

Het is lang zo gebleven. Zelfs toen Arezki de deur van zijn huis achter zich dichttrok, bleef die van de zolderkamer van zijn neef op een kier staan. Elke keer als hij militair verlof had of als hij met vakantie kwam van zijn baan in de stad Oran, was hij er.

Arezki zucht. Hij weet niet goed welke plaats hij hem in zijn hart moet geven. Waar de verpleger-anesthesist wel van ondertuigd is, is dat hij niet zijn eerste grote liefde was, want die kwam later pas, op het einde van een legerdienst die had aangevoeld als een ware bevrijding. Het was in het ziekenhuis in Oran, waar hij zijn dienstplicht vervulde, dat Arezki de man van zijn dromen ontmoette: dokter Rahel. Hij had nog maar een paar maanden voor de boeg, maar de arts zorgde er uiteindelijk voor dat hij een vast contract aangeboden kreeg en de stad en de kooi van zijn jeugd achter zich kon laten.

Zijn ouders reageerden heel slecht op het nieuws. Ze konden er niet bij dat hun zoon in een afgelegen stad moest gaan werken, maar Arezki liet zich niet vermurwen. Het was de verliefdheid - het machtigste gevoel dat hij ooit had gekend - die hem de kracht gaf zich te verzetten.

Rahel had zich aanvankelijk even vrij en onbezorgd getoond als de jongen uit de verre hoofdstad. Hij was net uit een mislukt huwelijk ontsnapt en kon rekenen op enig respijt. Maar het was niet meer dan een soort werkpauze tussen de bedrijven van het theater van zijn leven, de tijd die het familiale regieteam nodig had om te bedisselen van waar de nieuwe steractrice moest komen en wanneer ze voor het voetlicht kon treden, zonder dat de duidelijk gekneusde protagonist al te zeer werd gebruskeerd.

Arezki heeft zich later vaak afgevraagd wanneer de tweede akte precies is begonnen. Hij weet het onderhand wel zeker, dat het was toen de bel ging. Rahels moeder stond voor de deur en hij wist dat hij nu de hoofdstedelijke vriend op doorreis moest spelen. Toen hij later aan het fiasco terugdacht, geloofde hij eerst dat het met een gebrek aan oefening te maken had. Maar dat was het niet. Integendeel. Het was zijn liefde voor Rahel die hem noodlottig werd, ze deed Arezki ongewild van zijn tekst afwijken. Zonder dat hij er zelf erg in had, verwisselde hij de hem voorgeschreven rol van sympathieke maar volstrekt onbetrokken logé voor die van de perfecte schoondochter, daarmee zowel zijn tegenspeler als de kritische toeschouwer alarmerend.

Het incident, waar Rahel nog dagenlang over mokte, zou het eerste van vele zijn. De buitenwereld liet zich hoe langer hoe nadrukkelijker gelden, de twee jongemannen steeds vaker dwingend tot acteerprestaties waar ze niet toe in staat waren. Arezki had na enige tijd een vaag voorgevoel dat hij naar de coulissen zou worden verwezen, waarna Rahel tot grote opluchting van het publiek een eervoller volgend bedrijf zou ingaan. Maar zelfs jaren later begreep hij niet waarom hem toen een zo gruwelijk einde werd toebedeeld. Gold het als genoegdoening voor de toeschouwers of louter ter zijner ontmoediging dat de enige man van wie hij ooit echt had gehouden hem al even schaamteloos als herhaaldelijk bedroog, om hem uiteindelijk zelfs zonder veel omhaal aan de deur te zetten?

Na die pijnlijke aftocht heeft Arezki zich maandenlang in het donker van de coulissen bevonden, maar vreemd genoeg waren de kleedkamers die hij uiteindelijk bereikte niet die van het theater, maar van het zwembad. Daar herhaalde de geschiedenis zich, zij het dat hij geen tienerjongen meer was. Hij trof een van zowel zwempak als badmuts ontdane vrouw aan, die al lang geen maagd meer was. En net zoals die eerste keer, jaren geleden, kwam het initiatief veel meer van haar dan van hem. Maar dat deerde de gevallen acteur geenszins.

Arezki voelde op dat moment een oude zinnelijkheid terugkeren. Het leek wel alsof de jaren met de buurjongen en met de dokter wegspoelden in de brede geul van het verleden. Maar wellicht was dat louter omdat hij dat zo graag wilde en omdat de pijn om Rahel het best bestreden kon worden mits een minstens voorlopige ontkenning van zijn homoseksuele gevoelens. Hoewel, hij weet het niet goed. Tot op vandaag houdt Arezki vol dat hij seksueel nooit eerder of later zo is opengebloeid als met de vrijgevochten Khadija.

Nochtans hield hij haar vanaf het begin voor dat ze geen toekomst hadden samen. Het zou een haast profetische waarschuwing blijken, terwijl hij toen niet eens vermoedde hoezeer de oude angsten voor baby's en verantwoordelijkheden hem uiteindelijk weer parten zouden spelen. Dat was later, nadat zijn moeder haar joker had ingezet en hem na talloze vruchteloze smeekbedes om naar huis terug te keren toch tot het onvermijdelijke wist te dwingen. Met haar eigen lichaam als inzet. Ze belde en zei dat ze zich al een tijdje niet lekker voelde en uiteindelijk naar de dokter was gegaan. Kanker, luidde de diagnose, weliswaar in een vroeg stadium. Zijn moeder wilde het Arezki naar eigen zeggen alleen maar laten weten. Hij hoefde zich geen zorgen om haar te maken. Maar alleen een ondankbare, onwaardige zoon zou na zo'n onheilstijding niet meteen naar huis afreizen.

Het is in de virtuele realiteit dat Arezki nieuw geluk vond. In de ontmoeting met een Belg, die met zijn fijnzinnigheid, ruime culturele achtergrond en grote liefde voor literatuur opnieuw alle lichtjes aandeed, in een geest die zich voorgoed uitgedoofd vreesde. Hij wist niet eens, zegt hij nu, dat er zoveel lampjes waren en veel minder nog besefte hij dat dit contact hem zou meevoeren naar het continent dat hij in zijn hart altijd al had bewoond.@QUkop:Fourat (26)

'Ik zal altijd uw zoon zijn'

Het duivelskind. Zo werd Fourat (26) al genoemd toen hij een jaar of acht was. Lang voor het onvermijdelijke gebeurde, was dat, en zijn Tunesische verwanten belden met de ergste verwensingen die hij zich kon voorstellen. Ze hoopten dat deze Berberjongen van de tweede generatie die hun taal niet eens sprak in de hel zou branden en dat hij zou sterven aan die voor zijn soort voorbehouden ziekte. Hij mocht jong creperen, als het even kon toch.

Toen hij klein was, hadden zijn familieleden geen flauw benul van zijn eventuele seksuele voorkeur. Behalve die ene nicht dan, die op een feest ooit zei dat hij van kapper moest veranderen, want dat zijn haren nichterig waren geknipt. Niemand had er verder enige aandacht aan besteed. De jonge vrouw maakte wel vaker grapjes die niet iedereen kon appreciëren.

Fourat had al vroeg door dat er iets niet klopte en het viel hem ook op dat hij veel meer vriendinnetjes had dan vrienden. En toch zou hij als zestienjarige tiener doen zoals de rest en verkering krijgen. Alleen betrapte hij er zichzelf op dat zijn gevoelens niet strookten met haar verwachtingen: in zijn vriendinnetje zag hij het zusje dat hij nooit had gehad, niet het liefje dat hem natte dromen zou bezorgen.

Onbewust wist de tiener het wel, maar het zou een weinig fijnzinnige pedagogische medewerker zijn die het hem op school in het gezicht slingerde: dat er in elke klas wel een homo zat, poneerde de man, en dat hij dat in dit geval was. Het effect van die publieke benoeming was verpletterend: Fourat kreeg koorts en moest dagenlang het bed houden. Hij maakte veelvuldig ruzie met zijn ouders en hoezeer hij ook over zichzelf piekerde, hij kwam er niet uit.

Tot die maandag, herinnert hij zich. Er maakte zich een licht gevoel van hem meester, alsof de oude demonen van angst en gedwongen normaliteit die zo zwaar op hem hadden gewogen, zich uiteindelijk gewonnen gaven. Het besef dat Fourat die dag vervulde, was groter dan hemzelf: het is ongelofelijk, dacht hij, ik ben iemand die verliefd wordt op jongens.

De gewaarwording in de dagen die volgden, had veel weg van een oceaan die in een doos van beton wordt gepropt: golven van bevrijding bonkten vruchteloos tegen muren van vrees. Tegen muren van cultuur ook, want hoe zou Fourat ooit aan zijn ouders moeten vertellen dat hun enige kind dromen had die volgens hun heilige schrift vervloekt waren en dus hoorden te worden uitgebannen?

Hij besloot er voorlopig het zwijgen toe te doen en rekende erop dat de tijd raad zou brengen, maar zo ging het niet. Het was de liefde of beter de verliefdheid, de meest impulsieve van alle adviseurs, die de onderhand bijna achttienjarige Fourat tot daden bewoog.

Hij had een jongen uit Leuven ontmoet, niet zomaar een individu, maar iemand die hem een gevoel gaf waarvan hij eerst niet wist dat het bestond, maar dat hem al gauw precieuzer leek dan alles wat hij ooit had gekend. Zo kwam het dat hij op die bewuste avond bij elven zijn vader en moeder uit bed haalde, omdat hij hen iets belangrijks te zeggen had.

Fourat ziet nog de verbijstering in de ogen van zijn ouders en weet nog steeds niet waarom hij het nodig vond om het drie keer te herhalen. Dat hun zoon homo was. Stilte, en toen barstte de bom. Hij had het zich talloze keren proberen voor te stellen, de tomeloze woede van zijn vader en het stille maar ongemeen diepe verdriet van zijn moeder. Dat hij er zijn geest voor had leeggemaakt, zegt hij. Toen hij de trap naar hun flat op liep, was hij klaar om te incasseren.

Maar het ging geenszins zoals hij had voorzien. Zijn vader verraste hem met een ijzige stilte, terwijl zijn moeder op een nooit eerder geziene manier tegen hem tekeerging. Ze was voor hem naar hier gekomen, hij was het middelpunt van haar leven geweest, vanaf de dag dat hij in haar buik begon te groeien. En nu stak hij haar genadeloos een mes tussen de ribben. Hoe kon ze dat ooit hebben verdiend?

Fourat hoorde zichzelf tevergeefs pleiten. Dat hij altijd hun zoon zou blijven, zei hij, en dat er niets was gewijzigd. Ze leken het niet eens te horen.

Dat veranderde met de woorden van het duivelskind, wiens identiteit niet op de consensus van de gemeenschap was gebouwd, maar op de carthesiaanse gedachte van het individu met zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. Dat ze zich toch niet zouden laten leiden, sneerde de onderhand wanhopige jongen, door wat de anderen erover zouden denken?

Als er één beslissend moment was in deze noodlottige woordenwisseling, dan was het dat wel. Het leek alsof Fourats vader en moeder plots beseften dat hun zoon niet van hen was, maar was voortgebracht door de hen in zekere zin vreemde maatschappij voorbij het vensterraam. Dat hij zijn sleutels op de tafel mocht achterlaten, tierde zijn vader, en dat zijn ouders niets meer met hem te maken wilden hebben. Of toch niet zolang hij zo onvergeeflijk dwaalde.

Toen zijn ze vertrokken, Fourat en de hartsvriendin die hij voor de zekerheid had meegenomen naar deze confrontatie.

Dat het verhaal een dergelijk einde zou krijgen, daar had hij rekening mee gehouden, zegt hij, al viel het hem vooral op hoe groot de kloof schijnbaar altijd gaapt tussen hypothetische situaties en reële. Zijn gevoelens meanderden in de uren en dagen die volgden alle kanten uit. Er waren vlagen van trots omdat hij de ketenen van andermans verwachtingen van zich had afgeworpen en de moed had gevonden om voor zijn eigen overtuigingen op te komen, zelfs als hij daarmee degenen kwetste die hem het naast aan het hart lagen. Maar er waren evengoed overweldigende stromen van verdriet en teleurstelling. Fourat had het gevoel dat hij met de sleutels ook zijn hele jeugd op de tafel had achtergelaten, onzeker of ze hem ooit opnieuw zouden worden aangereikt.

Uiteindelijk stelde zijn Leuvense vriendje voor om daarheen te verhuizen, een aanbod dat Fourat graag aannam. En toch. Hij zegt dat hij de beelden van die rit door Vlaanderen nu nog vaak voor zijn geest ziet passeren. Het is een soort van tragische roadmovie, die zijn leven in tweeën deelde. De toekomst en de vrijheid lonkten, maar dat enthousiasme werd aangevreten door de vrees dat de bulldozer van zijn bekentenis het hele verleden definitief had weggevaagd. De situatie had in minitatuurversie iets van de sfeer die de Romeinse wijsheer Tacitus twee millennia geleden al opriep: 'Ze maken alles met de grond gelijk en noemen dat dan vrede'.

Fourat besefte dat hij een nieuw leven zou moeten opbouwen en dat hij voor die taak eerder slecht was uitgerust. Maar hij was ervan overtuigd dat hogere studies en het stillen van zijn honger naar kennis de fundamenten moesten vormen.

Alleen wist hij toen nog niet welke ontgoocheling hem wachtte. De Vlaamse maatschappij, die hij zo onvoorwaardelijk in zijn hart had gesloten en wier overtuigingen hem naar het verraad van zijn ouders hadden gedreven, liet hem op het moment dat hij haar het meest nodig had, vallen als een steen. Van financiële hulp om verder te kunnen studeren kon geen sprake zijn. Hij moest daarvoor bij zijn ouders terecht, zo oordeelden de bevoegde diensten. En als zij weigerden, kon Fourat hen voor de rechter dagen.

De jongen wist niet wat hij hoorde. Voor hem doemde het beeld op van zijn lieve vader en moeder, twee nagenoeg ongeletterde mensen die hun leven lang hadden geploeterd om hem nooit iets te moeten ontzeggen. Met de uiting van zijn dromen had hij die van hen verwoest, zoveel was wel zeker. Maar nu verlangde men van hem dat hij zijn ouders nog meer te gronde zou richten. Fourat slikte. Hij wist dat hij tot dit nieuwe verraad nooit in staat zou zijn. Daarvoor was hij al te zeer het kind van zijn vader en moeder en van hun cultuur.

Zijn studiedromen strandden tussen de schoendozen van de winkel die hem een slecht betaald baantje aanbood. Hij dwong zichzelf om minstens tijdelijk met een dergelijk bestaan genoegen te nemen. Maar van de centen die hij als verkoper verdiende, viel niets te sparen. Hij zat geprangd tussen maat 36 en maat 46, en dat dreigde eeuwig zo te blijven.

Fourat zegt dat hij heeft volgehouden zolang hij kon, maar dat er uiteindelijk iets is geknakt. Toen waren er alleen nog maar tranen, een stortvloed, die dagenlang aanhield. En het werd erger. Kappen met de job in de schoenwinkel luchtte hem even op, maar iets anders vinden lukte niet. De huishuur bleef onbetaald, de marginaliteit loerde. De jongeman voelde zijn wilskracht wegvloeien, zijn lichaam blokkeerde en toen hij dagenlang niet meer kon eten, eindigde hij in het ziekenhuis. De bodem was bereikt.

Sindsdien gaat het veel beter met hem. Hij vond luisterbereide maatschappelijke assistenten, kreeg uiteindelijk toch het leefloon waar hij recht op had en ving vervolgens de studies aan waar hij altijd van had gedroomd.

Anno 2007 staat hij op het punt om af te studeren. Een half happy end, zo noemt hij het zelf. Met zijn ouders heeft hij opnieuw contact. Ze hadden elkaar vier jaar niet gezien. Fourat sprak met zijn vader en moeder af dat ze het verleden voorlopig zouden laten rusten en zouden genieten van het heden samen. Het was een bitterzoete ervaring. Hij voelde hun afstand en zij vast de zijne, maar hij voelde ook hun liefde. En het is zoals dat Arabische spreekwoord zegt: dat je het speeksel, eenmaal het is uitgespuwd, niet opnieuw in je mond kunt nemen. Maar hiervan is hij minstens overtuigd: dat hij altijd hun zoon zal zijn.@QUkop:Soufain (32)

Een mens wordt hond wordt mens wordt hoer

Voor Soufain, 32 en Marokkaan uit Casablanca, heeft de ontdekking van zijn homoseksualiteit de klank van metaal. Van pijn ook, in herinneringen die zich nog altijd opdringen, hoezeer hij ze ook probeerde uit te vegen. Het eerste beeld gaat terug tot zijn vijftiende en is dat van de familie die verenigd is rond de tafel. De zes kinderen zitten met hun moeder rond schalen couscous, zaalouk, soep, brood, olijven en muntthee. Vader ligt zoals altijd nog in bed, verzonken in de alcoholzwijm die het gezin dagelijks enige uren hoedt voor zijn gebulder.

Soufain kauwt nietsvermoedend op een stuk brood, als de ijzeren pollepel keihard neerkomt op zijn schijnbaar nichterig hangende hand. De schaal met eten naast hem breekt in tweeën en op het tafelkleed vormt zich een almaar groter wordende donkere vlek.

Zijn tien jaar oudere broer Ahmed lijkt het niet te merken. Dat hij ze zal afhakken, raast hij, die handen die zich schijnbaar niet kunnen gedragen en die de familie alleen maar te schande willen maken.

De klank van metaal. Van een pollepel, maar van tralies vooral, van het gevangenisregime waaraan Soufain de volgende negen jaar zal worden onderworpen. Ze zullen hem wel weer op het rechte pad krijgen, als hij dat maar weet.

Voortaan mag de kleine, magere tiener na schooltijd niet meer in de buurt rondhangen en ook op vrije dagen moet hij verplicht binnenblijven. Zijn broer laat niet met zich spotten. Is hij er vijf minuten na het einde van de laatste les niet, dan kan Soufain op klappen rekenen. Er worden geen vragen gesteld. Ahmed weet wat hij ziet en het bevalt hem niet.

Hij had er hem herhaaldelijk mee bedreigd, dat hij hem de les van zijn leven zou leren als hij Soufain ooit met een onbekende zag. Of erger nog, als hij van anderen moest horen dat zijn broertje met tuig omging en zo de reputatie van de familie op het spel zette.

Soufain schudt het hoofd. Hij weet nog altijd niet wie Ahmed toen had ingelicht en wat de strafbare feiten waren die hem ten laste konden worden gelegd. Maar van één ding is hij wel overtuigd: dat het die dag is dat badkamers in zijn hoofd transformeerden tot lugubere plekken, tot oorden van opsluiting, foltering en vernedering. Hij huivert nog altijd als hij die ruilmte van zijn ouderlijke huis in Casa betreedt, zegt hij.

Ahmed stond hem die avond thuis op te wachten met van woede uitpuilende ogen. Hij greep zijn jongere broertje bij de kleren nog voor die zijn schooltas kon neerzetten. De jongen werd naar de badkamer meegesleurd en tegen de muur geslagen.

De beelden in Soufains hoofd zijn vaag. Hij ziet de cementen voegen tussen de witte tegels, de kalkranden rond de afvoer van de douche en de druppels bloed die rondspatten. Dan ongeveer moet hij het bewustzijn verloren hebben, want van het binden van de touwen rond zijn handen en voeten weet hij niets meer.

Als hij bijkomt, voelt hij dat zijn neus en ogen opgezwollen zijn. De deur van de donkere, vochtige kamer is dicht. Op slot wellicht, maar dat kan hij in deze geknevelde toestand niet eens nagaan.

De vaagheid van zijn herinneringen staat haaks op het het gevoel dat Soufain aan die pijnlijke episode overhoudt. Het is daar, zegt hij, dat hij geweten heeft wat het is om een hond te zijn, een dier dat vaak wordt geschopt en nooit geaaid.

Beul Ahmed laat zijn broertje vijftien dagen lang op de badkamervloer liggen. De deur zit met een hangslot vast en alleen hij heeft de sleutel. Zijn moeder komt elke avond even binnen. Ze zet een bord met eten in de hoek en draait zich meteen weer om. De jonge gevangene probeert in die eerste dagen nog om het woord tot haar te richten. Maar ze antwoordt niet, zelfs zijn tranen laten haar schijnbaar onberoerd.

In de jaren die volgen, gaat het hangslot nog talloze keren op de badkamerdeur. Gedurende halve dagen en soms hele, maar nooit meer wekenlang. Maar voor Soufain maakt het weinig uit: de hond die hij onderhand is geworden, hokt er permanent en hij vraagt zich al lang niet meer af waarom de meester straft.

Soufain sloot zich almaar vaker in zichzelf op. Hij haatte het zonlicht en de mensen en vroeg zich niet zelden af waarom hij leefde. Het enige wat hem overeind hield, waren zijn universitaire studies, of beter, de vrienden die hij op de campus ontmoette. Ze hebben zijn leven gered, daar is hij nu wel zeker van.

Hij wil het over Fouad hebben, zijn redder, de liefde van zijn leven, die hij in het laatste jaar aan de universiteit ontmoette. Hij is het immers die de hond weer in een mens veranderde. Maar dat was later.

De twee jongemannen waren even oud en in dezelfde stad opgegroeid, maar in volstrekt verschillende werelden. Soufain kwam uit de lagere middenklasse, terwijl de familie van Fouad tot de elite behoorde. Zijn ouders namen hem als klein jongetje al mee naar Frankrijk en hij sprak over Europa als was het zijn tweede vaderland.

Dat de stilte het beste wapen tegen imbecielen is, probeerde hij Soufain vruchteloos bij te brengen, en dat hij het hoofd hoog moest houden. Alleen in de Arabische wereld worden homo's beschimpt en vernederd, in Europa leven ze vrij en onbezorgd.

Fouad zou hem er zelf heenbrengen, zei hij op de dag dat ze hun diploma haalden. Als Soufain hem zijn paspoort bezorgde, stond hij in voor al de rest. Zijn vader wist niet waar hij het had. Dat hij als een vrouw was, schimpte hij, en dus tot niets in staat. Hij reduceerde het plan van zijn zoon tot loutere geldverspilling en waarschuwde hem dat hij niet berooid hoefde terug te keren. "Een zoon als jij ben ik liever kwijt dan rijk."

In september zijn ze uiteindelijk vertrokken. Van de vlucht herinnert Soufain zich nog maar weinig, maar de eerste nacht in Parijs is in zijn geheugen gebrand. Vierentwintig was hij, en voor het eerst in zijn leven lag hij naakt met zijn geliefde in bed. Hij denkt ook nu nog vaak aan die weken in Parijs. Aan de straten en de monumenten, maar bovenal aan wat Fouad hem over de liefde leerde. Zelf kende hij dat gevoel immers alleen van de televisie. Hij was ervan overtuigd dat het louter iets voor mensen met eigen flats en auto's was, het voorrecht van zij die met hun geld een bres konden opwerpen tegen de ongenadige buitenwereld. En misschien is dat ook zo, Soufain weet het nog altijd niet zeker. Maar hij is Fouad dankbaar dat hij hem er deelachtig van heeft gemaakt en de herinnering daaraan kan niemand hem ooit ontnemen.

Na drie weken scheidden hun wegen. Fouad ging nog vrienden in Italië bezoeken vooraleer hij naar Casa terugkeerde, terwijl Soufain een nieuw bestaan zou opbouwen in Europa. Maar eerst wilde Soufain nog zijn naar Hamburg uitgeweken jeugdvriend bezoeken. Het is die trip die hem uiteindelijk in Brussel deed stranden.

De bus hield op de terugweg even halt aan het Zuidstation. Soufain dacht dat er tijd genoeg was om een koffie te drinken, maar toen hij terugkeerde naar de plaats waar hij was uitgestapt, bleek de bus al vertrokken.

Na een week of drie ontmoette hij een Portugese onderdirecteur van een bank. Ze hebben negen maanden samengewoond, maar de man deed Soufain aan Ahmed denken. Het kwam door zijn wantrouwige natuur en zijn obsessie voor stiptheid. Als hij Soufain belde met de mededeling dat hij naar huis kwam, had de jongeman een halfuur de tijd om daar zelf ook op te dagen. Kwam hij te laat, dan wachtte zijn rugzak aan de deur en kon hij minstens die avond op straat doorbrengen. Maar veel erger nog dan het vooruitzicht van de ellendige winternacht, was het gevoel dat zich op die momenten meester van hem maakte. Hij zag zichzelf opnieuw in een hond veranderen en voor zijn geest doemde het gezicht van zijn broer, de beul, op.

Hij kon er op een bepaald moment niet meer tegen en besloot om koste wat het kost zelf een appartement te huren. En het was een Arabische jongen van zijn leeftijd die hij enige maanden eerder had leren kennen, die hem toonde hoe hij aan geld moest komen.

Twee jaar lang verdiende Soufain zijn brood als illegale homohoer die dagelijks vijf à zes klanten afwerkte. "In het begin", schampert hij, "vond ik zelfs dat ik geluk had: de meeste mannen die voor mijn diensten betaalden, waren opvallend hoog opgeleid. Ik ontmoette journalisten, dokters, senatoren en lieden die voor de Europese Commissie werkten. Kortom, mensen die in mijn geboorteland nooit het woord tot me zouden willen richten." Maar die gedachte verloor al gauw haar troostende uitwerking. Fundamenteel, wist Soufain, deed het er niet toe of deze mannen straatveger dan wel minister waren, ze kwamen alleen naar hem omdat ze een hoer wilden en hij beschikbaar was.

Soufain zag ondertussen hoe zijn nieuwe leven hem veranderde. Hoe vluchtig het werk en de centen ook waren, hij kreeg het gevoel dat er zich iets permanents in zijn ziel aan het vasthaken was en dat hij de schaduw van de schande zijn hele leven zou moeten torsen als hij zijn bestaan niet snel een andere wending kon geven. Hij zag het vooral in de ogen van de anderen, in die van de mannen die hij op vrije avonden in cafés ontmoette. Eerst vonden ze hem aardig. Hij maakte zich soms zelfs illusies over ontluikende vriendschap, maar toen ze erachter kwamen waarvan hij leefde, haakten ze steevast af. De jongen die ze daarnet nog knap, interessant en grappig hadden gevonden, bleek overdag een hoer en was dus volstrekt te mijden.

zouden worden aangereiktBeul Ahmed laat zijn broertje vijftien dagen lang op de badkamervloer liggen.

De deur zit met een hangslot vast en hij alleen heeft de sleutel

Met dank aan CAW-Mozaïek en Merhaba.

De foto's van Emmanuel Guillaud komen uit de serie 'Until the Sun Rises', die op het Fotografiefestival in Arles zullen worden getoond.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234