Zaterdag 16/01/2021

Vergeten geschiedenis

De plicht van het verleden

Als kleinzoon van Arthur Vanderpoorten, die aan tyfus bezweek in Bergen-Belsen, wil minister-president Patrick Dewael de getuigenis over de holocaust voortzetten. Een exclusieve voorpublicatie uit zijn boek 'Dit is een mens', een pleidooi tegen extremisme en voor wederzijds respect.

Patrick Dewael

illustratie jan vanriet

Wie kent in Vlaanderen Primo Levi? Een grote minderheid. Primo Levi was een van de overlevenden van het vernietigingskamp van Auschwitz. Deze Italiaanse jood schreef zijn kampervaringen neer in beklijvende boeken. Hij poogt eerlijk te oordelen over wat hij in het Lager en op zijn zwerftocht door het Oost-Europa van na de bevrijding heeft meegemaakt, zonder franje maar ook zonder wraakgevoelens. Hij gaat op zoek naar een verklaring voor het gedrag van de SS'ers, de gevangenen die als kampbewakers optraden, de medegevangenen, zij die kwamen te sterven en zij die de shoah overleefden.

Hij zorgde voor controverse met zijn stelling dat de echte slachtoffers van de holocaust de kampen niet hebben overleefd. De overlevenden namen volgens Levi in veel gevallen hun toevlucht tot listen en lagen, misdaden, leugens en verraad, ofwel hadden ze ongelooflijk veel geluk. Levi zelf overleefde dankzij zijn vorming als scheikundige, waardoor hij in een laboratorium tewerkgesteld werd. Van daaruit kon hij van alles organiseren, versjacheren en ritselen. Levi beschrijft hoe de bewoners van het Lager tot dierlijke instincten werden gedwongen door het gruwelijke systeem dat erop was gericht de mens te ontmenselijken.

De boeken van Primo Levi behoren nog om een andere dan een historische reden tot de indrukwekkendste geschriften uit de vorige eeuw. Ze vertellen ons ook ontzettend veel over het zoogdier 'mens'. Hoe laag de mens kan zakken. Hoe mensen erin slagen om zonder verpinken, zonder schuldgevoel of gêne, andere mensen te behandelen als vuil, als minder dan dieren. Hoe gewone mensen als helpers in een onmenselijk systeem kunnen meedraaien zonder in opstand te komen, zelfs zonder zich gewetensvragen te stellen. Hoe grote verantwoordelijken van het nazi-regime zichzelf hebben kunnen blijven voorhouden dat ze recht in hun schoenen stonden en deden wat ze moesten doen. Zoals Heinrich Himmler, het hoofd van de SS, die in 1943 in het Poolse Poznan zijn staf als volgt toesprak: "We elimineren het joodse volk, en toch zijn we fatsoenlijke mensen gebleven."

In zijn essay 'Nazi's waren ook gewoon mensen' (Vrij Nederland, 5/5/2001) stelt de Nederlandse schrijver Arnon Grunberg dat de neiging om de misdadigers uit het Derde Rijk af te schilderen als een soort buitenaardse wezens die in niets meer op ons gelijken en wier keuzen dus ook volstrekt onbegrijpelijk zijn, ronduit gevaarlijk is. "De ontmenselijking van de daders van het Derde Rijk laat ons achter met een gevoel waarmee dat duizendjarige rijk ons nou net niet mag achterlaten: een geruststellend gevoel. Het waren beesten. Het waren nazi's. Het waren domoren. Het waren meelopers. Het waren mensen zonder humor. Het waren Duitse criminelen."

Grunberg merkt op dat de nazi's de wet niet overtraden, "zij waren de wet. Zij plaatsten zich niet buiten de maatschappij, zij waren de maatschappij". Grunberg wijst erop dat de Duitse rechters die eerst in naam van Hitler rechtspraken, na de oorlog rechtspraken in naam van de Bondsrepubliek Duitsland. "En ze hebben nooit meer een echt misdadig oordeel geveld. (...) Van het ene moment op het andere waren ze keurige democraten." Voor talloze andere beroepscategorieën geldt hetzelfde.

"Mensen zijn gemakkelijker te temmen dan een wild paard en als je ze eenmaal hebt getemd, kun je ze alles laten doen", zegt de Nederlander. "Als een aanzienlijke meerderheid zestig jaar geleden niet in staat was de juiste morele keuze te vellen, hoe kunnen we denken dat ze dat nu wel zouden doen? Zijn de mensen veranderd? Ik heb er niets van gemerkt."

Jean Améry werd in Breendonk gefolterd en overleefde Auschwitz. Ook hij hield aan zijn ervaring een erg negatief beeld van de mens over: "Dat de medemens als tegenmens wordt ervaren, staat als een hoge muur van verschrikking in de gefolterde overeind; daar kan niemand overheen kijken naar een wereld waarin de hoop regeert."

Het regime dat begon met het verbranden van boeken en eindigde met het verbranden van mensen ligt straks zestig jaar achter ons. Uit boeken en getuigenissen zoals die van Levi en Améry blijkt dat het niet geheel onmogelijk is dat zulke regimes opnieuw aan de macht komen.

Het erg pessimistische mensbeeld van veel holocaustoverlevenden is begrijpelijk. Maar we mogen op basis van hun ervaringen de toekomst ook niet te zwart inzien. We moeten beseffen dat het niet geheel onmogelijk is dat totalitaire regimes opnieuw aan de macht komen. Maar we moeten ook weten dat dit tegelijk niet evident is: de democratie is een sterk wapen tegen de dictatuur. Daarom moeten we erover waken dat we de waarden van de democratie niet voor vanzelfsprekend aannemen.

"Democratie is het enige politieke stelsel waar het humanisme wordt gewaarborgd", stelde György Konrad, de winnaar van de Europese Karel De Grote-prijs, in De Groene Amsterdammer (19 mei 2001). "Zonder constitutionele democratie bestaat er geen vrijheid, rechtszekerheid en geciviliseerde omgang tussen burgers onderling." Vooral het principe van het wederzijds respect is daarbij van belang: een ander is binnen een democratie gelijk aan jezelf. "In zoverre is de ander onschendbaar. Mensen moeten elkaars speciale eigenschappen en kwaliteiten respecteren."

Voor die waarden van de democratie moeten we bereid zijn om te vechten. Dat "vele mensen perfect nazi's kunnen worden", zoals Stephan Lebert stelde, de coauteur van het boek Mijn vader was een nazi, is wellicht juist. Maar even juist is de historische waarheid van het omgekeerde: vele nazi's kunnen democraten worden, zoals veel 'nazi-rechters' in Duitsland hebben bewezen.

Volgens Lebert, die ging praten met de kinderen van topnazi's als Rudolf Hess, Martin Bormann, Heinrich Himmler, Hermann Göring en Baldur von Schirach, moet de verwerking van de Hitlertijd in Duitsland nog beginnen.

En niet alleen in Duitsland. Ook in Nederland. Daar woedde enkele maanden geleden een emotioneel debat over het boek Grijs verleden van Chris van der Heijden. De centrale stelling van de auteur, de zoon van een oostfrontvrijwilliger, is dat de meerderheid van de Nederlanders tijdens de oorlog van alles maar een beetje was, blind was voor de loop van de geschiedenis en vooral op behoud van eigen lijf en goed was gericht. Nederland als een land van vooral grijze mussen dus. Dat klopt wellicht. En bij ons was het niet anders.

Maar, zo merkt de schrijver Hans Maarten van den Brink op (Vrij Nederland, 5/5/2001), dat betekent niet dat je "de grijze deken waaronder een groot deel van de bevolking zich verschuilt", ook mag laten neerdalen over de minderheid: zij die wél kleur hebben bekend of daartoe werden gedwongen. Het klopt niet dat omstandigheden de mens máken. Omstandigheden beïnvloeden de mens wel. En vaak is de mens niet of niet helemaal tegen die invloed opgewassen.

Dat is bijvoorbeeld wat Oswald Van Ooteghem, een Vlaamse oostfrontvrijwilliger die later nog senator werd voor de VU, is overkomen: "Ik was de zoon van Herman Van Ooteghem", vertelde hij aan Knack (16/5/2001), "militant VNV'er, vriend van de familie Daels, mijn oorlogspeter en van VNV-leider Staf De Clercq. Mijn vader leidde de Werfbrigade, de militie van het VNV; mijn moeder was een leidster van de Vlaams Nationale Meisjesbond. Vanaf mijn zesde was ik lid van de Blauwvoetvendels. In die kringen gold de regel: de leider beveelt en je gaat. En de oproep van Reimond Tollenaere luidde woordelijk: 'Naar het oostfront gaan om voor Vlaanderen een gelijkberechtigde plaats te verwerven in het nieuwe Europa' - dat willen we nog altijd: als Vlamingen een plaats verwerven binnen Europa.

"De oproep van Tollenaere, gesteund door Frans Daels, zette mij in vuur en vlam. Bij mijn aanmelding voor het oostfront op 1 augustus 1941 was ik zestien. Toen ik veertien dagen later in Polen arriveerde, was ik net zeventien geworden. Meteen werden we geconfronteerd met het Duitse bedrog. Ik had me gemeld voor het Vlaams Legioen. Maar ter bestemming bleken de Duitsers niets af te weten van een Vlaams Legioen. Het was duidelijk dat ze ons slechts als kanonnenvlees beschouwden. Kanonnenvlees in ruil voor politieke macht die de Duitsers het VNV voorspiegelden."

Het hedendaagse oordeel over veel meelopers die tijdens de Tweede Wereldoorlog, op een ogenblik dat Auschwitz nog onbekend was, een vrijwillige keuze hebben gemaakt die de rest van hun leven heeft bepaald, kan hen weinig meer verwijten dan een ideologische kortsluiting en een daaropvolgende verblinding. Die verblinding, stelt de Nederlandse professor Herman von der Dunk, "delen ze met veel idealistische communisten, die alleen het grote voordeel hadden en hebben dat Nederland het slachtoffer van Hitler en niet van Stalin werd" (Vrij Nederland, 12/5/2001). In de onthullende tv-documentaire Les heures noires du stalinisme werd onomwonden geponeerd dat het stalinisme zowat het moorddadigste regime uit de geschiedenis van de mensheid moet zijn geweest.

Nog niet zo lang geleden werd Vlaanderen opgeschrikt door het proefschrift van Lieven Saerens over de joodse gemeenschap in Antwerpen. Er kwamen enkele pijnlijke vaststellingen aan het licht over de deportatie van joden in de metropool tijdens de bezetting. Van de door de Duitsers geregistreerde joden in België werd 42 procent gedeporteerd. In Nederland werd 70 tot 75 procent van de joden gedeporteerd, in Frankrijk 25 tot 30 procent. In de grote steden Brussel, Luik en Charleroi bedroeg het percentage gedeporteerde joden respectievelijk 37, 35 en 42. In Antwerpen werd minstens 65 procent het slachtoffer van de Endlösung. Antwerpen benadert dus het erg hoge Nederlandse cijfer.

Hoe kwam dat? Saerens legde bloot dat het "niet zozeer de fanatici - de jodenjagers, de collaborateurs - waren die uiteindelijk de doorslag gaven in het hoge Antwerpse deportatiecijfer. Belangrijker was de houding van de omstanders en meer bepaald die van de Antwerpse beleidsverantwoordelijken. Vanuit beleidsmatig oogpunt kan niet naast de medewerking van het Antwerpse provincie- en stadsbestuur, de plaatselijke administratie, ordehandhavers, gerechtelijke instanties en de advocatuur worden gekeken. Die instanties ontwikkelden weliswaar geen persoonlijke initiatieven, maar voerden de Duitse anti-joodse verordeningen en opdrachten steeds loyaal uit. Alle beweerden te handelen in naam van de 'politiek van het minste kwaad', of onder Duitse druk. In de praktijk ging de 'politiek van het minste kwaad' in Antwerpen echter veel verder dan in de rest van België. In het Antwerpse konden de Duitsers zich haast alles permitteren. Dat er helemaal geen mogelijkheid tot (passief) verzet bestond, is onjuist."

Die en soortgelijke feiten zijn te weinig bekend in Vlaanderen. Het gaat nochtans om essentiële elementen uit onze eigen geschiedenis, van nog geen zestig jaar geleden. Daarom moeten we in het onderwijs meer aandacht besteden aan geschiedenis: wanneer je een beter zicht krijgt op de omstandigheden en de motivaties die mensen tot beslissingen brachten, kan er ook wat meer begrip groeien voor emoties die tot vandaag worden gevoed en kunnen oplaaien.

Dat begrip voor de omstandigheden, voor de ideologische kortsluiting en de daaropvolgende verblinding, ontslaat eenieder nog niet van zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. "Tragisch is het dat we de omstandigheden waarin we geboren worden niet voor het kiezen hebben en dat dat toch geen excuus is", schreef Hans Maarten van den Brink over het Nederlandse oorlogsverleden. "Dat we wel degelijk verantwoordelijk zijn voor onze keuzen, ook als we de gevolgen niet altijd kunnen voorzien."

Of zoals Hermann von der Dunk het stelde: "Het maakt nog altijd een klein verschil of men bij een mensenjacht angstig de andere kant opkijkt (de neiging van de meesten waarschijnlijk overal) of meejaagt. Men kan de omstandigheden veel, maar niet alles in de schoenen schuiven." Want hoewel de meeste mensen zich als grijze mussen gedragen, zijn er anderen die het niet doen. Duizenden mensen, in Nederland en in België, hebben joden geholpen of gevaarlijke verzetsdaden gepleegd. Zij stelden daarbij zichzelf en hun familie bewust bloot aan represailles, arrestatie en kamp. "Weet iedereen", vraagt Von der Dunk zich af, "joods of niet-joods, die dat blijkbaar normaal vindt, dat hij zelf voor opgejaagden dat risico zou nemen? Vluchtelingenhulp en strijd voor mensenrechten vandaag vanuit Nederland zijn heel wat minder gevaarlijk!"

Meer kennis en meer begrip voor de omstandigheden en de motivaties van wie zich niet in het kamp van de grijze mussen bevond, kan wél leiden tot meer wederzijds respect en tot verzoening. Op 11 juli 2001 reikte ik de Prijs van de Vlaamse regering uit aan de groep Voorwaarts. Het is de prikkel die de Vlaamse regering geeft aan het zwarte en het witte kamp om elkaar de hand te reiken. De groep Voorwaarts bestaat uit een twintigtal intellectuelen van verschillende ideologische gezindten. De gewezen hoofdredacteur van de communistische De Rode Vaan, Jan De Brouwere, en de zoon van een notoir Devlag-collaborateur, historicus Frans-Jos Verdoodt, leiden deze groep. Ze hebben na maandenlange gesprekken een tekst opgesteld die een aanzet vormt om rechtvaardig te oordelen over de repressie en de collaboratie.

De tekst heeft een subtiel evenwicht gevonden. De ondertekenaars veroordelen de collaboratie als "een zware fout, los van de discussie of zij nu werd begaan uit fascistische overtuiging, misbegrepen nationalisme of opportunisme". Ze brengen begrip op voor "een vorm van repressie, wegens het lijden van velen, veroorzaakt door bezetting, deportatie en moord. Maar in te veel gevallen ontaardde de reactie in een wraakoefening tegen elke vorm van Vlaamsgezindheid".

De Voorwaarts-groep vindt dat niemand voor het oorlogsverleden uit de gemeenschap mag worden gesloten. "Dat noemen wij elementaire, toekomstgerichte rechtvaardigheid. Het gaat erom een morele last af te schudden die nog steeds politiek wordt misbruikt. Ons engagement voor een democratisch Vlaanderen veronderstelt uiterste waakzaamheid, zeker ten opzichte van diegenen die opnieuw een Vlaanderen aanprijzen waarin onder het motto 'Eigen volk eerst' humane en democratische verworvenheden worden weggezuiverd. Tegen hun Vlaanderen verzetten wij ons."

De groep besluit: "Een ongenuanceerde en ongedifferentieerde benadering van de collaboratie in Vlaanderen door haar reductie tot één schuldig fascistisch complot, dient vandaag enkel de zaak van extreem-rechts."

Daarom zijn het historisch onderzoek en de kennis van onze geschiedenis ook vandaag nog zo belangrijk.

Heel wat overlevenden van de holocaust herinneren zich hoe de SS'ers er plezier in hadden om hun gevangen cynisch voor te houden wat Simon Wiesenthal hen in Moordenaars onder ons als volgt toeschrijft: "Hoe deze oorlog ook afloopt, de oorlog tegen jullie hebben wij gewonnen; niemand van jullie zal overblijven om te getuigen, en ook al zou er iemand ontkomen, dan nog zal de wereld hem niet geloven. Er zullen misschien twijfels zijn, discussies, naspeuringen van historici, maar er zal geen zekerheid zijn, omdat wij tegelijk met jullie de bewijzen zullen vernietigen. En ook al zou er ergens een bewijs overblijven, dan nog zullen de mensen zeggen dat de dingen die jullie vertellen, te monsterlijk zijn om geloofd te kunnen worden; ze zullen zeggen dat het overdrijvingen zijn van de geallieerde propaganda; ze zullen ons geloven, die alles zullen ontkennen, en jullie niet. De geschiedenis van de concentratiekampen zal door ons geschreven worden."

Om dat te verhinderen hebben we getuigenissen nodig. De miljoenen doden hebben daar recht op. Vanuit de Mechelse Dossinkazerne werden 25.475 joden en 351 zigeuners naar de uitroeiingskampen gedeporteerd. Amper 1.335 mensen hebben die deportatie overleefd. Vanwege hun politieke en verzetsactiviteiten hebben tijdens de bezetting ook meer dan honderd Belgische liberale mandatarissen en leiders, Vlamingen en Walen, de dood gevonden. Onder hen mijn grootvader Arthur Vanderpoorten. Omdat zijn persoonlijke geschiedenis ook mij heeft getekend, en mijn nicht en collega Marleen, is het in dit boek gepast kort in te gaan op de geschiedenis van zijn laatste levensjaren.

Arthur Vanderpoorten was een Vlaamsgezinde liberaal. In zijn publicatie Het zomert in Vlaanderen uit 1937 verdedigt hij de rechten van Vlaanderen binnen België en pleit hij voor culturele autonomie. In het nog streng katholieke en autoritaire Vlaanderen van toen beklijft een uitspraak van mijn grootvader uit '37 tot vandaag in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging: "Een ultramontaansch of een Hitleriaansch Vlaamsch Vlaanderen schrikt ons evenzeer af als een franskiljonsch België." In het licht van wat komen zou, klinkt de afkeer van het Hitleriaansch Vlaanderen als een schromelijke onderschatting.

Op 18 april 1939 wordt mijn grootvader minister van Openbare Werken in de rooms-blauwe regering-Hubert Pierlot. Bij de hervorming van die coalitie in januari '40 volgt Vanderpoorten Albert Devèze op als minister van Binnenlandse Zaken. Op 10 mei 1940, nog herstellend van een operatie, woonde Vanderpoorten de zitting van de Senaat bij die de Duitse inval veroordeelde. Zes dagen later ging hij naar Oostende. Met zijn collega's Denis, Pierlot en Spaak bleef hij tot 25 mei bij koning Leopold III in het kasteel van Wijnendale. Via Duinkerken vaart hij naar Londen voor besprekingen en keert op 28 mei per vliegtuig terug naar het Franse Le Bourget. Die dag capituleert België voor de Duitse overmacht.

Mijn grootvader vat een zwerftocht aan van Limoges naar Poitiers, waar hij zijn departement opnieuw moet inrichten, naar Bordeaux, Bergerac en La Monzie. Als minister van Binnenlandse Zaken is hij verantwoordelijk voor de opvang en begeleiding van de honderdduizenden vluchtelingen uit België. Met het vertrek van minister Jaspar naar Londen krijgt Vanderpoorten er ook de bevoegdheid over Volksgezondheid bij. De Fransen maken hem het werk niet gemakkelijk. Ook in Frankrijk is het oorlog en zijn er Fransen op de vlucht. Hij organiseert toch een 'dienst der repatriëring'.

Vanderpoorten voegt zich bij de andere leden van de Belgische regering te Vichy. De terugkeer naar België wordt hem ontzegd. Hij beslist zijn vrouw en kinderen niet te laten overkomen. Hij zal zijn echtgenote nog terugzien, maar zijn kinderen niet meer. De Belgische ministers blijven tot oktober '40 in Vichy. Dan vertrekt hij met de ministers Matagne, Deschryver en d'Aspremont-Linden naar Pont de Claix, in de Isère bij Grenoble.

De Duitse bezetting van Frankrijk heeft ook gevolgen voor de relaties van de Franse autoriteiten met de Belgische bannelingen. Mijn grootvader krijgt een résidence forcée, een gedwongen verblijf, toegewezen. In juni 1942 krijgt hij voor enkele weken het bezoek van zijn vrouw.

Op 11 november 1942 bezetten de Duitsers geheel Frankrijk. De strop rond Vanderpoorten wordt aangehaald. Twee maanden lang wordt de Belgische minister in de gaten gehouden. Op 4 januari 1943 wordt hij aangehouden, onder andere wegens hulp aan Belgen die naar Engeland wilden vluchten.

In zijn donkergroene bergpak, met pofbroek en lederen vest en met een rugzak op de rug, reist hij via Lyon naar de gevangenis voor politieke misdadigers in Fresnes bij Parijs. Hij schenkt er een paar schoenen weg aan een Poolse gevangene.

Op 10 juli krijgt hij het laatste bezoek van mijn grootmoeder. Ze had wekenlang moeten antichambreren, bidden en smeken om hem te zien te krijgen. Ze kreeg officieel vijftien minuten de tijd voor het bezoek. Er komen uiteindelijk nog tien minuten bij. Mijn grootvader mocht haar zelfs door de tralies een laatste keer omhelzen.

Op 20 september 1943 komen in de echtelijke woning te Lier de pakjes van het Rode Kruis terug. Arthur Vanderpoorten bleek op 1 september van Fresnes op transport geplaatst naar Duitsland. Zijn konvooi komt terecht in de concentratiekampen van Buchenwald en Oranienburg. Vanderpoorten belandt in Sachsenhausen bij Berlijn. Hij wordt er nummer 71.693.

Wanneer de familie in maart '44 achterhaalt waar grootvader gevangen wordt gehouden, stuurt ze hem een pakje op. Daarop zetten de Duitsers hem op transport naar het kamp Natzweiler. Maar de trein wordt gebombardeerd. Na een dodelijk vermoeiende treinreis keert hij terug naar Sachsenhausen.

Op 11 februari 1945 wordt het kamp Sachsenhausen geëvacueerd. Het eindstation van de trein met beestenwagons is ook het eindstation voor mijn grootvader: Bergen-Belsen. Totaal verzwakt komt het transport aan. Vanderpoorten lijdt aan dysenterie. Even knapt hij weer op. Hij krijgt de taak van portier in het hospitaal toegewezen. Maar tegen de tyfus die daar uitbreekt, is grootvader niet meer bestand. Na vier dagen hoge koorts sterft hij, zeven maanden na de bevrijding van Lier. "Daar ligt een mensch", schrijft Karel Jonckheere in zijn Hulde aan minister A. Vanderpoorten in Neohumanisme (juni 1945), "die den adem van de bevrijding reeds over zijn verhit gezicht voelt gaan en hij kan niet meer, zijn uur is gekomen; hoe wreed en spijtig." Twaalf dagen later bevrijden de Amerikanen Bergen-Belsen.

Mijn grootvader is een van de miljoenen die de kampen van de nazi's niet heeft overleefd. Omdat hij Belgisch minister, vooraanstaand liberaal en overtuigd Vlaming was, is hij, in tegenstelling tot de meesten, niet in alle stilte verdwenen als slachtoffer van het nazi-regime.

Totnogtoe sprak ik zelden of nooit in het openbaar over mijn grootvader. Een van de eerste keren dat ik dat wel deed, moet in februari '94 zijn geweest. Het was in mijn toespraak als fractieleider van de VLD in de Kamer, tijdens het debat over de oproep van wijlen koning Boudewijn tot verzoening. Ik verzette me tegen amnestie maar schaarde me achter het idee van verzoening, of minstens van wederzijds begrip, aan beide kanten van de oorlogsbarrière.

Ik zei bij die gelegenheid ook dat het onze taak is om zorgvuldig de feiten en gebeurtenissen van vroeger in de herinnering levend te houden en door te geven aan de volgende generaties. "Het is onze taak om de boodschap van de laatste getuigen te onthouden en te verspreiden in scholen en jeugdbewegingen", zei ik.

Luckas Vander Taelen realiseerde zijn indrukwekkende televisiereeks De Laatste Getuigen in 1991. Ik heb de videotapes van die reeks onlangs nog bekeken. Ze zijn en blijven brandend actueel. Dertien landgenoten en een Fransman deden het relaas van hun lijdensweg door het inferno van de kampen. Nu, tien jaar later, zijn er nog slechts zes van hen in leven. Een van de 'jongste' overlevenden, mijnheer Nathan Ramet, begeleidde me in het voorjaar door The Holocaust Exhibition in het Britse Imperial War Museum in Londen. Op een serene, bijna sacrale wijze gaf hij me uitleg bij de foto's, kaarten en beelden. In de voorlaatste zaal lagen dagboeken, foto's en voorwerpen van de slachtoffers in het kamp Bergen-Belsen. Daar besefte ik dat ik als kleinzoon, als vader, als politiek verantwoordelijke, als mens de plicht had om de taak van de laatste getuigen over te nemen.

Binnen enkele jaren zijn er geen rechtstreekse getuigen van de holocaust meer in leven. Het is niet helemaal uitgesloten dat revisionisme en negationisme, of gewoon onverschilligheid, het collectief geheugen van de mensen zullen aantasten en de herinnering aan vroeger stilaan maar zeker zullen uitdoven.

Nu ik de woorden die ik in '94 uitsprak herlees, ben ik er meer dan ooit van overtuigd dat we onze pijlen vooral op de jeugd moeten richten. Veel jongeren voelen zich aangesproken door een simplistische voorstelling van zaken, voor trends met een racistische ondertoon. Het Vlaams Blok is een partij die proportioneel erg veel succes heeft bij de jongste kiezers.

In de jongerencultuur ontwikkelt zich een alternatieve scène waarin racisme de boventoon voert. Leden van sommige hardrockbands brengen de Hitlergroet en dagen de toeschouwers uit hetzelfde te doen. Er worden racistische videospelletjes op de markt gebracht met titels als 'Concentration Camp Manager', 'Total Auschwitz' of 'Turk Villa', die vooral verdeeld worden in Oostenrijk, Duitsland en Zweden. Sommige van die 'spelletjes' stellen de Turken voor als gevaarlijke niet-arische mensen die de samenleving aantasten. Ze bevatten boodschappen als 'Play in Treblinka', 'Clean society of all parasites'. Tijdens de Vlaams Blok-mars op 1 mei van dit jaar in Mechelen scandeerden de jonge Blok-skins "Islamieten, parasieten". Bij die videospelletjes heb je gewonnen, "wanneer het gas zijn werk heeft gedaan". De spelers verdienen punten door het neerknallen van joden, homoseksuelen, Turken en ecologisten.

Ik kan niet geloven dat jongeren uit overtuiging zulke spelletjes spelen of zulke ideeën genegen zijn. Het is onwetendheid en onverschilligheid. Daarom moeten wij nu van de laatste getuigen het roer overnemen. We moeten de boodschap voor vrede en verdraagzaamheid en tegen elke vorm van extremisme, racisme en intolerantie verder uitdragen.

Dat is de reden waarom we in Mechelen een Holocaustmuseum willen bouwen. Omdat miljoenen joden en vele tienduizenden zigeuners, homoseksuelen, getuigen van Jehova, gehandicapten en andersdenkenden ten prooi vielen aan de nazistische waanzin. Omdat daarnaast nog eens tientallen miljoenen mensen, soldaten en gewone burgers werden gedood vanwege de machtshonger van de nazi's.

In zijn boek De moderne tijd en de holocaust stelt de Pools-Britse socioloog Zygmont Bauman dat de holocaust geen afgesloten periode is maar een venster dat uitzicht biedt op de onderstromen van onze westerse beschaving. "Hoe deprimerend dat uitzicht ook is, het is van het grootste belang om te kijken. Niet alleen voor de daders, slachtoffers en getuigen van deze misdaad, maar voor iedereen die vandaag leeft en morgen hoopt te leven."

In een toespraak in mei van dit jaar, ter gelegenheid van de Nationale Herdenking, motiveerde de Nederlandse schrijfster Jessica Durlacher, de dochter van een Auschwitz-overlevende, het waarom van haar getuigenis als volgt: "Ik weet zeker: niet om hel en verdoemenis te preken, en iedereen van zijn hoop te beroven en ongelukkig te maken. Maar omdat wat er is gebeurd nu eenmaal echt gebeurd is. Omdat vertellen het minste is wat je voor de doden kunt doen. Omdat mensen van het kwaad moeten weten om het goede te kunnen onderscheiden."

'Ik kan niet geloven dat jongeren uit overtuiging racistische spelletjes spelen of racistische ideeën genegen zijn. Het is onwetendheid en onverschilligheid. Daarom moeten wij nu van de laatste getuigen het roer overnemen'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234