Zaterdag 16/10/2021

InterviewArthur Van Doren en Vincent Vanasch

‘Vergeleken worden met Messi: het doet me niet veel’

null Beeld Sigfrid Eggers
Beeld Sigfrid Eggers

Vergeet de Rode Duivels, hier zijn de Red Lions. Het succesrijkste team uit de Belgische sportgeschiedenis speelt geen voetbal maar hockey. Wereldkampioen en Europees kampioen zijn ze al, in Japan gaan ze nu resoluut voor olympisch goud. Arthur Van Doren (27) en Vincent Vanasch (33), respectievelijk de beste speler en keeper ter wereld, over de kunst van het winnen.

Vincent Vanasch: “Te vaak hoor ik: ‘België is een klein land.’ Of: ‘Zilver op de Olympische Spelen? Prima toch, voor jullie.’ Terwijl ze in Nieuw-Zeeland met veel minder zijn – vier miljoen inwoners – en niemand het in zijn hoofd haalt om te zeggen dat de All Blacks (het succesvolle Nieuw-Zeelandse rugbyteam, red.) uit een klein land komen. Die mentaliteit zou ik hier graag veranderen: wij zijn een gróót land – met zóveel goede atleten, dokters en ondernemers. Ik heb in Nederland gespeeld, en Tuur speelt er nu ook: zo bescheiden wij zijn, zo arrogant zijn ze daar. Wel, wij moeten dat ook wat meer durven, en zeggen: wij zijn óók goed. Tóp, zelfs.”

Toch blijft het opmerkelijk: twee Belgen die in een teamsport de besten van de wereld zijn. Hoe kan dat?

Vanasch: “Omdat wij deel uitmaken van een wereldteam! Het is een cadeau om voor de Red Lions te spelen.”

Arthur Van Doren: “Noem het een huizenhoog cliché, maar bij ons is het echt zo: wij kunnen maar excelleren omdat het team zo sterk is.

“Van bij het begin zijn wij bijzonder ambitieus geweest. Misschien vonden sommigen dat een tikkeltje arrogant, maar wij vóélden hoeveel er in dit team zat en wilden dat omzetten in titels en prijzen. Dat België een klein landje is, geen hockeyland en zelfs geen sportland: dat is nooit in ons opgekomen. Wij wilden op dat podium staan. Niet op de tweede of derde trede: nee, helemaal bovenaan! Eerlijk en ambitieus, dat waren we. Maar ook realistisch: we zijn niet fluitend op onze eerste titel afgegaan. We hebben er knoepelhard voor gewerkt. Dat daaruit individuele prijzen zijn voortgevloeid, vervult ons met trots. Maar het blijft ondergeschikt aan het team.”

Je bent al ‘de Messi van het hockey’ genoemd, naar die niet onaardige Argentijns-Spaanse voetballer.

Van Doren: “Met één verschilletje: ik sta wat lager op het veld. (lachje) Ach, ik sta daar niet bij stil. Het is leuk als mensen genieten van wat ik doe. Maar als je me vraagt wat zo’n vergelijking met mij doet: niet veel.”

Vanasch: “Ik weet zeker dat hij een betere hockeyspeler is dan Messi. (lacht)

Volgens je coach bij je Nederlandse club Bloemendaal trek jij de bal aan, Arthur: ‘Alsof hij een magneet in zijn stick heeft.’

Vanasch: “Dat kan ik bevestigen: ik zie het elke dag. (lacht)

Van Doren: “Het ligt aan mijn positie als vrije verdediger. De andere drie verdedigers zijn verantwoordelijk voor een mannetje, ik moet alles rond hen oplossen en de passlijnen naar het doel afschermen. Om een doelpunt te maken moet de tegenstander eerst voorbij mij. Zo kom ik automatisch veel aan de bal, al laat ik er af en toe wel ééntje door: (met een knikje naar Vanasch) hij moet óók werken, hè. (lacht)

Wat maakt van jou de beste keeper, Vincent?

Vanasch: “Tien, vijftien jaar geleden stelde het Belgische hockey niets voor. En als keeper heb je het per definitie niet makkelijk: een ploeg heeft er maar één. Ik heb dus harder moeten werken dan de meeste anderen. Vaak ook achter de schermen: alles wat ik doe in m’n vrije tijd, tot en met de boeken die ik lees, heeft met hockey te maken.

“Op het EK van 2019 namen we het in de halve finale op tegen Duitsland. We stonden 0-2 achter toen zij 0-3 maakten uit een strafcorner. Alleen: ik had gezien dat die Duitser de bal met zijn hand gestopt had, en niet met z’n stick. Dat mag niet. Iedereen reageerde verbaasd: ‘Hoe kun jij dat nu zien?’ Wel, jarenlang had ik, zonder dat iemand het wist, tegenstanders en wedstrijdsituaties bestudeerd. Al tijdens de Spelen van 2012 was me opgevallen dat de Duitsers weleens hun hand gebruikten. Het heeft uiteindelijk zeven jaar geduurd voor het me van pas kwam. In plaats van 0-3 werd het al snel 1-2, waarna we erop en erover gingen, en vervolgens ook de finale wonnen.”

Jij hebt hem ‘een fenomeen’ genoemd, Arthur.

Van Doren: “Vincent is zot getalenteerd. Zijn trainingsarbeid en mentaliteit zijn buitengewoon. Maar hoe hij in het leven staat en met zijn familie omgaat: dat maakt van hem helemáál een fenomeen. Vince legt de lat op alle vlakken hoog. Mij hoor je niet klagen als hij een bal uit de kruising haalt, maar hij is zoveel meer dan die ene geweldige redding.”

Zeldzaam zijn de sporters naar wie een bier is vernoemd.

Vanasch: “(lacht) Vlak voor de Spelen van 2012 in Londen was dat. Een idee van één van mijn vrienden: hij heeft toen in zijn kelder een bier voor mij gebrouwen. Een fruitig bier, gebaseerd op zwarte bessen – mûres in het Frans, wat klinkt als mijn bijnaam: de Muur. Het heet La Papale, ook weer een bijnaam van mij, naar Vince Papale uit de film Invincible – het waargebeurde verhaal van een American football-speler die uit zijn team wordt gegooid, keihard knokt om terug te keren en daar ook in slaagt. Mijn verhaal, eigenlijk. (lachje)

Vincent Vanasch. Beeld Sigfrid Eggers
Vincent Vanasch.Beeld Sigfrid Eggers

“In 2007 was ik slechts derde keeper bij de Red Lions en mocht ik niet mee naar de Spelen in Peking. Ik was zo pissed dat ik een jaar lang ben gestopt met de nationale ploeg en mijn studies fysiotherapie heb afgemaakt. Na dat jaar ben ik van club veranderd en heb ik de bondscoach een mail gestuurd met de vraag of ik kon terugkeren. ‘Keepers genoeg,’ luidde zijn antwoord. Maar toen ik vervolgens een superseizoen speelde, polste hij me zelf: ‘Ik geef je één kans.’ Vijf maanden voor de Spelen! Dat was dé kans van mijn leven, en ik heb ze met beide handen gegrepen.”

TRANEN IN DE OGEN

Tot de Olympische Spelen in Rio vijf jaar geleden deden de Red Lions amper een belletje rinkelen.

Van Doren: “Het hockey is niet zo gemediatiseerd. Maar het groeit: nieuwe clubs schieten uit de grond, en kinderen vinden het leuk, ook de meisjes. De jeugd dróómt van de nationale ploeg. Vraag op school wat ze willen worden, en er zijn er al die ‘Red Lion’ of ‘Red Panther’ invullen.”

Vanasch: “Mensen inspireren, daar doen we het voor. Toen ik zelf nog op de schoolbanken zat en vertelde dat ik hockey speelde, hadden de meesten geen flauw benul: ‘Ah ja, ijshockey. Is dat niet koud? En gevaarlijk?’ (lacht) Nu zie ik op woensdagmiddag kinderen en volwassenen met een hockeystick op de fiets of de bus. Vraag op straat wie de Red Lions zijn en mensen zullen antwoorden dat het de nationale hockeyploeg is. En nog trots zijn ook.”

Toen jullie in 2018 de wereldtitel veroverden, was dat het eerste goud na vier verloren finales. Moet je eerst finales verliezen voor je er één kunt winnen?

Van Doren: “(fel) Wat heb ik me altijd geërgerd aan die uitspraak! In mijn beginjaren bij de Red Lions ben ik er té vaak mee geconfronteerd. Al die keren dat we in een finale stonden, hadden we volgens mij gewoon boven ons niveau gepresteerd om daar te raken. We waren er niet klaar voor. ‘Dat komt wel,’ klonk het dan – ik háátte het.

“Als ik onze benadering van die WK-finale vergelijk met de olympische finale twee jaar eerder in Rio, kan ik me geen groter contrast voorstellen. In Rio stonden onze telefoons na de halve finale roodgloeiend. We beantwoordden elk bericht, waardoor we véél te veel prikkels binnenkregen. Iedereen was uitgelaten – sommige spelers stonden zelfs met tranen in de ogen – want hoe de finale ook afliep: een medaille hadden we sowieso. Die fout hebben we nadien niet opnieuw gemaakt. In India gaven we elkaar een high five, en verschoof de focus meteen naar de finale.”

Vanasch: “Toen we in Rio met die zilveren medaille in onze handen stonden, heb ik direct gezegd: ‘We hebben geen zilver gewonnen, maar goud verloren’.”

Van Doren: “Al die ervaringen hebben ons geleerd om finales naar ons toe te trekken. Dat Vincent die handsbal van de Duitsers opmerkt, blijft het beste voorbeeld. Je bent kersvers wereldkampioen, topfavoriet in eigen land en staat 0-2 achter. Om dan in zulke omstandigheden – die wedstrijd gold als een finale avant la lettre – nog zo lucide te zijn: top! Vervolgens veegden we Spanje met 5-0 van de mat. Ervaring heeft toen de doorslag gegeven.”

Dus klopt de uitspraak, toch?

Vanasch: “Laten we zeggen: ze is niet helemáál verkeerd. (lacht)

Hoe leer je dat, winnen?

Van Doren: “Door jezelf én je ploegmaats beter te leren kennen. Wat moet ik doen als ik spanning voel? Hoe ga je met elkaar om? Als je negentien bent, denk je daar niet over na. Ondertussen kennen we elkaar zo goed en spelen we al zo lang samen, dat we tot grootse dingen in staat zijn. We zitten nog niet aan onze top.”

Toen Roberto Martínez de Rode Duivels in handen kreeg, temperde hij meteen de verwachtingen bij al wie vond dat de Gouden Generatie een EK of WK móést winnen: ‘Je eerste toernooi winnen is het moeilijkste,’ bezwoer hij.

Van Doren: “(knikt) Zoiets gebeurt niet van de ene dag op de andere. Het is een proces, en daarin moet je groeien. Nederland heeft een duidelijke speelstijl, Duitsland ook. Al hun clubs volgen dezelfde lijn. Maar toen wij begonnen, moesten we onze identiteit nog afbakenen. Wat typeert ons? Die vraag hebben we ons gesteld. En beantwoord: we willen de bal hebben, en als de tegenstander hem heeft, willen we hem zo snel mogelijk heroveren.”

Vanasch: “Ik noem ons hybriden. Arthur speelt in Nederland (bij Bloemendaal, red.), ik in Duitsland (bij Rot-Weiss Köln, red.). Onze bondscoach is een Nieuw-Zeelander, zijn voorgangers kwamen uit Australië en Nederland. Van al die culturen hebben we iets opgestoken. En dat hebben we tot onze eigen stijl verwerkt. Nu al zie ik hoe andere landen ons proberen te kopiëren.”

Van Doren: “Als we iets uitstralen, dan wel dat we een téám zijn. Onze teampress is berucht: altijd zie je drie, vier spelers rond de bal. Onze gevaarlijkste aanvallen zijn zelden het resultaat van een individuele actie: je zult bij ons niet één speler drie tegenstanders zien uitschakelen. Altijd wordt er een ploegmaat in de actie betrokken. Of zoals Shane (McLeod, de bondscoach, red.) het zo mooi uitdrukt: zoek connectie!”

Die eerste titel kwam er na een kleurloze finale tegen Nederland. Het bleef 0-0, shoot-outs beslisten over winst en verlies.

Vanasch: “Die wedstrijd was supertactisch, dat klopt. Maar vaak maakt dat het verschil tussen een prijs pakken of ernaast grijpen. Weet je nog hoe Frankrijk België uitschakelde op het WK voetbal drie jaar geleden, en het toernooi uiteindelijk ook won? Je hoeft niet altijd je beste hockey te spelen.”

Van Doren: “Die finale volgde één dag na onze halve finale. De benen waren niet zo fris meer. Maar hard werken en goed verdedigen, dat kun je altijd. Als je geen doelpunt tegen krijgt, maak je al een serieuze kans om te winnen. In de shoot-outs heeft hij (knikt naar Vanasch) nog een grootse rol gespeeld.”

Een jaar later wervelden jullie met 5-0 over Spanje in de finale van het EK. Zo kan het dus ook.

Van Doren: “We speelden voor eigen publiek. En sloten een pact met onszelf: deze titel gaan we echt verdienen! Als ons team eenmaal begint te draaien, zijn we niet te stoppen.”

Vanasch: “Toch win ik liever met 1-0. Goed verdedigen is een genot, zeker voor een keeper. Het straalt zoveel karakter uit. Nu, die 5-0 tegen Spanje was óók heerlijk. Ik kon links en rechts al een praatje slaan op het eind, en af en toe nog een redding verrichten. (lacht) Wat ik in die laatste minuten voelde, is niet te beschrijven. Ik had tranen in mijn ogen.”

HARTMONITORS

Na het WK-goud van 2018 en het EK-goud van 2019 moest olympisch goud in 2020 de trilogie voltooien. Corona stak daar een stokje voor. Intussen heeft er een EK plaatsgevonden dat brons opleverde. Heeft dat de flow verstoord?

Vanasch: “Hoe jammer ook: het uitstel van de Spelen was de beste beslissing. Ik ben al blij dat er geen afstel van gekomen is. Onze coach was meteen duidelijk: ‘You need to be agile’, we moesten er flexibel mee omgaan. Dat heb ik ook gedaan: ik heb het voorbije jaar gebruikt om nóg beter te worden. Het EK hebben we benaderd als een ideale voorbereiding op de Spelen. We hoefden er niet te pieken, en zijn er dus niet 100 procent voor gegaan. Maar het was nuttig: het heeft veel bruikbare informatie opgeleverd. Over onszelf, maar ook over andere landen.”

Arthur Van Doren. Beeld Sigfrid Eggers
Arthur Van Doren.Beeld Sigfrid Eggers

Van Doren: “Corona is een beproevende periode geweest voor iedereen. Veel mensen zijn in de miserie verzeild geraakt. Dan mogen wij al blij zijn dat we ons geliefde spelletje mogen spelen, en überhaupt naar Tokio zijn kunnen afreizen. ‘Wat als’: daar verspil ik geen energie aan. Zaten we in een lekkere flow? Zeer zeker. Maar dat is nu ook zo: alles is aanwezig om goed te presteren. Hoe ver we dan raken, zien we wel.”

Bondscoach Shane McLeod steekt zich alvast niet weg: ‘We willen het beter doen dan in Rio, goud is dus de enige optie.’

Vanasch: “Elk toernooi is anders. Of we dan net twee keer goud hebben gewonnen of, zoals nu, uit een EK met brons komen: maakt niet uit. Nadat we de wereldtitel hadden gewonnen, las ik de artikels die tijdens het toernooi in België waren verschenen. We waren zogezegd niet goed bezig: we eindigden pas als tweede in onze poule en moesten een extra match spelen. Bovendien waren er twee spelers geblesseerd. Toch wonnen we. Maar goed, het volgende toernooi begin je toch weer van nul.”

Ook de Rode Duivels spraken, net als McLeod, titelambities uit. Dat het anders uitdraaide, kwam hun achteraf op cynisch commentaar te staan.

Van Doren: “Je moet heel hard uitkijken met zulke uitspraken. Het risico bestaat dat je jezelf in een positie zet waarin je alleen nog kunt teleurstellen. Nu, wij zijn niet bezig met wat de mensen denken: wij geloven in onszelf. Als je wereldkampioen bent, kun je niet naar de Spelen met de top acht als ambitie. Dat is óók een realiteit. Wie ons wil verslaan, zal van goeden huize moeten zijn.”

Jullie olympisch zilver in Rio volgde op een vroegtijdige EK-uitschakeling van de Rode Duivels, en twee jaar later overtrof jullie wereldtitel hun WK-brons. Ook nu verkeert het land na het mislukte EK in een voetbaldepressie.

Van Doren: “Ik voel je al komen. Maar wij willen helemaal niet in de picture komen ten koste van iemand anders. Ook wij zijn fan van de Rode Duivels. Trouwens, er lopen er bij ons een paar rond die best aardig tegen een balletje kunnen trappen.”

Vanasch: “Als België speelt, staan mijn zoon en ik in ons Duivelsshirt met de Belgische vlag te zwaaien. Wij zijn fiere Belgen. Vaak wordt het voorgesteld alsof we een verdeeld land zijn, met gemeenschappen die elkaar niets gunnen. Maar in de sport zijn we één ploeg van elf miljoen mensen – de mantra ook tijdens de coronacrisis. We moeten tróts zijn op elkaar. Soms droom ik ervan om samen met de Rode Duivels op het balkon van de Grote Markt in Brussel te staan. Tuur en Eden Hazard die samen dj’en: top! (lacht) Ik praat weleens met Thibaut Courtois – doelmannen onder elkaar, weet je wel. Wel, wij gunnen elkaar alles. Zoals ik ook meeleef met onze golfers, atleten, tennissers… Met iederéén!”

Van Doren: “Nafi Thiam, Nina Derwael, de Belgian Cats, de Rode Duivels, Thomas Pieters… Grááf toch, hoe België zich in zoveel sporten heeft ontwikkeld?”

Wat is het aandeel van Shane McLeod in jullie succes?

Van Doren: “Hij was de juiste man op het juiste moment op de juiste plaats – beter kan ik het niet samenvatten. Shane verstaat de kunst om een team te bespelen, ons te raken met de juiste woorden. Hij is verbaal sterk en charismatisch – een heel bijzondere man. Vaak neemt hij voor een wedstrijd nog het woord. En altijd met een verhaal dat keihard binnenkomt.”

Vanasch: “Weet je nog, die keer dat het over zijn vrouw ging?”

Van Doren: “Zijn vrouw werkt als cardioloog in een ziekenhuis. Tijdens de Spelen in Rio vertelde hij ons hoe haar patiënten voor het eerst in hun leven naar hockey hadden gekeken terwijl ze aan de monitor lagen. Telkens als wij scoorden, sloegen de meters van die monitors de hoogte in. Dat was zo pakkend! En dat is precies wat je nodig hebt om belangrijke wedstrijden te winnen: iets wat het team triggert om door een muur te gaan. Voor de coach, voor elkaar, voor die hartpatiënten. Met een tactisch plan en goed hockey alleen red je het dan niet.”

Vanasch: “Hij was in Rio pas tien maanden onze coach. Maar in die tien maanden heeft hij meteen het verschil gemaakt. Zelf relativeert hij het altijd: ‘Ik ben alleen maar op de goede trein gestapt.’ Ook in 2015 waren we al een goede ploeg, met achttien toppers, maar geen topteam. Daarvoor misten we vertrouwen. Dat heeft hij ons gegeven, door een omgeving te creëren waarin we onszelf konden zijn, alles konden uitspreken en konden groeien.”

Winst tegen Nederland in de WK-finale in 2018. Beeld BELGA
Winst tegen Nederland in de WK-finale in 2018.Beeld BELGA

Van Doren: “Shane heeft een circle of trust gecreëerd waarin iedereen zich fijn voelt, maar waarin ook op het scherp van de snee getraind wordt. Hij heeft ons naar elkaar toe laten groeien. Door hem hebben we geleerd veel dieper met elkaar in gesprek te gaan, over álles. En zijn we van een bende goede hockeyers een hecht team geworden.”

Vanasch: “We hebben elkaars persoonlijkheid leren kennen. Tegen Loïck Luypaert mag ik schreeuwen: hij raakt er niet door uit zijn lood geslagen. Maar doe ik dat tegen een andere verdediger, dan kruipt die misschien in zijn schulp en zinkt de moed hem in de schoenen. Daarom moet ik weten hoe iedereen afzonderlijk reageert op stress.”

Dat klinkt alsof McLeod meer een mensencoach is dan een tactisch brein.

Vanasch: “Hij is het allebei: iemand met aandacht voor de mens achter de atleet, maar ook tactisch sterk. Belangrijk is de betrokkenheid die hij ons heeft bijgebracht. Hij heeft altijd het laatste woord, maar is niet de chef d’orchestre die zegt wat wij moeten doen. Hij speelt geen Playstation met ons. Hij is de chauffeur van de trein, maar houdt rekening met wat wij vinden. In die zin heeft hij van ons ook chauffeurs gemaakt.”

Van Doren: “Eén van de eerste vragen die hij ons stelde, was: ‘Hoe zien jullie jezelf succesvol zijn? En hoe ziet een trainingsweek er dan uit?’ Dat hebben wij op papier gezet, waarna hij zei: ‘Oké, dat gaan we doen.’ Als er dan iemand klaagt dat hij moe is, kaatst hij de bal prompt terug: ‘Ah, maar het is júllie programma.’”

GROTE BARBECUE

Moeten ploegmaats vrienden zijn?

Vanasch: “Iets winnen met vrienden is buitengewoon mooi. Daar gaat niets boven. Over dertig jaar zullen wij nog altijd samenkomen om onze wereldtitel van 2018 te vieren. Maar je moet wel eerlijk zijn met elkaar. Dat is het allermoeilijkste: het ook durven te zeggen als een vriend iets fout doet.”

Van Doren: “Vriendschap mag je niet forceren. Als het niet spontaan is, heeft het geen betekenis. Er zijn altijd spelers met wie het beter klikt. Met wie je geheimen deelt waarover je met niemand anders praat. Sowieso zijn wij meer dan collega’s. Maar je hoeft geen vrienden te zijn om een topteam te vormen.”

Toen jij in 2018 tot beste speler van het WK werd uitgeroepen, goed voor een geldprijs van 10.000 euro, deelde je dat geld met de hele ploeg.

Van Doren: “De enig juiste beslissing, vind ik. Ik geloof oprecht dat die prijs de ploeg toekwam, andere spelers hadden hem net zo goed kunnen winnen. We hebben er leuke dingen mee gedaan.”

Vanasch: “Een grote barbecue met de families van alle spelers! Terwijl hij het net zo goed in zijn appartement had kunnen steken. (lacht)

Het illustreert de normen en waarden die in het hockey nog bestaan.

Van Doren: “Dat zeg je mooi. Wij proberen dat ook heel nadrukkelijk uit te dragen. Bedrijven verbinden zich daarom ook graag met ons. Omdat zij geloven in hoe wij in het leven staan. Die morele standaard proberen wij te allen tijde hoog te houden.”

Zo’n Ciro Immobile die voor dood neerzijgt, maar miraculeus opveert wanneer hij in de gaten krijgt dat zijn ploeg heeft gescoord...

Van Doren: “Dat zul je niet snel zien op een hockeyveld. Romelu Lukaku die overeind blijft tegen de Portugezen, ook al hangt er één aan zijn trui te sleuren: respect! Alleen: de realiteit in het voetbal is dat je geen vrije trap krijgt als je niet neergaat. Daarom gaat iedereen liggen. Het zit zó ingebakken in die sport.”

Leve het hockey.

Van Doren: “Er zijn heel veel redenen waarom ik blij ben dat ik een hockeyer ben.”

Vanasch: “Toch ben ik een beetje jaloers. Voetballers spelen elk weekend voor 50.000 toeschouwers, wij voor hooguit vijf- of tienduizend – op een groot toernooi dan nog. Ik mag de benen van mijn leven hebben, niet veel mensen zullen het gezien hebben. Dat steekt weleens.”

Omgekeerd is het dan weer ondenkbaar in het voetbal dat je doorzakt met je tegenstander. Dat deden jullie wel met de Nederlanders na die gewonnen WK-finale.

Van Doren: “De hockeywereld is klein: je komt elkaar voortdurend tegen. Ik speel in Nederland, Vincent heeft er ook gespeeld. Met sommige spelers heb je door de jaren heen een vriendschapsband opgebouwd. Voor alle duidelijkheid: we zijn niet met de twee voltallige teams de bar ingedoken, hè. Hooguit met enkele jongens, en al laat op de avond bovendien. Weet je, hoe zuur zo’n nederlaag ook is: de volgende ochtend gaat de zon gewoon weer op en trekken de mensen naar hun werk. Het leven gaat door.”

Het hockey krijgt weleens het verwijt dat het blank, elitair en ondemocratisch is.

Van Doren: “We hadden het zonet over de normen en waarden in het hockey: wie zijn kind hockey laat spelen, weet dat het ook een stuk opvoeding meekrijgt. Als mensen dat elitair vinden, ben ik graag elitair. Verder is het niet meer zoals vroeger: je hoeft niet meer in een proper hemdje naar de training, waar vervolgens alleen maar Frans wordt gesproken.”

Vanasch: “Kinderen hoeven hun stick ook niet meer meteen te kopen. Ze kunnen eerst stage lopen en krijgen er dan één. Zo professioneel zijn de clubs inmiddels wel geworden. Iedereen kan het dus proberen.”

De diversiteit van de Rode Duivels vind je niet terug bij de Red Lions.

Van Doren: “Nóg niet. Zoiets gebeurt niet van vandaag op morgen. Maar wij zijn de eersten om ervoor te pleiten.”

Vanasch: “Kijk naar onze ploeg: zowat alle klassen van de samenleving zijn er vertegenwoordigd. We zijn niet allemaal opgegroeid in een grote villa, met een mooi uitgestippeld levenspad voor ons. Sommige spelers hebben keihard moeten werken voor waar ze nu staan.”

Wat is jullie grootste angst op een hockeyveld?

Van Doren: “Ik sta niet met angst op een hockeyveld. Op geen enkel moment denk ik aan iets slechts. Spelers weten wat ze doen.”

Vanasch: “Zware blessures doen zich vooral op lager niveau voor. Ik heb nooit angst. Mede ook door mijn broers, denk ik. We speelden allemaal hockey, ik was de kleinste en stond in doel. En zij maar ballen op mij afvuren! Cruciaal is een goede opwarming, daar besteed ik veel aandacht aan. De eerste bal in een wedstrijd is immers de gevaarlijkste. Als je dan niet geconcentreerd bent…”

Tot slot, wat is – vóór olympisch goud straks jullie deel wordt – het voorlopige hoogtepunt uit jullie carrière?

Vanasch: “De huldiging op de Grote Markt in Brussel, na onze wereldtitel. Ik had me aan een paar honderd man verwacht. Stond daar 6.000 man!”

Van Doren: “Op een doordeweekse dinsdagmiddag! Niemand van mijn familie of vrienden kon erbij zijn: ‘Wij moeten werken!’ (lacht)

Vanasch: “Toen we samen met die indrukwekkende menigte het volkslied zongen: dat was zó mooi. De beste tijd van mijn leven.”

Van Doren: “Vooraf waren we bestempeld als de ‘net niet’-generatie. De mannen die veel praatjes verkochten, maar nooit een finale wonnen. Met dat WK hebben we iedereen de mond gesnoerd.”

Vanasch: “En Belgische geschiedenis geschreven. Dat gaan we nu opnieuw proberen te doen. (knipoogt)

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234