Zaterdag 25/01/2020

'Vergeleken met Bach doe ik niks'

Cinefiele muziekliefhebbers kunnen een gat in de lucht springen, want de grote Ennio Morricone (87) - de meester, het genie, de beste filmcomponist aller tijden - brengt straks het beste van zichzelf in het Sportpaleis. Maar wie is Il Maestro zoal?

1

Manusje-van-alles

Ennio kan alles. Want Ennio Morricone zal tot in de eeuwigheid en lang daarna herinnerd worden om het werk dat hij heeft gedaan voor Sergio Leone en de spaghettiwestern. Maar er is zo veel meer.

Met een goeie 500 films (!) op de teller is het logisch dat Morricone elk genre heeft bezocht, maar indrukwekkender is het feit dat hij in elk genre ook wel een klassieke, iconische, onsterfelijke score op zijn naam heeft: van het grote gangsterepos (Once Upon a Time in America, 1984) en het historische drama (The Mission, 1986) over obscure arthouse (Maddalena, 1971) tot Italiaanse giallo's (misdaadgenre zoals The Bird with the Crystal Plumage, 1970), eightieshorror (The Thing, 1982) en recent nog Quentin Tarantino's Django Unchained (2012) en The Hateful Eight (2015). De lijst gaat schier eindeloos voort; er zijn maar weinig componisten met zijn veelzijdigheid én diepgang.

Dat heeft allicht te maken met zijn jeugd en hoe de muziek hem in haar greep kreeg. Hij begon naar eigen zeggen voor het eerst te componeren toen hij zes was. Zijn vader had hem het

G-akkoord aangeleerd, en dat was al meer dan voldoende muzikale bagage om te kunnen naspelen wat hij hoorde op de radio. Die vader, Mario Morricone, was een trompettist in nachtclubs. Toen Mario ziek viel, moest de piepjonge Ennio zijn plaats innemen als kostwinner: Ennio ging gewoon óók trompet spelen in nachtclubs.

Als tiener studeerde hij aan de muziekacademie, maar hij wilde, wat toen ongehoord was voor godbetert een trompetspeler, ook compositie volgen. Overdag was hij dus een noeste student en 's nachts stond hij te blazen, als hij al niet bijkluste door te componeren voor de opkomende platenindustrie, waarvoor hij eind jaren 50, begin jaren 60 honderden popnummers schreef.

In zijn mid-teens was Ennio Morricone al kundig in jazz én klassieke muziek én pop. En de jeugd van vandaag maar aanmodderen!

Toen zijn reputatie aan het groeien sloeg, werkte Morricone voor televisie, radio en theater, om eindelijk bij films uit te komen. Ennio kan niet alleen alles, hij doet ook alles.

2 Visionair

Een van de mooie reputaties die hij meetorst, is die van grote vernieuwer. Hij verwerkte van in het prille begin dagelijkse geluiden in zijn composities, zoals tinnen potten en typemachines, om de stukken meer 'in het hier en nu' te brengen, en om ze weg te rukken uit de verheven grandeur van de concerthal. Delen van de symfonie verving hij, naargelang de toon van de film of de wensen van de regisseur, door haast absurde elementen. Zo zijn er in zijn westerns in de maat geknalde zwepen te horen en baseerde hij melodieën op pakweg het geluid van een huilende coyote.

Hij bracht de avant-garde in de mainstream en andersom. Klonken Amerikaanse westernsoundtracks vóór Morricone ofwel zachtjes pastoraal (Dimitri Tiomkin) ofwel mega-orkestraal (Elmer Bernstein), na Morricone mocht het rauw, hard, met desnoods een dierlijke kreet, een ontploffing in de maat of een kreunende elektrische gitaar in het refrein.

Samenwerken met Morricone kan ook vandaag nog, net vanwege zijn neiging tot het onconventionele, al eens tricky zijn. Hij doet amper werk in de studio achteraf en blikt alle geluidseffecten en -vervormingen in op het moment van opname.

Dat verklaart waarom zijn sound in het digitale tijdperk haast klinkt alsof ze uit de tijd is gelicht - of ook wel: tijdloos. Net daarom vraagt hij soms vreemde dingen van zijn muzikanten. De Clemente-broers, die de panfluit speelden bij The Mission, lieten tien jaar na hun samenwerking weten: "Hij vroeg ons dingen te doen met onze panfluit waar dat ding niet voor gemaakt is. We dachten: die man is gek! Maar het werkte. Het werkte zelfs heel goed." Als een stuk van Morricone om een geluid vraagt dat niet bestaat, dan zoekt hij wel een manier om het uit te vinden.

3 Professional

Andere etiketjes die de norse Italiaan opgeplakt krijgt, zijn ook al eens minder vleiend: huurling, werkpaard, vakman. Die meer dan 500 films op zijn cv komen daar niet zomaar: hij werkt van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat, elke dag en zonder morren. Hij beoefent zijn ambacht zoals een doorwinterde bakker: met bovengemiddelde goesting en ook tijdens de feestdagen.

Niet in alle culturele milieus worden zijn vakmanschap en droge professionele kunde evenwel altijd even hoog aangeschreven. Morricone wordt weleens verweten een populist te zijn, en anders wel iemand die niet vies is van een paar extra flappen. Daar is, zonder dat daar meteen een oordeel aan moet vasthangen, iets van aan. Geld is altijd een factor geweest in Morricones loopbaan: voor het succes van The Mission stopte hij een tijd met werken voor de Amerikanen omdat hij zich (al dan niet terecht) onderbetaald voelde.

Een leuke anekdote omtrent Morricones werkfilosofie: Sergio Leone was in hem geïnteresseerd voor de soundtrack van A Fistful of Dollars (1964), maar toen hij luisterde naar de twee westernsoundtracks die Morricone toevallig al had geschreven, vond hij die naar verluidt afschuwelijk slecht. Hij confronteerde Morricone daarmee door te zeggen: "Je klinkt als Dimitri Tiomkin light." Waarop Ennio: "Dank je. Tiomkin light is exact waar de regisseur om vroeg: dat is dus ook wat ik heb afgeleverd." Job well done.

Morricone was een gevierd avant-gardekunstenaar (check zijn album Gestazione of de soundtrack voor Lizard in a Woman's Skin) maar eens, maar hoe ouder hij werd, hoe minder hij het experiment opzocht.

Hij vertelde ooit aan The Quietus: "Ik hield van avant-garde. Wanneer ik aan films werkte met regisseurs als Dario Argento, waarin vreselijke dingen gebeurden en de personages trauma's doorworstelden, gebruikte ik avant-garde als een manier om die emotionele complexiteit naar het scherm te vertalen. Maar toen zeiden mensen: 'Pas op, Ennio, als je dat soort muziek blijft gebruiken, zullen ze je niet meer vragen!' Dus ben ik er maar mee gestopt."

Voor je hem nu helemáál een commerciële hoer gaat noemen: een sell-out is hij niet. De roem en Hollywood hebben hem nooit wat gezegd. Los Angeles heeft vaak aan zijn mouw getrokken, maar hij heeft pertinent geweigerd om daarheen te verhuizen, net zoals hij het nog altijd vertikt om een woord Engels te spreken. En daarbij: zijn mainstreamwerk in de tweede fase van zijn carrière, waarin experiment werd ingeruild voor epische lyriek, is al even goed als wat daarvoor kwam.

Zelf is hij niet zo onder de indruk van zijn fameuze output, of de kwaliteit die daarmee gepaard zou kunnen gaan: "Ik schrijf maximaal twaalf of dertien filmsoundtracks per jaar. Bach schreef elke week een cantate. Vergeleken met hem doe ik bijna niks."

4

Sergio Leone-kameraad

Last but not least het meest iconische aspect van zijn leven: zijn goeie band en, vooral, zijn zinderende samenwerkingen met een van die andere maestro's van Italië, Sergio Leone. Zoals gezegd vond Leone het vroege soundtrackwerk van Morricone maar niks: bijna hadden de twee - die vroeger nota bene nog in dezelfde klas hadden gezeten - nooit samengewerkt.

Gelukkig kwam Leone even later het singletje 'Pastures of Plenty' tegen, een popnummer van de zanger Peter Tevis: het was geschreven door Woody Guthrie, maar voor Tevis had Morricone de arrangementen verzorgd. Leone was extatisch, ei zo na door het dolle heen. Dáár hoorde hij de sfeer die hij met zijn Clint Eastwood-opus A Fistful of Dollars wilde neerzetten, en toen wist hij dat Morricone de man was voor de job. Zijn vraag aan Morrico-ne was simpel: kun je voor mij een nieuwe versie van de single maken, zonder vocals en mét het iconische fluitmelodietje? Zo geschiedde. A propos: wát een nummer.

De samenwerking was uniek, niet alleen vanwege de resultaten, maar ook vanwege de werkwijze. Zo ontstond The Good, the Bad and the Ugly, voor velen hun beste film samen, in onderlinge dialoog. In een BBC-documentaire uit de jaren 90 legde Sergio Leone-biograaf Christopher Frayling het zo uit: "Sergio vertelde het verhaal van de film aan Ennio, waarop die nummers begon te schrijven voor elk personage. Daarna waren cross-overs aan de beurt; liedjes die pasten bij de ontmoeting van twee zulke personages. Tot slot werden de composities uitgedacht voor hele sequenties en scènes. Heel The Good, the Bad and the Ugly is eigenlijk bedacht rond reeksen van die sequenties." Zo werd de film één lang samenspel van klank en beeld.

Vandaar dat die sequensen ook zo ongewoon, zo baanbrekend en zo iconisch bleken: het waren evengoed muziekstukken als filmscènes - een voorbode op de latere videoclip - en ze duurden veel langer dan men in Hollywood gewend was. Leone zelf zag zijn films als opera's zonder zang: hij stemde zijn montage erop af en liet de soundtrack spelen op de set, zodat de acteurs rekening konden houden met de geladenheid en de impact van de muziek.

Extra vreemd voor Eastwood: het geluid in Italiaanse films werd altijd achteraf opgenomen, op de set werd nooit geluid geregistreerd - voor hem was het dus wennen om op de achtergrond crewleden te zien die luidkeels aan een potje frisbee begonnen. Als dáár eens beelden van bestonden.

Alleszins: beeld en muziek zijn er om elkaar te versterken, en dat wisten Leone en Morricone beter dan wie ook. Samen zorgden zij niet alleen voor enkele van de plezierigste, mooiste films ooit gemaakt, maar ook voor een even ongebruikelijke als overrompelende nieuwe filmtaal. En als u me nu wilt excuseren: ik ga, alweer in lichte extase, nog eens naar Once Upon A Time in the West (1968) kijken. Correctie: kijken en luisteren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234