Donderdag 09/02/2023

Vergeet de Leeuw, kijk naar de renners

Wie in Vlaanderen wil winnen, zal voorbij Van Petegem moeten. Wie in Luik-Bastenaken-Luik de beste wil zijn, móét voorbij Bettini

Een min of meer voorspelbaar klassiek seizoen, met bekende namen die hun reputatie en positie zullen verdedigen, gevolgd door rondewerk waarin alles anders is dan vorig jaar. De ploegen, de concurrenten, de coalities, en ook het parcours. Een inleiding op een grillig seizoen.

Walter Pauli

De start van het wielerseizoen lijkt dit jaar wel een kopie van de oude films van Metro-Goldwyn-Mayer. Kent u die prenten nog? Nog voor de film begon, kon de pret al niet op, en dat kwam door die klassieke intro met die oude leeuw die amechtig brult. Whraaooww - en pas dan begint het echte werk. Zo ziet het er dit jaar ook uit. Het voorspel, dat is voor onze eigenste 'Leeuw'. Johan Museeuw, straks 39, mag overal komen uitleggen dat hij zich nog eenmaal écht wil opladen voor het grote werk. In België kan er niets over wielrennen geschreven staan of het is de Leeuw die brult. Voor het laatst, en we beseffen ook niet goed dat het echte verhaal nog moet komen. De goede Museeuw, zo houdt hij zelf de boot af, moet je dit weekend in de Omloop Het Volk nog niet verwachten.

Als de Leeuw in april in supervorm raakt, en dat wil hij, heeft hij het meeste kans op succes in Parijs-Roubaix. Dat is een zaak van wiskunde - hoe dan ook is daar de concurrentie veruit het kleinst, wegens het grote aantal afzeggingen van toprenners - en ook een zaak van biologie: een 'oude man' als Museeuw is op zijn sterkst in een wedstrijd waar het meer op kracht dan op souplesse aankomt. Zoals Hennie Kuiper in 1983 Parijs-Roubaix won. Kuiper was ook al 34, het scherpste was eraf, maar hij versnelde, van op de kop, op de rug van een zware kasseistrook, en zo reed hij de tegenstand uit zijn wiel. En dat waren die regendag toch seigneuren met naam: Francesco Moser, Gilbert Duclos-Lasalle, plus wijlen Marc De Meyer.

Als Museeuw nadenkt, weet hij dat ook wel dat het zo zal moeten, of niet meer zal zijn. De Ronde van Vlaanderen winnen? Het kan, maar het wordt toch wel érg moeilijk. Zijn laatste knalprestaties lagen niet toevallig allemaal in Parijs-Roubaix, op die ene magistrale sprint na, in de HEW Classic te Hamburg in 2002. Museeuw, áls hij het kan, is een optie voor Parijs-Roubaix. Of, als hij oog heeft voor zijn eigen erelijst, voor Gent-Wevelgem. Welja, Gent-Wevelgem, de enige Vlaamse klassieker die ontbreekt op zijn erelijst. Zijn beste klassering was een tweede plaats, toen hij zich liet ringeloren door Herman Frison. In 1990 was dat, meer dan één doorsnee-rennersleven geleden. Zijn ambitieuze ploegmaat Tom Boonen, die zich vorig jaar ook al de broek liet afdoen in Gent-Wevelgem, zat toen als tienjarige wellicht in het vierde leerjaar.

Het echte werk

Voor Boonen is het ditmaal het seizoen van de waarheid. Er is iets merkwaardigs met de loopbaan van Boonen. Ze verloopt immers een beetje omgekeerd aan die van Museeuw. Museeuw heeft naam gemaakt als sprinter - twee massasprints in één Tour, incluis de Champs-Elysées - en is vervolgens geëvolueerd tot een compleet renner die vooraan reed in klassiekers. Boonen kwam door de grote poort van de klassiekers naar binnen - een wel zeer beloftevolle Parijs-Roubaix in 2002, waarin hij zijn eigen kopman Hincapie overvleugelde. Als Boonen nu naam maakt, is het door zijn mond ("Als ik in Quatar niet was lek gereden, win ik die ronde met overschot") en... als sprinter. Vorig jaar probeerde hij het in de Vuelta, de voorbije weken deed hij het zowel in Quatar als in de Ruta del Sol.

Maar kan Boonen het ook in het echte werk? Zoals gezegd faalde hij vorig jaar op haast pathetische wijze in Gent-Wevelgem - hij viel nogal spectaculair ná de aankomst, nadat hij heel erg reglementair was geklopt door Andreas Klier. Maar vorig jaar was ook het moeilijkste: een neoprof die iets laat zien, geeft nogal snel het gevoelen van 'a star is born'; een tweedejaarsprof worstelt met die beladen term: 'bevestigen'. Allemaal hebben ze het moeilijk in hun tweede profjaar. Eddy Merckx won in 1966 wel Milaan-Sanremo, maar dacht na een mislukt WK op de Nürburgring ei zo na aan stoppen. Freddy Maertens was in 1974 een stuk minder present dan bij zijn spectaculaire debuut in 1973; Eric Vanderaerden moest in 1984 wachten op het Belgisch kampioenschap voor hij iets toonde - als neoprof had hij met Raas, Kelly en Saronni al gebakkeleid om winst in Milaan-Sanremo, de allereerste belangrijke klassieker die hij reed. En aan de aankomst kwam Vanderaerden voor de tv-microfoon uitleggen dat alle andere vedettten 'in de slag zaten' met Saronni. Een jaar later, in 1984, vloekten en tierden Vanderaerden en Eddy Planckaert omdat Bontempi hen had geklopt in de sprint. Neoprofs hebben de wereld voor zich, tweedejaars rijden vooral de frustraties van zich af. Pas wie zich daar doorslaat, ontbolstert helemaal - meestal in het derde profjaar. Boonen weet waar hij aan toe is.

Boonen is maar één helft van onze sprintende Tom Tom Club. Er is nog altijd Tom Steels. En nog steeds op zoek naar de terugkeer van de goede tijden. Dit jaar leek het er weer op: hij won de eerste rit van de Ster van Bessèges, en voor de eigen supporters leek het weer alsof Steels terug was. Helaas. De meeste supporters beschikken enkel over een kortetermijngeheugen. Vorig jaar had Steels ook zijn ritje in de Ster van Bessèges meegepikt, om vervolgens nérgens te zijn. En ook dit jaar herhaalt zich dat patroon. Eén ritje gewonnen. En vervolgens de ene afgelasting na de andere. Voor het openingsweekend, zo luidt het nu, zal Steels er jammer genoeg niet staan. Maar dán... tja.

Kermisploegen

In Bessèges klopte Steels Jo Planckaert in de sprint. Zich optrekken aan tweede plaatsen, zo verloopt de hele carrière al van, tot voor kort, 'de jongste Planckaert'. De slechtste ook, schreven we er tot dit jaar bij, maar met de intrede van zijn neef Francesco kan Jo gerust zijn: alvast die wisselbeker heeft hij doorgegeven. In een andere tijd was Jo Planckaert, een man die dit jaar toch al 33 zal worden, gegarandeerd in een kermisploeg beland. Nu niet. Nu zit hij bij 'MrBookmaker', zowaar een ploeg van eerste klasse. Waarbij we op een hoogst merkwaardig fenomeen stuiten: voor het eerst sinds decennia telt België niet één kermisploeg meer. Niet één. Goed, er is nog één tweedeklasser, maar dat is Vlaanderen-T-Interim, en die willen zéker geen kermisploeg genoemd worden. De rest is eersteklasser geworden. Landbouwkrediet van Gérard Bulens, MrBookmaker van Hilaire Van der Schueren, Chocolade Jacques van Johan Capiot én de glorieus terugkerende Jef Braeckevelt, die de titel 'manager' kreeg: allemaal eersteklassers. Zelfs Bodysol, de tweede ploeg van Patrick Lefevere, is een eersteklasser. Allemaal verplicht tot een min of meer internationaal programma, ook al hebben ze er niet altijd de renners voor. Landbouwkrediet doet het met één supertalent (Yaroslav Popovitsj, vorig jaar derde in de Giro) en wat oude, zeg maar aftandse gloriën die 'het nog maar eens zullen bewijzen' (Ludo Dierckxsens en zelfs Jacky Durand).

Johan Capiot weet dat het met Chocolade Jacques wel eens op 'bitter fondant' zou kunnen uitdraaien als hij niet goed uit de ogen kijkt. En dat wil zeggen: als hij zou dénken dat hij echt een ploeg van eerste klasse leidt, en zijn jongens dus probeert op te laden voor de Ronde van Vlaanderen of zo. Capiot, als renner al een van de leepsten van het peloton, weet dat dat geen zin heeft. Hij doet het anders. Zoals vorig jaar, toen hij als sportdirecteur van het bescheiden Bankgiroloterij zoveel punten won dat zelfs grote ploegen er jaloers op waren. Nu wil Capiot hetzelfde spelletje spelen. Zijn commentaar voor het openingsweekend was veelzeggend. Néén, hij mikt niet op Gent-Gent. Pas op, zijn renners mogen daar voorop rijden, maar ze moeten niet. Maar de dag nadien, in Kuurne-Brussel-Kuurne, dáár moeten ze paraat staan. Dáár moeten ze punten pakken.

Of het dit jaar een spannend dan wel een verrassend klassiek seizoen wordt, is nog maar de vraag. Museeuw valt dan wel weg, de structuur is dezelfde als die van vorig jaar, en het jaar daarvoor, en daarvoor... Klassiekers worden namelijk zo verreden: er is altijd een ploeg-Lefevere (van Mapei over Domo nu naar QuickStep) en die heeft vaak de beste klassieke renner van zijn generatie in huis. Vroeger Museeuw, nu Bettini. In België krijgt die weerwerk van Lotto, waar Peter Van Petegem een klassieke waarde op zich is geworden. Dan is er Italië, met de onvermijdelijke ploeg-Ferretti, Fassa Bortolo dus. Dat Frank Vandenbroucke weer hoopt op goede resultaten, én dat andere renners voor het eerst sinds lang daarmee niet grinniken, komt niet alleen door Vdb zijn witte pakje, maar vooral door de figuur van Ferretti. Er zijn de Nederlanders van Rabobank: de kern is zo goed als identiek gebleven, en dat is eigenlijk geen goed nieuws, want de vorige jaren leek het er sterk op dat die kern stilaan verouderd was. Marc Wauters, Maarten Den Bakker, de onfortuinlijke Erik Dekker of Michael Boogerd, of de buitenlandse spitsrenners Oscar Freire en Levi Leipheimer: toch eens zien wat ze nog kunnen.

In Frankrijk koopt Cofidis ieder jaar opnieuw een bont internationaal gezelschap samen - dit jaar onder meer wereldkampioen Igor Astarloa - en het resultaat van zoveel individuen is haast per definitie een stuk lager 'dan het kon zijn'. Er zijn de Duitsers van Telekom, waar Erik Zabel nu al een kleine tien jaar toont dat hij een kwade klant is in een wereldbekerwedstrijd. En de meeste andere landen hebben nog wel een tweede of derde ploeg: altijd Lampre in Italië, en ploegen als Saeco, Alessio of Domina Vacanze, en teams als Gerolsteiner bij de Duitsers. Misschien één aanpassing: de Denen van CSC, nu met een ontzaglijke resem buitenlanders: Bartoli, Basso, Guidi, Peron, Sciandri, Voigt... Misschien dat zij de joker in handen hebben, samen met Alessio, met Tafi en Baldato zowat het bejaardentehuis van het peloton.

Wie wil wedden, houdt het voorlopig best bij de bekende namen. Wie in Vlaanderen wil winnen, zál voorbij Van Petegem moeten. Wie in Luik-Bastenaken-Luik de beste wil zijn, móét voorbij Bettini. En Bartoli (dit jaar bij Alessio) blijft een joker, als hij dit jaar eens gezond blijft.

Concurrentie voor Armstrong

Maar zo voorspelbaar de krachtsverhoudingen, zo onvoorspelbaar het verloop in het rondewerk. Daar is niets nog wat het was. Zelfs Armstrong niet. Hij gáát voor zijn zesde Tour op rij, een ongeziene prestatie, maar in Johan Bruyneels team is niets meer wat het was. Zijn oude garde van het eerste uur is weg (Kevin Livingston gestopt, Tyler Hamilton een van zijn felste uitdagers). In plaats kwamen de Spaanstaligen, maar zijn eerste luitenant, Roberto Heras, is nu ook weg.

En dat komt door de diepe bijna-crisis waarmee het Spaanse peloton worstelde. Het voorbije decennium reden in Spanje Banesto en Once tegen elkaar, met af en toe forse concurrentie van Kelme. Kelme is naar tweede klasse getuimeld, Banesto is Illes Balears geworden, en Once Liberty Seguros. Of tenminste: wat er van overblijft. Joseba Beloki heeft de Once-trui, totaal onbegrijpelijk, ingewisseld voor die van Brioches La Boulangère, een van die middelmatige Franse ploegen. Die kan zijn Tour-ambitie wellicht opbergen. Maar zo had Manolo Saiz een kopman nodig. Met Heras krijgt hij, in tegenstelling tot Beloki, een man die kan winnen. Heras won al de Vuelta, zelfs tweemaal, Beloki nog niet. En nu mag Heras, met de steun van tijdritmachines als Igor Gonzalez de Galdeano, Armstrong bestoken.

Dat is voor Armstrong dus én steun minder, én concurrentie erbij, en bovendien is Ullrich terug bij de oude stal van Telekom (nu T-Mobile geheten). Het jammere daaraan is dat Bianchi na amper een half jaar terug uit het peloton verdwijnt, het leuke dat T-Mobile écht wel concurrentie is voor Armstrong, met Ullrich en Vinokoerov samen. Ook te duchten: de Zwitsers van Phonak, waar Hamilton de nieuwe baas wordt en er Oscar Sevilla aan zijn zijde vindt. Kortom, voor wie wil pronostikeren: voor Armstrong liggen, objectief gezien, de kaarten minder goed voor de Tour. Voor Ullrich liggen ze dit jaar beter en het aantal outsiders blijft maar stijgen: Beloki, Hamilton, Mayo en de Euskaltels, eventueel Simoni, als die zijn grote mond thuis laat en in een betere conditie aan de start verschijnt, en nu ook Heras.

En dan is er nog het Tour-parcours. De beleefdste beschrijving is: onevenwichtig. Een hooggebergte dat die naam nauwelijks waard is. Pyreneeën zonder Tourmalet of Aubisque. Geen Ventoux. In de Alpen weliswaar een klimtijdrit op L'Alpe d'Huez - hét showelement in deze Ronde - maar verder één berg die net tot 2.000 meter rijkt, de Madeleine. Voor de rest níéts van de beruchte bergreuzen. Is dat om Virenque te plezieren, de 'klimmer' die vorig jaar op zijn best was als het níét te hoog ging en de eerste wil zijn om zeven keer bergkoning te worden. Het is zeker geen Tour om de Spaanse klimmers enthousiast te maken, of om een concurrent in één rit volledig k.o. te slaan. Maar misschien is net dat laatste de bedoeling: spanning tot de slottrijdrit. En als Walter Godefroot er dan in zou slagen om de Heer Ullrich te bewegen het parcours te verkennen, dán zou het toch nog leuk kunnen worden. Als Ullrich van nu tot juli echt 'profrenner' blijft, heeft Der Jan de beste papieren. Aan Armstrong om zich sterker te tonen dan de voorbije jaren. Maar is dat menselijk wel mogelijk: Armstrong die dit jaar nog sterker moet zijn dan de Armstrong die hij was toen hij al op zijn sterkst presteerde?

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234