Dinsdag 24/11/2020

Verdwijnen in de schaduw

Wannes Van de Velde zingt, lacht, tekent, schrijft, kijkt, zwijgt en bewondert

Bijna was Wannes Van de Velde er niet meer. In december 2000 werd bij hem lymfatische leukemie vastgesteld. Toch had hij het volste vertrouwen in de artsen die hem verzekerden dat hij zou genezen. Hij ademt diep in: 'Sinds enkele maanden heb ik weer een ruimtegevoel. Ik heb lang in quarantaine geleefd, wegens mijn verminderde weerstand.' De pionier van het volkslied wordt zesenzestig maar is nog niets van zijn scherpe blik, jongensachtige gedrevenheid en gloedvolle passie verloren.

Eric Rinckhout / Foto's Stephan Vanfleteren

Met zijn grote pet tot net boven zijn ogen en in een ruime winterjas gestoken staat hij voor de deur. "Ik kom naar je toe", had hij me gezegd. Niet dat we elkaar kennen. Maar Wannes Van de Velde (°1937) verplaatst zich graag door de stad. Om te flaneren en te observeren. Hij wilde wel eens rustig door het oude Berchem wandelen. "Die negentiende-eeuwse wijken zijn authentieker dan het stadscentrum." Waarmee de toon van ons gesprek is gezet.

"Stel maar interessante vragen", had hij me vooraf gezegd. "Niet waarom ik in het Antwerps zing. Want dan antwoord ik altijd dat mijn Engels niet goed genoeg was."

Hij kijkt lang naar een abstracte prent aan de muur. Hij doet de solo van een jazzsaxofonist na. Hij demonstreert zijn zangtechniek - "De klank moet je kunnen aanhouden, je stem moet je gebruiken als een trompet." Daar staat hij, Wannes de tekenaar, de muzikant, de zanger, de verteller, in het midden van de eetkamer. Lichtjes voorovergebogen, opnieuw met weelderige haren die na zijn therapie zijn gaan krullen. Robuust, zelfverzekerd, breekbaar, kwetsbaar. Ik vermoed dat hij eigenlijk een verlegen man is, maar durf hem dat niet te vragen.

"In december 2000 was ik bijna weg. Een opstand van witte bloedcellen, een paniekreactie die in je merg ontstaat. Wellicht is milieuverontreiniging een van de oorzaken. Lymfatische leukemie is een heel oude ziekte, gelukkig gaat het om een geneesbare variant. Dat zei de dokter onmiddellijk en ik voelde dat ik hem kon vertrouwen. Het is fantastisch hoe ik door de geneeskunde ben opgevangen. Ik ben er zeker van dat het niks te maken had met wie ik ben. In het Stuivenberggasthuis was ik Willy Van de Velde, mijn officiële naam. Ik heb de grootste achting voor die dokter, een vriendelijke man die zijn enthousiasme kan laten overslaan op patiënten en verplegers. Hun accuratesse, voorkomendheid en stielkennis, chapeau. Voor mij zijn zij een soort artiesten. En ook zij worden gewantrouwd door het beleid, hé. Zoals zangers en schilders en schrijvers. Ook zij zijn het negenendertigste wiel aan de wagen.

"Al zijn er natuurlijk artiesten die het politieke spel meespelen. En die alles gedaan krijgen. Dat gaat ver. Nee, ik noem geen namen. Maar het is zeker het geval in het theater, trouwens een harde discipline, ik heb er ook in gewerkt. Van wat ik ken vind ik De Tijd van Lucas Vandervost de intelligentste, meest ambachtelijke, meest betekenisvolle stal. En voor een acteur als Bob De Moor, een man om in de watten te leggen, heb ik veel achting."

Je voorkeur gaat uit naar het 'klassieke' theater?

"Natuurlijk! Hoe kun je nu iets vernieuwen dat wellicht al duizenden jaren oud is? Alle literatuur is al eens geschreven, maar je kunt alles herscheppen. Iemand als Boontje schreef vanuit zijn wereldbeeld, zijn klasse, zijn omgeving. Ineens hóór je die Aalsterse werkmansjongen, die zijn afkomst niet verloochent. Ik doe dat ook niet, dat hoor je aan mijn accent.

"Nu is het al zover gekomen dat men aan een kunstenaar of een groep eerst vraagt of ze wel vernieuwend zijn als men ze wil subsidiëren. 'Vernieuwing' is het meest verdachte, minst waardevolle criterium om iets in de kunst te beoordelen. En dat is nu de norm - dat is toch te gek. Er is op dit moment niets zo kleinburgerlijk, petit bourgeois en nouveau riche als wat zich vernieuwend of zelfs avant-garde noemt.

"Ik zeg petit bourgeois, niet bourgeois, want dat is een klasse waar we veel interessante zaken aan danken, musea bijvoorbeeld. Neem Marguerite Yourcenar, een ongelooflijke schrijfster. Ik ben nu Archives du Nord aan het herlezen. Door haar afkomst, half adellijke boerenstand, had zij de tijd om te schrijven. Gelukkig maar. Zij heeft de klasse van een Alexander Herzen, een Konstantin Paustovski."

Is elke avant-garde dan slecht?

"Neen, maar het is een verdacht woord geworden."

Ben je dan een man van de traditie?

"Eigenlijk ook niet. Je zou verbaasd zijn als je schilderijen en tekeningen van mij uit de jaren zestig zou zien. Die zijn in wezen avant-gardistisch. Ik heb monochroom geschilderd, ik was een vriend van Jef Verheyen. Maar dan begon de beeldende kunst de commerciële richting uit te gaan, ze werd gerecupereerd door een markt. Het kwam erop aan of je verkocht in Milaan. Er verschenen artiesten zoals een Manzoni, die zijn eigen stront verkocht, en Lucio Fontana, die met een stanleymes sneden maakte in een strak gespannen doek. Dat vond ik charlatans, terwijl ze overal zeer au sérieux werden genomen. Ik ben toen gestopt. Ik ben wel blijven tekenen, heel veel zelfs - de reuk van het papier, dat is altijd een groot moment - maar schilderen is een ambacht waar je mee moet opstaan en gaan slapen."

Kwam schilderen eerst?

"Ik heb altijd geschilderd. Maar als je door zo'n klein incident het schilderen opgeeft, wil dat zeggen dat je geen echte schilder bent. Waarschijnlijk ben ik altijd meer een muzikant geweest. Fred Bervoets heeft het schilderen toch nooit opgegeven. Ineens zat mij iets dwars, een soort verburgerlijking. Eigenlijk zou ik daar niets op tegen mogen hebben. Waarom zou je je als schilder niet in een burgerlijk milieu mogen bewegen?"

Toch zette je je ertegen af?

"Ja, het heeft vermoedelijk iets met mijn afkomst te maken: werkmensen. Mijn vader was arbeider bij de Ford Motor Company. Hoewel, ik moet mezelf tegenspreken. Je blijft natuurlijk met de afdruk van je afkomst rondlopen - mijn liedjes komen er voor een groot deel uit. Maar ik ben verslingerd aan Yourcenar, en Herzen was een uitgesproken Russische bourgeois! Nee, het verlaten van de schilderkunst had niets met mijn afkomst te maken. Bervoets is bijvoorbeeld de zoon van een Wase dokwerker."

Hoe verklaar je je passie voor flamenco?

"Flamenco is een fascinatie van in mijn kinderjaren. Ik kan het niet echt verklaren. In mijn familie werd altijd wel veel gezongen: mijn vader en grootvader waren goede zangers, volkszangers. Zij zongen in het Antwerps en het Nederlands. Ik ben geboren in de Zirkstraat (vlak bij de Grote Markt en het Vleeshuis, ER), maar zij kwamen uit de Seefhoek, waar in de jaren dertig goede café-chantants waren. Mijn vader had een aangename, warme, beetje breekbare stem. Hij zong levende volksliederen, hoewel het woord 'volkslied' bij ons nooit viel, want wij hadden niks te maken met het Vlââms (hij overdrijft de aa) of met de romantische verheerlijking van het oudere Vlaamse volkslied. Ik spreek nu over de jaren dertig, de periode van de opkomst van het VNV en Rex. Het Vlaams volkslied is destijds verketterd vanwege de recuperatie door extreem-rechts.

"Na de oorlog, in de jaren vijftig, hoorde je weleens flamencozangers op de radio. Ik weet nog goed dat de gitaar met die vreemde accenten en de zang met die jammerklacht mij direct beroerden - dat is ook de bedoeling van flamenco. Ik werd zo bleek als een lijk en vroeg mij af wat dat was. Jaja, toen hoorde je dat op de radio, men was toen gevarieerder, dacht veel minder in straatjes. In de vroege jaren vijftig heb ik dan gitaar leren spelen van mijn meester, Sábas, zoals ik het in Flamencoschetsen beschrijf."

Dat was een toevallige ontmoeting.

"Neen, toeval bestaat niet. Ik had al heel vroeg gekozen voor die kunst - woorden als 'mysterieus' of 'demonisch' had ik er toen nog niet voor. En nu ben ik een flamencogitarist. Ik heb geen gitaar leren spelen pour épater les amis - jamais de la vie. Ik wilde deel hebben aan dat mysterie. Flamenco is iets religieus, een ritueel. Flamenco bevat sjamanistische elementen, zoals bij de soefi's, die zingen en musiceren om in trance te raken, om in contact te komen met Allah. Bij de flamenco is er geen god, alleen 'olé' is overgebleven van die 'Allah'. Dat komt voort uit het contact met de Moren, hoelang hebben die niet in Spanje, in Andalusië, gezeten? Uiteindelijk neem je deel aan een grote beweging, een gist waaruit de Europese cultuur is ontstaan.

"Als gitarist ben je knecht van de zanger, je lokt uit, je opent mogelijkheden. Nooit is het tweekeer hetzelfde. Dat zijn warme en opwindende muzikale momenten."

Ben je dan een mystieke mens?

"Iedere mens is mystiek, je moet alleen de moed hebben om dat toe te geven. Maar ik hou niet zo van het woord mystiek. Ik ben eerder meditatief, beschouwend. Maar zonder een god, laat dat duidelijk zijn. Ik wil veel kijken, de uiterlijke vorm doorgronden. Op die manier wordt het leven zinnelijker en warmer.

"Maar ik kan ook een soort tijdeloosheid beleven door te luisteren naar klassieke muziek. En in een goed jazzconcert vind je ook dat rituele terug. Ik heb ooit in de jaren vijftig altsaxofoon proberen te spelen en de gitaarmuziek van Hot Club de France, maar dat kon ik niet. Ik was niet geroepen om jazzmuzikant te worden. Maar ik luister graag naar een solo van Ben Webster of Coleman Hawkins, man, wat een asem.

"Jazz heeft iets primitiefs. De kracht ervan is dat het een mengvorm is: het ritme van Afrika, de fanfares en harmonieën van Europa."

Wereldmuziek avant la lettre?

"Neen, ik weiger dat begrip te gebruiken. Het schrikt me af omdat het een commerciële visie is. Als je de boys - en ik vergelijk ze graag met projectontwikkelaars - laat doen, nemen ze alle pure dingen die nog bestaan bij elkaar en draaien er een reusachtige mortadella van om er schijven van te verkopen. Je moet de pure dingen respecteren en laten wat ze zijn. Ry Cooder is een grote artiest en stielman. Maar waarom is een Ry Cooder nodig opdat de Cubaanse muziek hier populair zou worden? In de jaren zestig werden hier in de Spaanse cafeetjes zulke platen al gedraaid. Ik ken dat al heel lang. Wat Ry Cooder voor die Cubanen heeft gedaan is mooi, dat wel."

Het is de manier om het publiek naar die muziek te brengen.

"Ach, je moet uit jezelf tot die muziek komen. Pas op, dat is wat ik denk. Ik ben een moeilijke mens. (lacht)"

Ergens schrijf je: 'Ik ben beginnen zingen uit onmacht.'

"Veel mensen denken dat ik een flamingant ben omdat ik alleen in mijn eigen taal zing. Toch ben ik eerder Belgisch gezind, zoals Herman Teirlinck en August Vermeylen. In 1840 zou ik flamingant zijn geweest, misschien ook nog in de loopgraven van 1914-'18, maar in Buchenwald zou ik zeker van gedacht zijn veranderd...

"Als kind kon ik behekst zijn door een oude muur, een gevel, de muur van het Steen. Dingen die de eeuwen uitzweten. Antwerpen kan soms zoiets klams hebben. Die muren konden op sommige mistige dagen donkerder zijn - dat is de poëzie van zo'n oude stad. Ik kende de buurt rond het Vleeshuis heel goed. Wat gebeurde er nu in de jaren zestig? De grote sloop! De eerste keer was dat rond 1880 gebeurd (de rechttrekking van de Scheldekaaien, ER), wat niet nodig was, de haven had direct naar het noorden kunnen uitbreiden. Maar het gaat over percentjes, geld dat moet rollen, dat is nu ook nog zo in Antwerpen. En toen was het mijn Antwerpen dat verdween. Ik voelde mij radeloos, machteloos.

"Ik lag daarover te dubben en toen herinnerde ik me een aantal spotliederen van thuis. En ik besloot om een satirisch lied in die Antwerpse stijl te maken. In het eerste nam de Neus, een beruchte poesjenel, het woord. Het tweede was het 'Lied van de Lange Wapper' - dat Vlaams beeld dat aan het Steen staat. Lange Wapper is een waterduivel, die moet je in zijn waardigheid laten en er geen rechts-achtige Tijl Uilenspiegel van maken (lacht). Onze zonen naar het Oostfront en Uilenspiegel op kop - zo ziet hij er toch uit?

"Die liedjes sloegen in. Ik was toen ook al bezig met het oude volkslied, ik zocht liedjes op in de boeken van Edmond de Coussemaker, Pastoor Bols, Lambrecht Lambrechts, al die verzamelaars van volksliederen. Maar ik schreef ook mijn eigen liederen, omdat ik besefte dat de echte traditie daarin zit dat je erop voortbouwt."

Er is in Antwerpen wel een en ander ge-sloopt.

"Ja, zo gaat dat in Antwerpen. Er is weinig respect. In de Happaertstraat werd nog in de jaren zestig het woonhuis van Artus Quellien afgebroken - wist je dat? Dat was tot dan toe volledig bewaard. Dat soort praktijken hebben mij van Antwerpen vervreemd. Aan mijn accent zou je dat niet zeggen. Moar ek klappe toch even gère Gents, woar. (lacht) In Gent vind ik een ruimtegevoel, bijvoorbeeld op de Vrijdagmarkt. Een unieke ruimte, met daarachter de torens van Sint-Jacobs. In Antwerpen zetten ze zo'n ruimte direct vol postuurkes. Het nieuwe museumplein is mooi heraangelegd, door een architect met smaak. Maar dat ze het zo laten, hé. Zie naar de Meir. Of de Groenplaats - wat een rommel. In Antwerpen is men zeer ondoordacht met het verleden omgesprongen, erger dan in andere steden. Geld moet geld opbrengen, Antwerpen is altijd een geldstad geweest."

Is er ook in Brussel niet veel kapotgemaakt?

"In verhouding staat daar nog veel meer overeind dan in Antwerpen. Er zijn meer straten bewaard, hoewel men ook daar ondoordacht en opportunistisch te werk gegaan is. Ik hou van Brussel, het heeft een grote adem, daar gebeurt nogal wat. Vroeger had je dat ook in Antwerpen, door de haven. Maar dat is voorbij. b0b Van Reeth heeft er een mooi woord voor: de footprint van de geschiedenis voel je veel beter in Brussel. Maar misschien is het omdat ik Antwerpen zo goed ken dat ik weet wat voor stommiteiten er gebeurd zijn.

"Toch gaat het echt niet om te bewaren wat er altijd heeft gestaan. Als een stad niet zou leven en door nieuwe functies ook een ander gezicht zou krijgen, dan stonden er in Antwerpen nog lemen hutten aan de Schelde. Je moet op dat gebied niet te behoudsgezind zijn. Belangrijker is wat er in de plaats komt, en dan is het nog erger in Antwerpen. Rond het Vleeshuis hadden ze beter een goede hedendaagse architect zijn gang laten gaan. Nu staat daar iets pseudo, hoogbouw op zijn kant gelegd. Je moet geen reconstructie maken van middeleeuwse huizen. Maar men kiest graag prestigieuze projecten. 'Project', zo'n lelijk woord. Laat een stad ademen, laat een stad leven, geef de mensen en de stad een kans, ze zullen die wel grijpen. De oude stad - mijn moeder woont nog in de Hoogstraat - is nu een pretpark, zelfs de authentieke dingen krijgen er iets suspects door."

Wat vind je van de aanpak van de hoerenbuurt?

"Het is goed dat men de harde criminaliteit aanpakt, maar men heeft het ook toegelaten dat die zich daar kon ontwikkelen. Dat moeten jij en ik maar eens proberen... Er wordt nu van geprofiteerd om de wijk zelf zwaar aan te pakken. Al van in de Middeleeuwen is daar een hoerenbuurt, en nu moet ze weg. Dat is hypocriet. (fijntjes) Maar ik vermoed dat welgestelden zich daar zullen gaan vestigen. En dat de projectontwikkelaars er voor iets tussen zitten. Het is goed dat Bert Verhoye daar nog altijd zit met zijn Zwarte Komedie. Hij is heel consequent, hij heeft een goed evenwicht gevonden tussen anarchie en speelsheid."

Is er dan sinds de jaren zestig niets veranderd?

"Men zal niet zo gauw meer een halve kant van de Oude Koornmarkt afbreken, dat niet. En ik zie ook positieve tekenen. Er is goede privé-architectuur, invularchitectuur tussen oude panden in Sint-Andries bijvoorbeeld. Er is een wil tot verbetering. En het Eilandje kan iets goeds worden. Het is een prachtige plek natuurlijk, je voelt er de ruimte, de zee.

"Maar vergeet niet dat de Vlaeykensgang gered is dankzij een privé-persoon. De meeste andere gangetjes zijn gesloopt. In de jaren vijftig en zestig moest de wereld beter en moderner worden. Meer licht en meer lucht werd dan geïnterpreteerd als een kamer met grote ramen. In die gangetjes woonden de armste mensen. Ik moet mijn meningen nooit te scherp stellen, maar ik denk dat veel socialisten - ik kom van die kant, dus ik mag dat zeggen - zich schaamden voor die schamelheid en die armoede. Eén gang, zeven huishoudens, één gemak - dat was het Sint-Andrieskwartier vroeger en dat moest allemaal weg. Ze waren beschaamd over hun afkomst. Ik niet. Antwerpen is nog altijd mijn wereld."

Hoe ga je met een wereld om die zo beschadigd is?

"Het weefsel van de stad is aangetast, ook het sociaal leven is aangetast. Ik heb wat pleinvrees in die stad, ik kom niet zo gemakkelijk meer buiten. Er bestaat nog hartelijkheid, maar het algemeen klimaat (aarzelt), ik voel nog weinig geestdrift, weinig vertrouwen. Hoe dat komt? Ik weet het niet. Materialisme?"

Heeft het Blok dat veroorzaakt, of is het omgekeerd?

"Dat was er al voor het Blok. Tot op zekere hoogte is een verschijnsel als het (nadrukkelijk) Vlââms Blok onverklaarbaar in een stad als Antwerpen. Een stad die al eeuwen kosmopolitisch en veelkleurig is door de haven. De Portugezen zijn de oudste niet-Nederlandstalige gemeenschap. Die waren hier al rond 1300 en ze zijn er nog, aan het Sint-Jansplein. Dat zijn cadeaus voor een stad.

"Je kunt het Blok verklaren vanuit een zekere subversiviteit van de Antwerpenaar, een ingeboren maar verkeerd begrepen anarchisme. Want als je voor een macht kiest, ben je geen anarchist."

Heeft het te maken met geknakte trots?

"De solidariteit is verdwenen. Maar het Vlaams Blok is een vorm van traditioneel rechts denken. Ik denk dat er inmiddels vormen van rechts denken bestaan die wij nog niet als dusdanig herkennen omdat ze geen runetekens dragen, geen art-decopetten zoals de nazi's. De Duitse officieren waren net art-decomeubelen, zo'n gast zie je toch zo in een loft op het Zuid, hé. Voel je mij komen? Ik leg de link naar het nieuwe rijkendom in de lofts, waarover je in de glossy magazines kunt lezen. In Europa zijn er vele rechtse strekkingen - geen fascisten of nazi's. Het Vlaams Blok komt wel uit het fascisme, met hun arrogantie, hun kilte, hun wreedheid.

"Die mensen mogen toch maar zeggen wat ze willen. Als Abou Jahjah wordt aangehouden 'voor opruiende taal', dan lopen er anderen rond die al heel wat langer voor veel mensen kwetsende en dus opruiende taal in de mond hebben genomen."

Toch blijf je in Antwerpen wonen, dat blijft een voedingsbodem.

"Absoluut. De stad in het algemeen is een van de boeiendste emanaties van de menselijke cultuur, een bevestiging van de creativiteit van de mens. Een stad is iets miraculeus, ze geeft mij heel veel voeding. Het is toch merkwaardig dat zo'n stad voor het grootste deel gemaakt is door mensen die nu dood zijn, en toch hebben wij daar contact mee. Een stad is vol herinneringen aan vroeger. Ik hou van de perspectieven, de spanning van een kamer in een huis. Een stadsmens is ook een groep. Een stad is door mensen samen gemaakt, er was ooit solidariteit voor nodig. Een stadis een samenspel van commercie, kunst en zoveel andere dingen, in een stad kun je lezen zoals in een boek."

Heeft je ziekte je veranderd?

"Ja, maar niet in religieuze zin. Ik ben niet over het leven na de dood beginnen nadenken. Nu, de laatste paar maanden (ademt diep in) heb ik weer wat ruimtegevoel gekregen. Ik heb in quarantaine geleefd, wegens een verminderde weerstand. Misschien is mijn perceptie van de wereld veranderd, heb ik een grotere sereniteit en ben ik minder veeleisend geworden. Ik heb nog minder nodig om te leven. Tegelijk ben ik nog meer verstoord door mensen die haat prediken, omdat het zo onnuttig is. En ik ben nog allergischer geworden voor de administratie. Tegen hen kun je niet op. Nu heb ik een statuut, dat van gepensioneerde. Vroeger was ik niets. In het begin trok ik mijn plan, zoals de zigeuners, maar als je ouder bent wordt dat vernederend. Zonder dat zwaard van Damocles had ik als kunstenaar veel meer gedaan, dat heeft me veel wind uit de zeilen genomen."

Maar je treedt opnieuw op.

"Een week in de Rataplan in Borgerhout. Daarna doe ik een tournee, twaalf optredens met Spaanse vrouwen. Volgend jaar ga ik opnieuw met mijn eigen groep optreden. Ik heb heel wat nieuwe liederen geschreven, twaalf à dertien, dat is veel voor mij. Ze gaan vooral over plaatsen: Saeftinge en Doel, waar mijn grootmoeder vandaan kwam, Charleroi en Hellegat. Die wil ik brengen met enkele hoogtepunten van vroeger in nieuwe arrangementen."

Je blijft vasthouden aan het volkslied, heb je nooit invloeden uit rock of jazz gehad?

"Ik ben opgegroeid met jazz, met bebop. Charlie Parker, Dizzy Gillespie en de bluesmannen. Maar ik kon ook met mijn vrienden hele namiddagen luisteren naar de clavecimbelconcerten van Bach, naar Afrikaanse en Indische muziek. Rock en pop interesseerden mij niet. Ik heb niets tegen de Beatles, maar ik vond dat week in vergelijking met de andere dingen die ik kende."

Heeft het iets met authenticiteit te maken?

"Waarschijnlijk wel. Maar authenticiteit dekt vele ladingen. De Beatles kun je geen authenticiteit ontzeggen, in hun creaties waren ze zeer authentiek. Maar met 'authentiek' bedoel ik een zekere abstractie. Het heeft ook te maken met het indvidu dat in de muziek kan verzinken, dat heb je ook in flamenco en jazz."

De muzikant is een groep?

"Natuurlijk, je bent versmolten met de andere. Dat heeft iets erotisch. De muzikanten die naar elkaar glimlachen, elkaar aanmoedigen, dat zijn unieke momenten. Het gaat om soorten muziek zonder vedettisme. Ik kies altijd al de kant van de verliezers, ik moet geen winners hebben, zeker niet als ze vulgair zijn zoals Mick Jagger. Hij biedt zijn vulgariteit aan als kenteken en koopwaar. Waarom? Hij heeft succes door zijn vulgariteit en door blueszangers een beetje te imiteren. Maar hoe komt het dat Muddy Waters en Robert Johnson, die zingen over neukpartijen, nooit vulgair zijn? Of Bessy Smith en Ma Rainey? Die zijn ontroerend. Muddy Waters zingt over een negentienjarig meisje dat hij niet meer kan bevredigen. (schaterlacht) Hij, de Hoochie Coochie Man. Dat komt omdat die zwarte zangers uitgaan van een natuurlijk gegeven, ze brengen mondelinge poëzie. It's the way that you do it.

"Neen, geef mij een muzikant die zich vereenzelvigt met zijn muziek en daardoor een deel van zijn individualiteit prijsgeeft. Dat is heel belangrijk in de muziek. Er zijn rockartiesten die wel iets meedelen, in tegenstelling tot de Stones. Van Bob Dylan heb ik 'Masters of War' vertaald als 'Oorlogsgeleerden'. Iggy Pop, Lou Reed, John Cale, hebben prachtige, poëtische teksten over de donkere kant van de stad, de zelfkant. Of Ray Charles: wat een ritme. Rock heeft vaak geen ritme, daar wordt gehakt, in tegenstelling tot jazz of flamenco."

Zie je opvolgers? Zijn er Nederlandstalige zangers met wie je affiniteiten hebt?

"Mark Hauman maakt mooie, poëtische teksten. Hij zingt een Nederlands met een zacht Waaslands accent. Met zijn groep hoor je hem in de Rataplan. Hij heeft nog zangstage bij mij gevolgd.

"Iemand die ik als Vlaamse, ietwat subversieve chansonnier graag heb is Raymond. 'Brussels by Night' is een meesterwerk, misschien wel de beste popsong die ooit in het Nederlands is geschreven. Er zijn gasten die koppig met hun eigen kleur bezig zijn, zoals Luc De Vos, die ook goed schrijft. Hij brengt een soort verslagenheid en twijfel over. Als de muzikanten maar niet liegen.

"Eva de Roovere (zangeres van Kadril, ER) is iemand die serieus bezig is, het is ook iemand die zich vragen stelt. Ik heb haar nog in de richting van de folk gestampt. Een goede volkszanger is iemand die zich kwetsbaar opstelt, die ontroert. Ik word ook ontroerd als ik Taraf de Haïdouks (een Roemeense zigeunergroep, ER) hoor en besef dat zoiets aan het verdwijnen is. Over enkele jaren is dat ingepalmd door de wereldmuziek.

"Ook voor Laïs heb ik respect. Ze hebben gekozen voor het grotere publiek, maar dat is hun duidelijke keuze. Alleen als folk de richting van de new age uitgaat, haak ik af.

"En er is Roland natuurlijk, die een heel specifiek klimaat neerzet, zijn schaduwwereld. Ik ben ook altijd iemand geweest die zweert bij de schaduw. De schaduw waarin je verdwijnt is interessanter dan de schijnwerpers. Het schaduwgebied waar de verliezers komen, de mensen die ook weleens willen zwijgen - daar zit ik eigenlijk op mijn plaats."

Wannes Van de Velde is een week lang de centrale gast in Rataplan, Borgerhout. De film 'Home Sweet Home' (11 februari, 20.30 uur), Wannes zingt ballads, Groupe Moretti, De Cauter Quartet (12 februari, 20.30 uur; uitverkocht), Djar, Tezerdi, Amparo Cortes (13 februari, 20.30 uur), Kris De Bruyne en Wigbert, Roland en Wannes Van de Velde (14 februari, 20.30 uur; uitverkocht), Hauman en de Moeite, Water en Wijn, Groep Wannes Van de Velde (15 februari, 20.30 uur; uitverkocht) en Wannes in woorden (16 februari, 15 uur). Inlichtingen en reservering Rataplan, Wijnegemstraat 27, 2140 Borgerhout, tel. 03/235.04.90.

De boeken 'Flamencoschetsen' (2001) en 'Een wad in de tijd' (1997) werden uitgegeven door P in Leuven. 'In de tijd. Notities 1987-1993' verscheen bij Paradox Pers, Antwerpen. De twee volgende dagboekdelen van Wannes Van de Velde zullen bij P in Leuven verschijnen.

'Het Vlaams Blok is een vorm van traditioneel rechts denken. Ik denk dat er inmiddels vormen van rechts denken bestaan die wij nog niet als dusdanig herkennen omdat ze geen runetekens dragen, geen art-decopetten zoals de nazi's. De Duitse officieren waren net art-decomeubelen, zo'n gast zie je toch zo in een loft op het Zuid, hé'

'Een stadsmens is een groep. Een stad is door mensen samen gemaakt, er was ooit solidariteit voor nodig. Een stadis een samenspel van commercie, kunst en zoveel andere dingen, in een stad kun je lezen zoals in een boek'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234