Vrijdag 18/10/2019

Verbod op jihad-propaganda is even nuttig als chocoladen theepot

Jogchum Vrielink doceert aan de Université Saint-Louis (Brussel). Koen Lemmens is hoofddocent aan de KU Leuven en de VUB.

Federaal procureur Frédéric Van Leeuw wil dat het "bezit, of minstens het bewust opzoeken, van jihad-propaganda" verboden wordt (DM 23/6). Dat kan, zo meent hij, "zonder de vrijheid van meningsuiting aan banden te leggen". Maar volgens die redenering kan je ook eenieder zijn vingerafdrukken en DNA-stalen nemen zonder het recht op privacy aan banden te leggen. Dat lukt dus niet.

Een deelaspect van de vrijheid van meningsuiting is immers de informatievrijheid. Een inherent onderdeel van de expressievrijheid is het kunnen én mogen ontvangen van informatie. Die vrijheid komt door Van Leeuws voorstel sterk in het gedrang. In een democratische rechtsstaat is het essentieel dat je jezelf kan informeren. Zelfs over aangelegenheden die strafbaar kunnen zijn in hoofde van degenen die ze produceren.

Dat is niet alleen onontbeerlijk voor specifieke beroepsgroepen of specialisten, zoals journalisten of radicaliseringsexperts. Ook in ruimer opzicht is het belangrijk dat elke burger gelijke mogelijkheden heeft om zich te (laten) informeren, zonder daarbij afhankelijk te zijn van de overheid of van andere 'officiële' bronnen.

Hoe moeten journalisten en onderzoekers hun werk nog verrichten als Van Leeuws voorstel realiteit wordt? Ook als zij op een of andere manier uitgezonderd zouden worden van de maatregel, blijft het feit dat de gewone burger erdoor getroffen wordt: in een tijd van Twitter en blogs is het ondenkbaar dat we terugkeren naar een situatie waarin mensen weer afhankelijk zouden zijn van bronnen die zij zelf niet kunnen - of hier zelfs 'mogen' - verifiëren. Onder dreiging van strafsancties dan nog.

Daar komt de afbakeningsvraag bij. Bezitten of opzoeken van jihad-propaganda moet strafbaar worden. Maar wat is 'jihad-propaganda' exact? Uiteraard zijn er onbetwistbare gevallen, maar er bestaat een grote schaduwzone. Het chilling effect dat zou uitgaan van een verbod zou oeverloos zijn: mensen zullen uit angst (nodeloos) allerlei websites beginnen te mijden, om het zekere voor het onzekere te nemen. Met extra schade voor de informatievrijheid tot gevolg.

Surfcriminalisering

De maatregel beoogt meer effectiviteit en efficiëntie. Premier Charles Michel reageerde vanuit die optiek ook voorzichtig positief: "Ik sta altijd open om te bekijken wat we kunnen doen om efficiënter te zijn in de strijd tegen terreur". Maar juist vanuit efficiëntieperspectief lijkt het voorstel even nuttig als een chocoladen theepot.

Om te beginnen zal 'surfcriminalisering' radicalisering niet indammen. Echte radicalen en potentiële terroristen zullen hun informatie - zoals vandaag trouwens al goeddeels het geval is - op een andere manier zoeken dan via het reguliere internet (bijvoorbeeld via het dark web en andere niet-geïndexeerde sites). Door het verbod versterk je dat proces nog en jaag je mensen ondergronds. Resultaat is dat je vooral minder zicht hebt op online radicaliseringsprocessen.

Verder sorteert het verbod het klassieke effect van de 'verboden vrucht', waardoor de interesse in het verbodene juist wordt aangewakkerd, met bijkomend radicaliseringsrisico tot gevolg.

Tot slot is het erg de vraag hoe je zo'n verbod handhaaft. De monitoring die een surfverbod zou vergen is gigantisch. Om nog maar te zwijgen van de grootschalige privacyschendingen die eruit zouden volgen. Verboden die dermate onwerkzaam en onafdwingbaar zijn, zouden nooit wet mogen worden. Zeker niet gezien justitie en het gerechtelijk apparaat al overbevraagd zijn.

Hoe opmerkelijk het voorstel is, blijkt ook uit de parallel met andere informatiedragers: bij boeken of tijdschriften met een potentieel laakbare inhoud pakken we toch ook niet de ontleners, kopers of (andere) lezers ervan aan?

Van Leeuw zou allicht tegenwerpen dat dat de verkeerde analogie is. Zijn eigen vergelijkingspunt is kinderporno: "In ons land is het vandaag verboden om sites te bezoeken met beelden van kindermisbruik", dus waarom niet eveneens het raadplegen van jihadistische sites verbieden?

Die analogie gaat niet zomaar op. De aanmaak van kinderpornografie impliceert het misbruiken van kinderen. Opzoeken en bezitten van kinderporno is daardoor indirect kindermisbruik en om die reden strafbaar op zich. Datzelfde geldt niet voor alle jihadistische sites. Bij jihadistische teksten of video's met speeches bijvoorbeeld is de link met schadelijk gedrag door de surfer zelf onduidelijk. Als je het opzoeken of bezitten van zo'n materiaal verbiedt, kan je dan niet evenzeer het bezoeken van allerlei andere sites met omstreden inhoud - rechts- en links-extremistische sites, bijvoorbeeld - verbieden?

Bij onthoofdingsvideo's ligt dat enigszins anders, maar ook daar zijn relevante verschillen met kinderporno. Zo beïnvloeden gebruikers van onlinekinderporno het aanbod aanzienlijk, waardoor de link met eigen schadelijk gedrag duidelijker is.

Bovendien geldt dat mensen die bewust naar kinderporno zoeken vrijwel altijd zelf pedoseksueel zijn en daardoor een gevaar, of minstens een risico zijn voor de samenleving. Voor wie naar jihadistische websites gaat, geldt dat minder. Daar kan het evengoed gaan om mensen die zich willen informeren rond de waanzin van die sites.

Tot slot hebben onthoofdingsvideo's - hoe verschrikkelijk ook - een maatschappelijke relevantie die afbeeldingen van kinderporno niet hebben. Ook die relevantie of nieuwswaarde maakt dat de analogie tussen de beide spaak loopt.

Moet het van de EU?

Van Leeuw verwijst tot slot naar het feit dat de EU werkt aan een nieuwe richtlijn voor de bestrijding van terrorisme. Die zou terroristische zelfstudie strafbaar maken, waardoor we binnenkort dit soort surfgedrag sowieso moeten criminaliseren.

Het klopt dat er een nieuwe richtlijn aankomt. Voor Van Leeuws voorstel is ze relevant waar ze het ontvangen van terroristische training strafbaar stelt. Lidstaten zullen moeten tegengaan dat mensen onderwezen worden in het maken van bommen en gevaarlijke materialen, als althans het doel daarvan is om die zaken te gebruiken voor terrorisme.

De richtlijn stelt dat zelfstudie weliswaar strafbaar kan zijn, maar alleen als het gaat om actief gedrag met de bewuste, aantoonbare intentie om terroristische daden te plegen. Iets totaal anders dus dan het loutere bezoeken van websites of het bezitten van video's.

Het voorstel van Van Leeuw lijkt dus in het gunstigste geval ineffectief te zullen zijn en allicht zelfs meer kwaad dan goed te zullen doen.

Dat betekent niet dat er niets anders mogelijk is of dat we voorstanders zouden zijn van een softe benadering van terrorismebestrijding. Het recht bevat echter al talloze middelen om de terrorismeproblematiek het hoofd te bieden; die moeten doelgericht worden toegepast.

In tijden van maatschappelijke onrust is het vooral belangrijk dat de staat zelf zijn kalmte bewaart en zijn rechtsstatelijke grondslagen niet verkwanselt. Te ruime en te vage strafbaarstellingen passen hier niet. Laten we niet (mee)surfen op golven van morele paniek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234