Zondag 05/12/2021

Veranderende tijden

Het leven van een Chinese kloosterling wordt steeds moderner. 'Ah, Kullit en Van Basten,' roept de monnik als hij hoort dat we uit Nederland komen

Monniken met een nep-Rolex om de pols en grote belangstelling voor het Europees voetbal, Chinese jongens in spijkerbroeken en leren jasjes, heupwiegende meiden in korte rokjes en met fel gekleurde rugzakjes. Mao zou zijn volk niet meer herkennen, bedacht Ronald Van Wijk

Als we de bus naar Xiahe instappen weten we nog niet dat we daar negen uur later bont en blauw aan zullen komen. Het busstation is nog niet uit het zicht verdwenen of de eerste vechtpartij breekt uit. Twee schuimbekkende Chinezen vliegen elkaar in de haren. Van de een moet het raampje open, van de ander dicht. Naar hartelust rukken ze aan het raampje. Even later staan ze er bijna mee in hun handen. Door gebrek aan vering heeft de bus het sowieso al zwaar te verduren. Het gevaarte rammelt aan alle kanten en de passagiers rammelen mee. Als dat zo door gaat rijden we straks alleen op vier wielen Xiahe binnen.

Geweerschoten knallen links en rechts om mijn oren als ik de hoofdstraat inloop. In een reflex duik ik weg. Vrolijk kwetterend lopen de inwoners van Xiahe door alsof er niets aan de hand is. Er is ook niets aan de hand. Beschaamd krabbel ik overeind en probeer net zo onverstoord door te lopen als iedereen. Het geluid van schoten komt uit een huis. Drie kleine jongens verdringen zich voor de deuropening. Links en rechts hangen geluidboxen. Ik kijk over het drietal heen de deuropening in. Een klein filmzaaltje is gevuld met het standaard Chinese gezin; papa, mama en een kind. Op het filmdoek is een Chinese Rambo aan het heropvoeden geslagen. Losse armen en benen vliegen door het beeld. Om toeschouwers te lokken laat de eigenaar het geluid van deze scenes door de hoofdstraat schallen. De concurrentie is groot. Telkens ik een filmhuis passeer, hoor ik nieuwe vechtpartijen uitbreken.

Het is een drukte van jewelste in de hoofdstraat van Xiahe. Tussen kleine huisjes en winkeltjes schrijden monniken in paarse pijen. Nomaden met lange vlechten zijn gehuld in dikke wollen kleding. Net zoals de Hui-Chinezen, die er een heel aparte brilmode op nahouden. Hoe groter de bril, hoe mooier, lijkt hun devies. Om te voorkomen dat de bril onder het gewicht van de glazen afzakt, bindt de drager de brillenpoten met een touwtje om het hoofd. Pelgrims kuieren naar het Labrangklooster. Het klooster is in 1709 gesticht. Een Mongoolse vorst vond dat een mooie afsluiting van zijn pelgrimstocht naar Lhasa in Tibet.

Het Labrangklooster is een van de zes grote Tibetaanse kloosters in China. Voor de Culturele Revolutie woonden er nog vierduizend Tibetaanse geelmutsmonniken. Tijdens de revolutie nam dat aantal door 'de grote schoonmaak' snel af. Tegenwoordig wonen er rond de vijfhonderd.

Aan het begin van de straat naar het klooster staat een witte stoepa. Niet alleen monniken prevelen daar hun gebeden. Ook in vodden gehulde vrouwtjes lopen er rond. Of liever gezegd; liggen rondom dit bolvormig boeddhistisch bouwwerk. Ze strekken zich uit op de grond, staan op, lopen een paar passen en laten zich weer vallen. Op hun gezichten zijn rode blosjes van gesprongen aderen zichtbaar. Hun haar zit onder het stof. Een klein jongetje pakt de hand van een oude blinde man beet en leidt hem rond de stoepa. Een kreupele sleept zichzelf voort.

Andere pelgrims dreigen te bezwijken onder het gewicht van hun sieraden en de met gekleurde stenen bedekte riemen om hun lijf. Bij iedere nieuwe ronde gaat hun kralenketting een kraaltje verder. Een paar meter verderop brengen monniken gekleurde gebedsrollen in beweging. Een vrouw met haar kind zingt keihard terwijl ze de rollen een flinke zwiep geeft. Als ze de weergoden aanroept heeft ze succes; de motregen verandert in een stortbui.

Donderslagen en bliksemschichten; het groene heuvellandschap en de gele koolzaadvelden rondom het klooster lichten kort op. We rennen een eethuisje in. De eigenaar staat met bezweet gezicht te roeren in pannen waaruit stoomwolken opstijgen. Twee peuters kruipen over en onder de tafels door. Een monnik zit aan het zwart-wittelevisietoestel gekluisterd. Geboeid kijkt hij naar een Italiaanse voetbalwedstrijd.

Het leven van een kloosterling wordt steeds moderner. "Ah, Kullit en Van Basten," roept de monnik als we vertellen dat we uit Nederland komen. Na de wedstrijdt overlaadt de Chinese staatstelevisie de kijker met oude beelden van de wederopbouw van China in de jaren vijftig. Glimlachende mensen werken keihard op het land, in de industrie, en Mao probeert tot na zijn dood zieltjes te winnen. Verveeld wordt de tv met een klap op een andere zender gezet.

Een dienster met een peignoir over haar trui bedient ons. Ze ziet mijn camera en schreeuwt het hele eethuisje bij elkaar. "You picture?," vraagt ze, terwijl ze de familie al indeelt voor een staatsieportret. De jongsten worden vooraan gezet. Hoe ouder het familieid, hoe verder achteraan. Pa rent snel de keuken uit. Hij is al bijna uit beeld als de foto is gemaakt. Buiten breekt de zon weer door.

Als we door de blubber de heuvels opklauteren ontmoeten we een groep monniken. In plaats van aan de stoepa vereren zij Boeddha door iedere dag een paar uur rond het klooster te lopen. Na binnen een halve dag 1500 meter hoogte te hebben overbrugd moeten wij daar niet aan denken. We dalen af naar de snelstromende rivier en wandelen de brug op. Drie monniken keuvelen met elkaar, de boodschappentassen aan de arm. Een van hen opent zijn handtas, pakt er een verrekijker uit en bestudeert ons aandachtig. We zwaaien en bekijken hen door de lens van ons fototoestel. De monniken schieten in de lach. De grootste neemt zelfs Vogueposes aan. Wij doen hetzelfde als we naar ze toe lopen. Hoewel we geen woord kunnen wisselen, babbelen we in gebarentaal mee. We doen wedstrijdje wie het langste is. De monniken zetten me tegen hun ruggen aan. Met mijn 1 meter 87 eindig ik op de tweede plaats.

Twee bruine ogen kijken me verlegen maar lachend aan. Jenba Jiem Tso draagt een goudkleurig horloge om zijn pols. Dat doet wat merkwaardig aan bij een goedgemutste Tibetaanse geelmutsmonnik. Monniken horen op een houtje te bijten. Jenba is de eerste goed Engels sprekende monnik die we tegen komen. "Engels heb ik geleerd van BBC-Worldradio," vertelt hij. Om zijn Engels verder bij te spijkeren probeert hij de zender weer op te zoeken. Z'n radio heeft echter z'n beste tijd gehad. Hij morrelt wat aan de antenne, schudt de radio even door elkaar en eensklaps staan we midden in het Engelse Lagerhuis. MP's hebben het over mensenrechten. Niet direct een onderwerp waar Jenba in China zijn voordeel mee kan doen.

Jenba woont samen met vijf andere monniken rondom een binnen- plaats. Iedere monnik heeft zijn eigen kamertje, voorzien van bed, stoel en tafeltje. Aan de muur een druk met rozen bedekt behangetje. Kalenderposters bungelen aan punaises. Een afbeelding met tulpen van de Keukenhof is er een van. Jenba verdient yens door het maken van minutieus gedetailleerde mandalaschilderijtjes die hij verkoopt aan reizigers. Van de opbrengst heeft hij onder andere zijn imitatie-Rolex gekocht. Tijden veranderen, ook bij een Tibetaanse geelmutsmonnik.

De tijd staat sowieso niet stil in Xiahe. Door de hoofdstraat horen we Michael Jackson schallen. De bron van deze muziek vinden we zo; een klein winkeltje puilt uit van honderden muziekcassettes. We zijn niet meer te bedwingen. We swingen er op los. Na 'Beat it' en 'Leave me alone' bekijkt een honderdkoppig publiek schaterlachend onze verrichtingen. Met een kniebuiging kondigen we het einde van de voorstelling aan. Een hevig applaus barst los. Uitgeput zoeken we een eettentje op. Langslopende monniken die ons zien zitten, laten als herkenning een stukje discodans zien, om dan, nog nahikkend, door te lopen.

We bestellen kip. De linkerpoot wordt met nagels en al geserveerd. Met onze eetstokjes gaan we als volleerde jongleurs aan de slag. Tegenover ons zitten Chinezen die bij iedere hap kip een teen knoflook naar binnen werken. 's Avonds in bed ben ik blij dat mijn reisgenote niet hetzelfde heeft gedaan.

Xiahe, 13.000 inwoners, ligt in de staat Gansu, in het noordwesten van China. Het bevindt zich 240 kilometer ten zuidwesten van Lanzhou, de stad die onderdeel is van de Zijderoute. Lanzhou is vanuit Beijing in 35 uur per trein bereikbaar. Per vliegtuig met China Air in twee uur.

Vanuit Lanzhou, de hoofdstad van Gansu, kunt u per bus doorreizen naar Xiahe. De bus vertrekt vanuit het Lanzhou West busstation om 06.30 uur. In de zomer om 07.30 uur. De reis duurt ongeveer negen uur, met een lunchstop in de plaats Linxia. Koop een buskaartje een dag van tevoren. Wees op de dag van vertrek minstens een kwartier van tevoren aanwezig met het oog op het inladen van de bagage.

De nacht voor vertrek kunt u het beste in het Friendship-hotel overnachten. Het is namelijk het hotel dat zich het dichtst bij het busstation bevindt, ongeveer vijftien minuten lopen. In Xiahe is het Xiahe Binguan-hotel een goede keuze. Het ligt 45 minuten lopen vanaf het busstation. Het Minzu Fandian-hotel ligt een stuk dichter bij het busstation, maar is erg eenvoudig.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234