Donderdag 02/04/2020

'Venetië is dood'

Gesprek met misdaadauteur John Berendt

Haast en spoed is zelden goed. John Berendt heeft er na Middernacht in de tuin van goed en kwaad elf jaar over gedaan om een tweede boek te schrijven. Het onderwerp: Venetië, 'een stad waarover al zoveel is geschreven dat er niets meer over te vertellen valt'. Of wel?

Door Bart Holsters

John Berendt

Stad der vallende engelen

Oorspronkelijke titel:

The City of Fallen Angels:

a Venice Story

Vertaald door Gert-Jan Kramer & Marga Blankestijn

Bruna, Amsterdam,

391 p., 19,95 euro.

John Berendt is een new journalist van de oude school. Hij leerde het vak in de jaren zestig en zeventig, in de schaduw van de reuzen van die tijd, Tom Wolfe, Truman Capote, Norman Mailer, Gore Vidal, Gay Talese, en verdiende zijn sporen bij Esquire en later als hoofdredacteur van New York Magazine. In 1994 verscheen zijn eerste non-fictionboek, het fascinerende verslag van een moordzaak in de stad Savannah, een schilderachtige vergane glorie in het zuiden van de VS. Het werd een gigantisch succes, een internationale bestseller die hem een nominatie voor de Pullitzer-prijs opleverde en in 1998 door Clint Eastwood werd verfilmd, met Kevin Spacey in de hoofdrol.

Toen John Berendt begon uit te kijken naar een onderwerp voor een nieuw boek, stak het lot een handje toe: het Fenice, het beroemde operagebouw van Venetië, werd door een brand verwoest. Geruchten deden de ronde dat het vuur aangestoken was en dat de maffia ermee te maken had. Berendt, die Venetië goed kende en er vrienden had, hoefde niet langer naar een onderwerp te zoeken.

Het resultaat van vier jaar research in Venetië en vijf jaar schrijven in New York verscheen dit najaar: Stad der vallende engelen. Het is een knap staaltje van journalistiek geworden, buitengewoon goed gedocumenteerd, vlot geschreven en bevolkt met een stoet van excentrieke personages. Toch ontgoochelt de vergelijking met Middernacht in de tuin van goed en kwaad enigszins, want in tegenstelling met Berendts debuut mist Stad der vallende engelen een sterke lijn en een boeiende intrige.

Het verhaal van het Fenice is de ruggengraat van het boek, dat begint met de brand - een spectaculair eerste hoofdstuk - en eindigt met de feestelijke opening van de herbouwde opera. Maar het is een vrij zwak verhaal. De geruchten over de maffia blijken ongegrond, de ware toedracht van de brand blijft onduidelijk en de wederopbouw verloopt - ondanks alle Italiaanse corruptie - een stuk vlotter dan zeg maar de heraanleg van de Antwerpse Leien.

Rond de brand weeft Berendt vijf lijnen die eigenlijk niets met het Fenice te maken hebben. Een eerste is de tweespalt in een beroemde familie van glasblazers: twee zonen liggen met elkaar overhoop en een van hen probeert zijn oude vader onbekwaam te laten verklaren om er met de firmanaam vandoor te kunnen gaan. Een tweede episode draait om de zelfmoord van een homoseksuele dichter. Nadat hij zich heeft opgehangen, verspreidt zijn louche uitgever het gerucht dat hij vermoord is.

In de drie andere verhalen spelen Amerikanen de hoofdrol. Berendt onderzoekt een vreemd verhaal over de weinig orthodoxe manier waarop de echtgenote van de conservator van het Guggenheim-museum de archieven van Ezra Pound, de in Venetië overleden Amerikaanse dichter, heeft willen 'beschermen'. Hij vertelt over het gekibbel in een familie van uitgeweken Amerikanen die al drie generaties in Venetië woont, over het lot van hun palazzo: het geld om het paleis te onderhouden is op, twee van de drie kinderen willen verkopen, het derde niet. En ten slotte is er de onfrisse geschiedenis van het gekonkel en de machtsstrijd binnen Save Venice, een club van Amerikaanse snobs die meer begaan zijn met hun sociale prestige dan met de kunstschatten die ze beweren te willen redden.

Het verband tussen al die episodes is ver te zoeken, zodat het bijna een wonder lijkt dat Berendt met zijn heterogene materiaal een boeiend boek heeft kunnen breien. Pas achteraf begrijp je dat de verschillende verhalen wel degelijk iets met elkaar gemeen hebben: allemaal gaan ze over een dood en het geruzie rond een erfenis. Dat thema is een metafoor voor Venetië zelf, of zoals iemand in Berendts laatste hoofdstuk zegt: "Venetië is helaas dood. Dit alles is slechts de uitbuiting van het dode lichaam - de schaamteloze uitbuiting van het lijk."

Er is meer dan tien jaar verstreken tussen uw debuut en Stad der vallende engelen. Waarom heeft het zo lang geduurd?

"Dat heeft meer dan één oorzaak. Ten eerste ben ik niet meteen begonnen. Tot in 1996 had ik het zo druk met de nasleep van Middernacht, dat ik niet aan schrijven toe kwam. Tegen die tijd zaten de mensen zich al af te vragen waar mijn tweede bleef. Toen kwam de brand van het Fenice, waarna ik vier jaar in Venetië bleef om onderzoek te doen. Pas in 2000 vond ik dat ik genoeg materiaal had om er een boek over te schrijven en tekende ik een contract. De deadline was 2003 en die heb ik met anderhalf jaar gemist."

Ging het schrijven zo moeizaam?

"Nee, maar ik bleef teruggaan naar Venetië om nog meer onderzoek te doen. Bovendien had ik geen haast."

U hebt dus niet met opzet tot 2003 getreuzeld, toen het nieuwe Fenice werd geopend en uw verhaal rond was?

"Dat had niet gehoefd. Ik had net zo goed halfweg de wederopbouw kunnen stoppen, bijvoorbeeld toen het oorspronkelijke bouwconsortium na een proces de aanbesteding verloor en een andere groep het overnam. Dat was ook een mooi einde geweest, heel Italiaans."

Hebt u niet te lang gewacht? In 1996 was de brand van het Fenice groot nieuws, vandaag is hij geschiedenis.

"Het was mij geen moment om de nieuwswaarde te doen. Toen ik voor Esquire schreef, dat maandelijks verschijnt, publiceerden wij soms artikelen over dingen die zes of acht maanden vroeger waren gebeurd. Maar dat waren dan wel bijzondere artikelen, stukken die superieur waren aan wat je in de krant of in de weekbladen las. Voor ik daar kwam, had je in 1960 de Democratische Conventie, waarop John F. Kennedy werd genomineerd. Esquire wachtte acht maanden met zijn artikel over de conventie, maar het was dan wel een stuk van Norman Mailer, een sensatie. Hij had met zoveel mensen gepraat, zoveel onderzoek gedaan, zoveel indrukken verzameld dat hij een briljant artikel kon schrijven dat iedereen las en waar iedereen over sprak. Dat heeft de toon gezet voor onze manier van werken. Het stuk was acht maanden na de conventie nog actueel en zou dat twee jaar na datum ook zijn geweest. Ik ben Norman Mailer niet, maar werk ook op die manier. De verhalen in mijn boek mogen niet afhangen van de actualiteit maar moeten tijdloos zijn."

Waarom bent u eigenlijk van tijdschriften naar boeken overgestapt?

"Omdat een boek schrijven mij meer voldoening schenkt. Stad der vallende engelen is niet opgevat als een reeks artikelen, maar ik had elk verhaal zonder moeite als een stuk voor een tijdschrift kunnen schrijven. Het probleem is dat werk voor tijdschriften zo vergankelijk is. Toen ik aan Middernacht begon, had ik twintig of vijfentwintig jaar voor bladen gewerkt maar kon ik niemand laten zien wat ik gedaan had... een tijdschrift gooi je na een poosje weg. Met een boek heb je iets dat blijft. Ik voelde me ook aangetrokken door de dynamiek van een boek, een project op lange termijn."

In de Verenigde Staten is uw boek enthousiast ontvangen, maar in de Britse krant The Guardian schreef Jan Morris, die jaren in Venetië heeft gewoond en er een schitterend boek over heeft geschreven, een weinig positieve recensie. 'Stad der vallende engelen is geen aangenaam boek.' Wat dacht u toen u dat las?

"Daar geef ik liever geen commentaar op. Ik heb een enorm respect voor Jan Morris, nog altijd. Toen Amazon.com mij een top tien van boeken over Venetië vroeg, stond het hare op de lijst. Dat was voor Stad der vallende engelen verscheen, maar ik zou het er nog altijd opzetten. Morris heeft het moeilijk met mijn aanpak: ik vertel nare verhalen over haar mooie stad. Ze verwijt mij dat ik roddels opschrijf in plaats van over de kerken en de musea en de kunst te vertellen. Dat laatste doe ik inderdaad niet, maar dat is ook nooit mijn bedoeling geweest. In het begin van het boek leg ik uit waarom. Ik citeer Mary McCarthy in Venice Observed: 'Je kunt niets over Venetië zeggen wat al niet eerder is gezegd (inclusief deze uitspraak).' Daarmee doelde ze op Henry James, die al in 1892 had geschreven 'dat er niets meer over dit onderwerp valt te zeggen'. De kerken, de kunst, de zonsondergang in de lagune, dat is allemaal al honderd keer op papier gezet, onder meer door Jan Morris, die dat trouwens prachtig heeft gedaan. Ik wilde over de mensen schrijven, niet over de stenen en de verf."

Maar Morris heeft ook goede dingen te vertellen over uw boek: 'Hij heeft niet alleen belangstelling voor de zelfkant van het leven en zijn techniek kan subtiel en prikkelend zijn. Keer op keer neemt hij ons vriendelijk, beminnelijk, bijna sussend mee naar een onderwerp en onthult hij slechts heel geleidelijk het bedrog en de zwendels die gaan komen.'

"Ja, op het einde maakt ze zelfs complimentjes. Het is een emotionele recensie en ik denk dat ze achteraf vond dat ze niet eerlijk was geweest. Ze moet stukken van het boek goed hebben gevonden, dat kan niet anders. En ik heb nog altijd veel respect voor haar. Ik heb gewoon een ander boek geschreven dan wat zij had willen lezen. Bijna alles wat over Venetië geschreven is, ook de romans, gaat over mensen die op doortocht zijn in de stad. Je ziet Venetië altijd door de ogen van een buitenstaander, van een toerist. Ik wilde een boek maken over het Venetië dat de toerist niet ziet, over de echte stad en de echte mensen. Er komt trouwens geen enkele toerist in het boek voor. Behalve ikzelf."

Is uw houding tegenover Venetië veranderd nu u er hebt gewoond en er een boek over hebt geschreven?

"Ik ken het nu beter, dat spreekt vanzelf. Ik heb er een heel andere kijk op gekregen. Ik vind Venetië nog altijd mooi, zelfs mooier dan vroeger, want nu is het een beetje thuis. Ik ken de verhalen achter de gebouwen, de mensen die er wonen, ik zie de subtiliteiten beter, ik herken het karakter van elke buurt. En ik loop wat minder vaak verloren."

De Stad der vallende engelen lijkt soms een kolonie van excentriekelingen. Is dat inherent aan Venetië?

"Absoluut. In de proloog van het boek zegt iemand: 'Iedereen in Venetië speelt toneel, en die rol verandert onophoudelijk. Onze rol verandert als wij bruggen oversteken, we gaan van de ene realiteit naar de andere realiteit.' Belachelijk, natuurlijk, maar wel charmant en zelfs een beetje waar. Iedereen kan zien dat Venetië ongelooflijk theatraal is, het lijkt wel een geschilderd filmdecor. Dat heeft een invloed op de mensen. Ze hebben een gevoel voor dramatiek, ze leven alsof ze op een podium staan. Het is een stad met een irreële sfeer, een uitnodiging om te zijn wie je wilt en je zelf te verzinnen. Op de cover van mijn Amerikaanse uitgave staat een foto van een boog met een gordijn. Het voortoneel van het Fenice, denkt iedereen, maar in werkelijkheid is het een boog van de galerij op het San Marco-plein. Met andere woorden, heel Venetië is een theater."

Een theater waar flink wat wordt geroddeld, zeker bij al die Amerikanen die in Venetië wonen. Het valt trouwens op dat u meer over Amerikanen lijkt te schrijven dan over Venetianen.

"Dat is niet onlogisch, want ik ben Amerikaan. Er komen veel van mijn landgenoten in het boek voor, maar zij horen ook bij Venetië. Ze gedragen zich dikwijls beschamend en ik vond dat ik daar ook over moest schrijven. Zij gebruiken Venetië voor hun eigen doeleinden. De Venetianen doen dat natuurlijk ook, ze leven van de exploitatie van hun eigen stad. Ik neem het hun niet kwalijk, maar het is een feit: Venetië teert op zijn verleden."

'Venetië is dood', zegt de schilder Ludovico De Luigi in uw boek.

"Het heeft nog een polsslag, maar die is zwak. Daarom was het Fenice zo belangrijk. De opera was het laatste stuk levende cultuur in Venetië. Ze hebben een fantastische architectuur en kunst. Ongeëvenaard, uniek, prachtig. Nog altijd. Maar alles is veel meer dan twee eeuwen oud. Het Fenice leefde nog, het was actief en creatief. Toen het afbrandde, was dat voorbij. Venetië had ooit meer dan een dozijn operagebouwen gehad en nu was er niets meer. Daarom vonden alle Venetianen het zo enorm belangrijk dat de opera terug zou komen, als bewijs dat hun stad nog leeft. En de opera is teruggekomen, maar daarmee is Venetië niet gered. Het echte probleem is niet het waterpeil dat stijgt, dat krijgen ze wel opgelost. Het zal ongelooflijk veel geld kosten en het is een ontzettend complex ecologisch probleem, maar dat krijgen ze geregeld. Het echte probleem is dat de bevolking blijft afnemen - er wonen nu maar een goede zestigduizend mensen meer. Buitenlanders en rijke Italianen uit Milaan en Rome kopen de huizen op, renoveren ze en laten ze dan elf maanden per jaar leegstaan. Voor de Venetianen zelf zijn woningen onbetaalbaar geworden en is het leven in de stad veel te duur. Ik kom sinds 1977 regelmatig in Venetië en ik zie het achteruitgaan. Je vindt bijna geen kruidenier of bakker of slager meer, alles ruimt plaats voor winkels met maskers en andere spullen voor de toeristen. Alles draait om het toerisme, wat een veel te enge economische basis is voor een levende stad. Buiten het toerisme is er niets, ook geen werk. En dus trekken de jonge mensen weg. Venetië is al tweehonderd jaar, sinds Napoleon, een museumstad, maar nu verandert het in een Disneyland voor volwassenen. En toch blijft het een magisch mooie plek."

Bart Holsters

'Ik wilde een boek maken over het Venetië dat de toerist niet ziet, over de echte stad en de echte mensen'

'In Esquire publiceerden wij soms artikelen over dingen die zes of acht maanden vroeger waren gebeurd. Maar die waren dan wel superieur aan wat je in de krant of in de weekbladen las'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234