Zondag 22/09/2019

Vekeman goes country

Gedurende vijftien dagen legde Christophe Vekeman duizenden kilometers af in de op één na grootste staat van de VS en zag dubbel en dwars bevestigd wat hij altijd al vermoed had: Texas is, behalve een wonder der natuur, niet meer of minder dan een cultureel bolwerk.

Het Texaanse avontuur van een schrijver: een droom die uitkomt

Neem nu Marfa, een stadje van niks, tweeduizend inwoners groot, in het midden van nergens, meer bepaald de West-Texaanse woestijn. De vlek ontleende destijds haar naam aan een personage uit De gebroeders Karamazov en verwierf roem toen in de jaren zeventig van de vorige eeuw de wereldvermaarde kunstenaar Donald Judd er een vandaag nog steeds bloeiend museum voor hedendaagse kunst oprichtte. Giant, de laatste film met James Dean, werd hier gedraaid. Eveneens hier opgenomen: grote delen van No Country for Old Men. Idem voor There Will Be Blood. In de plaatselijke boekhandel ligt tussen werk van Flannery O’Connor, Carson McCullers, Cormac McCarthy en Faulkner een vertaling van Siegfried van Harry Mulisch. Maar ik schaf mij een ander prachtboek aan, Nick Tosches’ Country. The Twisted Roots of Rock ’n’ Roll. Dat is immers wat ons - mijn vriendin en mij - voor ons beider eerste verblijf in Amerika voor Texas heeft doen kiezen: countrymuziek. Countrymuziek?

In België leven twee soorten mensen. De ene soort heeft een ontembare hekel aan country, een genre dat zij klakkeloos associëren met de inderdaad dikwijls moeilijk te pruimen, spekgladde kitsch die heden ten dage massaal in Nashville, Tennessee, vervaardigd wordt en op de lamme vleugels van violen de hoogste regionen van de Amerikaanse countryhitparade pleegt te bereiken. De andere soort houdt van Johnny Cash. Alléén maar dus van Johnny Cash, in hun ogen de witte raaf - beter: de zwarte zwaan - in een verder hoogst verwerpelijk muzikaal landschap.

En toch, wie in één beweging het complete countrygenre van de hand wijst als zijnde melige of smakeloze troep, doet in wezen niets anders dan degene die de volledige pop- en rockmuziek beoordeelt op basis van pakweg het werk van Britney Spears. De subgenres in country zijn dermate talrijk - en vooral onderling zo verschillend - dat de verzamelnaam in kwestie zelfs nauwelijks te hanteren valt. Bluegrass, bijvoorbeeld, afkomstig uit de staat Kentucky en gekenmerkt door de zogenaamde high lonesome sound en close harmony, alsook door het strikt akoestisch gehouden instrumentarium, heeft waarlijk niet erg veel te maken met de resem countryhits waarmee levende legende Jerry Lee Lewis in de jaren zeventig zijn comeback bewerkstelligde. Typisch voor Texas is de ‘western swing’, een jazzy klinkende variant van country, destijds ontwikkeld door Spade Cooley maar vooral door Bob Wills and his Texas Playboys.

De eigenzinnigheid van Texas, bijgenaamd The Lone Star State, valt historisch gezien gemakkelijk te verklaren - in 1835 scheurde het zich af van Mexico (‘Remember the Alamo!’) om pas tien jaar later een deel van de Verenigde Staten te worden -, en het was deze hang naar onafhankelijkheid en rebellie die in de jaren zeventig van de twintigste eeuw zijn beslag kreeg in de countrymuziek, toen Willie Nelson en Waylon Jennings genoeg verklaarden te hebben van de zoet-commerciële sound die inmiddels (en dus toen al) in Nashville als het nec plus ultra werd beschouwd. Eenmaal terug in hun geboortestaat Texas besloten ze terug te gaan naar hun ‘twisted roots’ en werden zo de kopstukken van de befaamde outlawbeweging, die zich zowel qua tekstuele thematiek (drank, vrouwen, overspel) als muzikaal (een ongepolijste, hardcore honky tonkklank) liet inspireren door countrypioniers als Hank Williams en Lefty Frizzell. Nog meer ‘alternatieve’ helden van de Texaanse muziek: Guy Clark, Townes Van Zandt, Steve Earle en Kris Kristofferson. Eveneens in Texas geboren: een van de tout court grootste zangers ooit, George Jones. Wie oren heeft, hoeft mij geenszins op mijn woord te geloven.

Wie in Texas is - en er een klein beetje de kop voor heeft - draagt het best een hoed. Tegen het zonnevuur, jawel, maar ook in bars en restaurants, gewoon tijdens het eten. Dit laatste niet om eruit te zien als een cowboy, maar wel om je als dusdanig te voelen. ‘Me and the good old boys are two of a kind’, - die sfeer.

In The White Elephant Saloon in Fort Worth, waar, op een boogscheut van het blitse Dallas, de longhorns in kudde door de straten lopen, is het van meet af aan goed raak. Alle clichés over Amerika waarmee wij uitentreuren om de oren zijn geslagen, blijken althans hier niet op te gaan. Het vlees is inderdaad weergaloos lekker, maar in weerwil van grappige stickers als ‘I didn’t claw my way to the top of the food chain to eat vegetables’ zijn vers fruit en groenten eveneens ruimschoots voorhanden. De mensen zijn ook helemaal niet zo gigantisch dik als wel beweerd wordt (ongeveer even dik als in België, schat ik), en de ‘oppervlakkige, hypocriete vriendelijkheid’ die Amerikanen kenmerken zou, is gewoon een mengvorm van verfrissende beleefdheid en oprechte behulpzaamheid: vraag een sigaret, en je krijgt meteen een pakje cadeau.

Ranchhouder Joil en zijn vrouw Lola geven à volonté rondjes (daar wij uit Bierland komen worden wij vanzelf geacht zo veel mogelijk Amerikaanse pilsen te keuren), alsook tips en telefoonnummers (“If you’re in trouble, call us. We know some folks in high places. You’ll need them”), en even later worden wij vervoegd door een vrij jonge man die eruitziet als een countryzanger en dat inderdaad ook blijkt te zijn. Hij stelt zich voor als Jason Allen en trekt verbaasd zijn wenkbrauwen op als blijkt dat de naam ons niets zegt, - met gepaste, aan vreugde grenzende trots dien ik hem uit te leggen dat hij zich vergist heeft en wij geen Texanen zijn. Morgen, zegt Jason Allen, zal hij in de buurt van Austin een optreden geven, waarop wij met nadruk worden uitgenodigd.

Gelukkig (terug thuis, immers, kom ik er op YouTube achter dat Jason Allen gaarne Stevie Wonders ‘I Just Called to Say I Love You’ covert) hebben wij voor de volgende dag in Austin, ‘Live Music Capital of the World’, reeds andere plannen. The Hot Club Of Cowtown, lange tijd het vaste voorprogramma van Bob Dylan in Amerika, is een van die groepen waarvan ik alles in huis heb, en het is opwindend genoeg om het trio - dat onvervalste western swing brengt - hier gratis aan het werk te mogen zien. Wederom blijven wij niet onopgemerkt: “We have some people here from Belgium!” deelt zangeres en violiste Elana James, die ik tijdens de pauze heb lastiggevallen, mee aan het publiek, waarna het feest pas écht begint.

Weer een dag later kan het contrast nauwelijks groter zijn. De ironie wil namelijk dat in de meest bezongen stad uit de Texaanse muziek, San Antonio, behalve op gespecialiseerde radiozenders nauwelijks country te ontwaren valt. Het is een fenomeen dat later in Del Rio en El Paso nog zal worden bevestigd: hoe dichter bij de Mexicaanse grens, hoe hardnekkiger wij op zoek zullen moeten naar de juiste soundtrack bij onze reis. Niet dat wij countryfanátici zijn, uiteraard, maar het schrijnende is wel dat het muzikale alternatief in deze ‘multiculturele’ steden niet bestaat uit - wat je toch zou denken - mariachideuntjes of latintoestanden, maar helaas vrijwel geheel uit jarentachtiggejengel van laag allooi. Wel bevinden zich net buiten San Antonio verscheidene befaamde honky tonks, waarvan de bekendste die van wijlen John T. Floore is, opgericht in 1942. Traden hier meermaals op: Johnny Cash, Hank Williams, Patsy Cline, Elvis Presley en - getuige een groot bord aan de ingang - ‘Every sat. nite Willie Nelson’. Laatstgenoemde was het ook die in 1973, in het nummer ‘Shotgun Willie’, de honky tonkbaas op redelijk hilarische wijze vereeuwigde: ‘Well, John T. Floore was workin’ with the Ku Klux Klan/ Six foot five, John T. was a hell of a man/ Made a lot of money sellin’ sheets on the family plan’.

Nog van Willie Nelson is het instrumentale ‘Bandera’, het slotstuk op zijn klassieke album Red Headed Stranger. Bandera is een stadje dat zich, naar analogie met de bijnaam van Austin, presenteert als ‘Cowboy Capital of the World’ (later zullen wij nog belanden in Sanderson, ‘Cactus Capital of Texas’) en zulks wel degelijk met recht en reden doet. De sfeer hier in de saloons en honky tonks is bepaald niet kinderachtig te noemen, ook niet als je zo’n typische cowboy, compleet met hoefijzersnor en wat je maar wilt, aan een tafeltje whisky ziet drinken met een ruim bepluimde indiaan in blote bast. Het lijkt wel een film, maar het is gewoon een droom die uitkomt.

In het aan John Wayne gewijde restaurantje dat wij uitgekozen hebben - de sheriff eet hier, dus we zitten gebeiteld - wordt geen alcohol geschonken: bier of sterker spul moet worden betrokken in de ‘liquor store’ aan de overkant van de straat en kan vervolgens probleemloos ter tafel worden gezet. Door de boxen sluimert ‘Pistol Packin’ Mama’ van Al Dexter and His Troopers, wat ons aanzet om de wild side of life op te zoeken in Arkey Blue’s Silver Dollar, waar de houten dansvloer bezaaid is met zaagsel, want aan antislipzooltjes doet men hier niet. Het is zaterdag, en Arkey Blue zelve vervoegt de band van dienst en bewijst door onder meer ‘Ring of Fire’ en ‘Heartache by the Number’ te zingen dat niet alle Texanen even toonvast zijn. Ik heb een nogal dubbelzinnig gevoel hier: er heerst hoorbaar meer vreugde dan verdriet, al komt de omschrijving ‘wanhopig geluk’ misschien nog het meest in de buurt. Hoe dan ook weet ik mij omringd door mensen - de zogenaamde ‘rednecks’ - op wie haast iedereen die ik ken hooghartig neerkijkt, maar die voor mij het aangenaamste gezelschap van de wereld blijken te vormen.

Zondagmorgen, na opnieuw van muziek te hebben genoten in de Methodist Church, waar wij als rocksterren worden bejegend (“We have some people here from Belgium!”), zetten we koers naar Luckenbach, de eigenlijke reden waarom wij niet naar Tennessee of Kentucky maar wel naar Texas zijn gegaan, de bijl die de knoop voor ons doorgehakt heeft, het ware mekka voor countryliefhebbers én het bewijs dat kunst de wereld veranderen kan: het gehucht telt officieel drie inwoners, bestaat uit niet meer dan een dancehall, een postkantoor en een general store, maar sinds Waylon Jennings - in duet met de alomtegenwoordige Nelson - in 1977 met ‘Luckenbach, Texas (Back to the Basics of Love)’ een legendarische monsterhit scoorde, zijn zeker de weekends hier steevast drukbevolkt. In het betreffende nummer, dat aanvangt met ‘The only two things in life that make it worth livin’/ Is guitars tuned good and firm feelin’ women’, stelt de ik-figuur aan zijn geliefde voor te kappen met hun succesvolle leven in de ‘high society’, boots en ‘faded jeans’ te kopen en naar Luckenbach te gaan, ‘with Waylon and Willie and the boys’. In Luckenbach, immers, zo luidt het refrein, ‘ain’t nobody feelin’ no pain’, een waarheid die enigszins wordt gerelativeerd wanneer een zich op grote hoogte bevindend eekhoorndier een eikel op mijn knikker mikt, nét nu ik mijn hoed niet op heb. De band van de dag, Uncle Lucius, speelt opgespacete countryrock, en het publiek bestaat voor ruim de helft uit bikers en baarden, en voorts uit een aantal Vietnamveteranen, een handvol cowboys en twee Belgen die licht lijken te geven van blijdschap.

Dagen later, vele, héél veel kilometers westwaarts, in de voormalige, aan de rand van het magistrale Big Bend National Park gelegen ghost town Terlingua, heden ten dage een soort van ruige hippiegemeenschap - ‘If I gave a shit, I’d give it to you’ staat op het T-shirt van een barman te lezen -, vragen wij de uitbaatster van ons motel waar de mensen hier in godsnaam van leven. Velen wonen hier slechts halftijds, legt zij uit, behalve natuurlijk, schampert zij erachteraan, ‘the ones with the guitars’: die hoeven, weet je wel, niet te werken. Het doet mij denken aan een andere Jenningssong, mijn favoriete nummer aller tijden, noem het mijn begrafenislied, ‘Waymore’s Blues’, dat als volgt eindigt: ‘I’ve got my name painted on my shirt/ I ain’t no ordinary dude/ I don’t have to work’.

Wij voorlopig ook niet, en het is met tranen van ontroering in de ogen dat wij verder rijden, en verder, de tomeloze stilte van de woestijn in.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234