Zaterdag 07/12/2019

De Holocaust-archieven

Vechten voor een plekje op de trein naar de dood: "Alsjeblieft, neem mij, monsieur le commandant, neem mij"

Joodse vrouwen staan bij de prikkeldraad die het kamp in Gurs, Frankrijk omringt, in de vroege jaren 40. Beeld RV US Holocaust Memorial Museum

"Mensen schreeuwden: ‘Alsjeblieft, neem mij, monsieur le commandant, neem mij!’ Honderden wilden heel graag meegaan en waren teleurgesteld toen ze werden afgewezen." Paul Löbl, ooit Joods oorlogsvluchteling in Merksplas, zag in een Frans kamp duizenden elkaar verdringen voor een plaatsje op de trein naar de dood.

Verboden: een fles water, een balpen.

In de leeszaal van het Wiener-archief geschiedt het opvragen van een document nog heerlijk ouderwets, met een roze-geel formuliertje en een doorslagje. Er wordt gefluisterd, uit respect voor de andere bezoekers, maar ergens ook het verdriet waarvan elk door de bode opgediept kartonnen mapje – keurig met een strik rond – kan getuigen. “Balpennen mogen niet, want die kunnen vlekken maken”, zegt de zaalverantwoordelijke.

Elk mapje bewaart een verhaal, en vandaag is het dat van Paul Löbl. Geboren in Wenen, op 13 maart 1907, kind van een Joods-Tsjechische familie. Zijn vader verloren toen hij pas zes was. Zijn vijf A4’tjes heeft hij in 1979 neergeschreven op een typemachine en hiernaartoe gestuurd, waarmee meteen is verklapt dat hij het heeft overleefd.

Naar Merksplas

Paul Löbl behoort in 1925 tot een groep antinazidemonstranten op het Praterstern-plein in Wenen. Adolf Hitler is rond die tijd niet meer dan de nog maar net vrijgelaten zonderling achter een mislukte staatsgreep. Het eerste deel van Mein Kampf is pas enkele weken eerder in een heel beperkte oplage gedrukt.

In de marge van de betoging is de 21-jarige nazi Jozef Mohapel het mikpunt geworden van wat Löbl in zijn geschrift omschrijft als een 'hooligan'. Die krijgt Mohapel te pakken wanneer hij probeert weg te vluchten in een hotel, werkt hem daar tegen de grond en steekt hem neer met een mes. Mohapel zal een staatsbegrafenis krijgen. Hij wordt later door nazi’s geëerd als een van de prilste martelaren van het nationaal-socialisme.

Beeld Jan Straetmans

Löbl heeft het niet breed. Kort voor de betoging was hij toevallig getuige van een verkeersongeval. Een journalist van Der Abend had hem 5 shilling gegeven voor zijn exclusieve relaas. Hij denkt nu nog eens 5 shilling te kunnen vangen, rent het hotel in en wordt er opgepakt als mogelijke medeplichtige van de moord.

Dertien jaar later, na de Neurenberg-wetten, de Anschluss van Oostenrijk bij het Derde Rijk en de Kristallnacht, is hij als de dood dat zijn figurantenrol bij de moord zal worden ontdekt.

Hij schrijft: “In de herfst van 1938 leek het mij beter te verdwijnen. Ik was bang dat iemand me in verband zou brengen met die zaak en me naar een concentratiekamp zou sturen.”

Een juiste inschatting, want zijn moeder, zal kort na zijn vlucht worden beroofd van al haar bezittingen en gedeporteerd. Zijn zus en haar dochter kunnen nog net op tijd vluchten. Naar Antwerpen. Waar de grote boten naar Amerika vertrekken.

In de landloperskolonie van Merksplas werd eind de jaren 30 een Jodenkamp opgericht, met plaats voor 600 man. Beeld RV

Jodenkamp Merksplas

De instroom van Joden uit door Hitler bezette gebieden betekent voor een land als België de allereerste vluchtelingencrisis. Er moeten opvangplaatsen worden gezocht. Het idee ontstaat voor de oprichting van een Jodenkamp in de relatief comfortabele landloperskolonie van Merksplas. De christen-democratische justitieminister Joseph Pholien voelt daar aanvankelijk weinig voor. Zo’n centrum, meent hij, zal de immigratie alleen verder doen aanzwellen, eerder dan te ontraden.

Het woord 'hotel' valt net niet.

De socialistische premier Paul-Henri Spaak zet uiteindelijk door.

Volgens de politieke retoriek van het moment is het beter om de vluchtelingen samen te brengen in één kamp, liever dan dat ze zichtbaar zijn in onze steden. Ze krijgen in Merksplas opleidingen tot houtbewerker, landbouwer of fabrieksarbeider, zo wordt de bevolking verzekerd. De regering zegt te hopen dat dit hun kansen op emigratie naar een volgende bestemming zal vergroten.

In Merksplas is er plaats voor 600 illegaal het land binnengekomen Joden, uitsluitend mannen. Een van hen is Paul Löbl. “Ik leidde er het gewone leven van een vluchteling in Merksplas”, schrijft hij. “Mijn vrouw was een visum beloofd voor Engeland. Ik hoopte haar achterna te kunnen gaan.”

Pot en Grijp

Naast ons ontstrikt een jonge Britse schrijfster de haar gebrachte mapjes. Ze is op zoek naar inspiratie in brieven en postkaarten die van elkaar verscheurde geliefden elkaar sturen. Onze voornaamste zoekterm in het Wiener-archief is ‘Belgium’.

En soms open je dan zo’n mapje en stoot je hierop. Een flyer.

"Cafébezoekers. Indien ge er een hekel aan hebt Joden te zien of te hooren, wordt dan bezoeker van het Grand Café, De Keizerlei. Daar waren er vroeger veel, doch thans zijn ze buiten, allemaal en voorgoed! Komt het Show-orkest Jean Awouters toejuichen, alle dagen van 8.30 uur tot middernacht."

Je bent geneigd te denken dat het iets moet zijn van de zomer van 1942, het jaar van de Jodenster en de eerste deportaties. Maar dat is het niet. De flyer dateert uit 1936, het jaar van de Olympische Spelen in Berlijn, en in eigen land de grote stakingen en de invoering van het minimumloon, de 40 urenweek en het wettelijk verlof.

De dirigent op de flyer, Jean Awouters, is een naar Antwerpen uitgeweken Luikenaar die voor de verkiezingen van zondag 24 mei 1936 kandideert op Lijst 7, De Realisten. Het is een kleine extreemrechtse partij die later zal opgaan in het Rex van Léon Degrelle.

In de avond van vrijdag 22 mei 1936 wordt een plakploeg van De Realisten opgemerkt aan de Paardenmarkt, vlak bij het gebouw van de transportvakbond BTB. Ze overplakken de affiches van de socialisten en het komt tot een handgemeen. Er valt een schot. “Albert Pot viel neer”, schrijft Bert Struyf in een van de vele boeken over die avond, die voor het dagelijkse leven van onze grootouders een keerpunt zal inluiden.

De vier Realisten rennen weg, achternagezeten door boze socialisten. Ter hoogte van de Italiëlei komt het tot een nieuwe confrontatie. Er wordt opnieuw geschoten. Theophiel Grijp, raadslid van de havenarbeidersbond, wordt dodelijk getroffen. De moord op Pot en Grijp, samen begraven onder een zerkje op ’t Schoonselhof in Antwerpen, wordt de katalysator voor wekenlange stakingen en uiteindelijk de 40 urenweek en de congé payé, zoals we die vandaag allemaal kennen.

De moordenaar was Jean Awouters. Dit, deze flyer, is een stuk decor van een crisis. Van hoeveel Belgen eind jaren 30 aankijken tegen die instroom van figuren als Paul Löbl.

Jean Awouters wordt op een fel gemediatiseerd proces in Antwerpen veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf, ziet die in beroep teruggebracht tot 8 en komt kort na de Duitse invasie vrij. Hij trekt naar Luik, sluit er zich aan bij de Sipo-SD en wordt voltijds Jodenjager.

Stenen en flessen

Als op 10 mei Duitse troepen beginnen aan hun blitzkrieg in België en Nederland, zit Paul Löbl nog altijd in Merksplas. Hij is er opgeleid tot houtbewerker.

Hij schrijft over die ochtend: “Ik werd gewekt door mijn hospita. Ze zei, in het Vlaams: ‘Het is gedaan.’ Ik pakte snel mijn koffer en zei dat ik zou proberen Oostende te bereiken. Misschien kon ik in de verwarring worden geëvacueerd naar Engeland.”

Löbl ­verbleef onder meer in het kamp van Gurs, aan de voet van de ­Pyreneeën. ‘Het leven was er triest, maar niet lastig.’ Beeld RV US Holocaust Memorial Museum

Maar het gaat mis, zoals het in die dagen voor de meeste Joden misgaat. Ze spreken Duits, zoals den Duits. Het eerder al sluimerende idee dat het allemaal de schuld is van 'de' Joden, die hele oorlog, spookt in die eerste dagen door de hoofden van veel Belgen.

“Ik kwam aan in het Zuidstation, en werd er gearresteerd omdat ik een Oostenrijker was. We werden vastgehouden in dat Brusselse station en als snel waren we met duizenden. Het leken bijna allemaal Joden te zijn, onder wie velen uit Antwerpen die al jaren in België woonden. Na enkele dagen marcheerden we naar een nabijgelegen spoorwegstation. Onderweg gooiden Belgische mensen stenen en flessen naar ons. Ze schreeuwden ook van alles naar ons, zoals: ‘Kijk naar de parachutisten, de moffen!’ Dit waren dezelfde mensen die enkele dagen daarvoor nog aardig en behulpzaam waren geweest. Ik kan dit nog altijd niet begrijpen, in het bijzonder doordat sommigen onder ons traditionele zwarte Joodse kaftans droegen, grote hoeden en lange baarden.”

De Belgische Joden worden op een trein gezet naar een kamp in het zuiden van Frankrijk. Eerst in dat van Saint-Cyprien, nabij Perpignan, later dat van Gurs, aan de voet van de Pyreneeën. Het lot van Paul Löbl en duizenden anderen ligt nu in handen van het met de nazi’s collaborerende Franse Vichy-regime.

Nakende deportaties

Na de oorlog stelde de hele wereld zich de vraag. Hoe kon dit gebeuren? Hoe konden zovele gewone Duitse, brave burgers dit laten gebeuren? De jaren van wir haben es nicht gewusst. Maar wat dachten de direct betrokkenen zelf over wat nazi-Duitsland finaal met hen van plan was? Vooral daarom voegen deze A4’tjes iets toe aan de geschiedenis zoals we die dachten te kennen.

Paul Löbl heeft het best naar zijn zin in het kamp van Gurs. Er zitten 18.000 joden samengepakt, het is een kleine stad die gaandeweg zichzelf begint te organiseren.

Hij schrijft: “Het leven in dat kamp was triest, maar niet lastig. De bewaking was zwak, het was makkelijk om door de prikkeldraad te kruipen. Er was net genoeg voedsel. Wij, houtbewerkers, konden zelfs iets bijverdienen door tafels, stoelen en kisten te timmeren. Dan daarmee onder de prikkeldraad om extra rantsoenen te gaan kopen bij Baskische boeren. Er waren ook culturele barakken, waar geregeld uitstekende lezingen werden gegeven over journalistiek, politiek, kunst en wetenschap.

“Dingen veranderden in september 1942, toen men begon te spreken over deportatie. Er werd een lezing gehouden in elk blok. Het thema was dat we samen met onze families zouden worden overgebracht naar het oosten. Het leven zou er worden georganiseerd volgens nationale eenheden, onder Duits nationaal gezag. Ze zeiden dat het niet mogelijk was om ons te blijven voeden in Frankrijk, terwijl wij niets deden. Ze zeiden dat we productief zouden moeten worden voor de Duitse oorlogsindustrie. En als we werkten en genoeg produceerden, zouden we niets tekortkomen. De lezingen werden gegeven door Joodse gevangenen in het kamp. Het waren mensen uit onze kringen, en werden daardoor vertrouwd. Ik denk nog steeds dat die mensen eerlijk waren en zelf ook geloofden wat ze zeiden.”

‘Neem mij!’

Het is achteraf bekeken overduidelijk wat de Duitsers met deze 18.000 Joden van plan waren, maar zelf hadden de meesten volgens Löbl geen flauw idee.

Hij schrijft: “In de discussie die volgde, sprak niemand over dodenkampen. De meeste mensen zeiden: ‘Wel, we hebben geen keuze, misschien is het wel het beste.’ Er waren geruchten dat er mensen waren gedood in Polen, maar zoals ik zei: dat waren alleen geruchten. Een typische reactie, toen ik hierover sprak, was die van een horlogemaker uit Baden. ‘Idioot’, zei hij. ‘Als ze mij willen vermoorden, kunnen ze mij hier vermoorden. Waarom zouden ze me helemaal naar Polen slepen?’ Ze zullen mij nodig hebben om precisie-instrumenten voor hun duikboten. De meeste gevangenen deelden die mening.

“Er werden transportlijsten opgesteld, ongeveer 1.000 mensen per lading. Ik was aangeduid voor het derde of het vierde konvooi. Ik wou niet gaan. Ook al hechtte ik geen geloof aan die massamoorden in Polen, ik had mijn twijfels. Ik was bang dat als ik in handen zou vallen van de nazi’s ze iets zouden ontdekken over die Mohapel-zaak. Wel, nee, dank je wel.

“Er waren nog enkele plaatsen vrij op het eerste konvooi. De Franse commandant richtte zich tot de menigte, of iemand zin had om mee te gaan. Mensen schreeuwden: ‘Alsjeblieft, neem mij monsieur le commandant, neem mij!’ Honderden wilden heel graag meegaan en waren teleurgesteld toen ze werden afgewezen.”

Enkele geïnterneerden in het kamp van Gurs, in januari 1941. Beeld RV

Terug in Brussel

Als hij uiteindelijk zelf aan de beurt komt, springt hij iets voor Parijs uit een rijdende deportatietrein. Hij slaagt erin per trein de Pyreneeën te bereiken, sluit zich aan bij een groep Fransen die zich in Noord-Afrika hopen te kunnen aansluiten bij de troepen van generaal De Gaulle. Tijdens een driedaagse voettocht door de Pyreneeën stapt hij zonder het zelf te merken Spanje binnen.

In Madrid bekomt hij een Tsjechisch paspoort waarmee hij naar Lissabon kan, en van daaruit per boot naar Gibraltar waar hij zich als vrijwilliger meldt voor het Britse leger. Hij volgt een opleiding in Buxton, ziet tijdens een driedaags verlof zijn echtgenote terug. In juli 1944 ontscheept zijn eenheid in Normandië en enkele weken later wordt hij als bevrijder verwelkomd in de stad waar hij vier jaar eerder werd bekogeld met stenen en flessen.

Hij schrijft: “Ik trok verder naar Antwerpen, waar ik ontdekte dat mijn zus en haar dochter naar het kamp in Mechelen waren gestuurd (de Dossin-kazerne, DDC). Van daaruit was er geen verder spoor meer.”

Met Paul Löbl zelf liep het goed af. Hij kreeg aan het eind van de oorlog te horen dat hij papa was geworden van een zoontje, Peter.

Hij schrijft: "Het lot is mij gunstig gezind geweest. Maar soms word ik wakker en zie in het ochtendgrijs gevangenen uit het kamp van Gurs wegstappen in rijen van vier. Aardige, eerlijke en totaal onschuldige mensen, zonder een enkele kwade gedachte."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234