Maandag 17/02/2020

Vechten tegen een vijandig lichaam

ROMAN. Philippe Claudel serveert in zijn nieuwe boek meeslepende reflecties over leven, dood en lichamelijk verval. Als uitgangspunt neemt hij het intensieve rouwproces van het Toraja-volk.

Rouw én ongefilterd verdriet: het is een constante onderstroom in het oeuvre van de Franse schrijver-filmmaker Philippe Claudel (54). In zijn debuut Rivier van vergetelheid (1999), het woorddronken relaas van een man die zijn geliefde verliest en zich terugtrekt in een dorpsgemeenschap, waren het alomtegenwoordige emoties. In opvolger Zonder mij (2000) kregen we de getergde rouwmonoloog van een ziekenhuisbediende te incasseren.

Wel vaker voegt Claudel daar een diepgewortelde melancholie aan toe. In zijn nieuwe roman - of later we het eerder een aaneenrijging van autobiografische bespiegelingen noemen - De boom in het land van de Toraja is dat opnieuw het geval.

De schrijver, die doorbrak met Grijze zielen (2003) en op een haar na de Prix Goncourt miste met Het verslag van Brodeck (2007), legt de laatste jaren een enigszins wispelturig parcours af. Zijn boeken lardeert hij steeds opzichtiger met een humanitair sausje. Er durven weleens doordrammerige boodschappen binnen te sluipen. Of geeft Claudel zijn cinefiele carrière de voorrang en is schrijven bijzaak geworden? Toch zorgen zijn sierlijke (zij het soms al te breedvoerige) stijl en weloverwogen observaties steeds voor een herkenbaar timbre.

Om de haverklap verliefd

Wie zich ditmaal opnieuw opdoft voor een doorwrocht gecomponeerde roman à la Grijze zielen, is eraan voor de moeite. Claudel windt er geen doekjes om dat hij dicht bij zijn eigen leven blijft. De gemene kanker die zijn beste vriend (de uitgever Jean-Marc Roberts) treft, vormt de aanleiding voor diverse rêverieën over leven en dood.

Ondertussen probeert het hoofdpersonage - een filmmaker van middelbare leeftijd (heb je 'm?) - ook in het reine te komen met zijn scheiding. Hij begint een onstuimige relatie met een jongere vrouw, terwijl Roberts incarneert in de filmproducent Eugène. Spoedig blijkt dat de dood lelijk huishield in Claudels nabije omgeving. Voor elk van hen schrijft hij roerende rouwvignetten, zoals over de klasgenoot die zelfmoord pleegt vanwege een onbeantwoorde liefde of een requiem voor de vermetele klimvrienden van weleer.

Uitgangspunt is een ervaring op een eiland in Indonesië, waar Claudel ontdekt dat het Toraja-volk van rouwen een erg intensief en langdurig proces maakt, dat zelfs maanden in beslag kan nemen en alle familieleden betrekt. Dode kinderen worden er in de holte van een boom gedeponeerd en groeien dus mee de bast in, om zo weer in de natuur op te gaan. Het is voor Claudel de aanleiding tot een reeks uitwaaierende bespiegelingen.

"Berouw, tijd, dood en herinnering zijn slechts verschillende maskers van een gevoel waarvoor in de taal geen woord bestaat en dat je het eenvoudigste kunt aanduiden met het woord 'levensslijtage'", zo staat er bijvoorbeeld. "We zijn continu bezig onszelf vorm te geven tegenover de verstrijkende tijd: we bedenken strategieën, machines, emoties en drogbeelden in een poging hem om de tuin te leiden, te verlengen, uit te rekken, te versnellen, op te schorten of te laten oplossen als de suiker onder in een kopje."

Eugène bestrijdt bijvoorbeeld de tijd door om de haverklap verliefd te worden, zelfs op zijn sterfbed maakt hij een verpleegster het hof. Maar ook de cineast zoekt zijn heil in een nieuwe liefde. Zonder veel drama loopt zijn relatie met Florence op de klippen, vooral door zijn uithuizigheid en groeiende afstand.

Als een voyeur observeert hij vervolgens zijn nieuwe benedenbuurvrouw, die hij later - o toeval - ontmoet bij zijn onderzoek naar ziekte en dood. Elena houdt een filosofische monoloog over de wijze waarop het lichaam onze geest bij het ouder worden in de tang neemt: "Eerst een onvriendelijk lichaam, dan een tegenwerkend, lijdend, vijandig en uiteindelijk verloren lichaam; de stappen volgen elkaar op, onafwendbaar, tot de dood erop volgt."

Spoedig ontstaat er een relatie tussen de ouder wordende man en de jonge vrouw met de slimme inzichten én de weelderige, bruine bos krullen. Is het zijn manier om de dood een hak te zetten? "Ik weet dat ik haar niet verdien en dat zij mij niet verdient." Claudel spot met de clichés, maar beseft dat hij er schatplichtig aan is. En er komt - na de dood van Eugène - ook een nieuwe film.

Stilistische missers

Met zwierige omhaal van woorden snijdt Claudel een resem thema's aan: er wordt gereisd naar Venetië en Kroatië, er wordt gemijmerd en gemediteerd over leven, liefde, dood, lichamelijk verval maar ook over de passie voor filmmaken en bergbeklimmen. Milan Kundera komt om de hoek kijken en zelfs Isabelle Adjani mag een zinnetje herhalen: "Wat vreemd". En met Michel Piccoli spreekt de cineast af in een McDonald's, "omdat geen van de jonge klanten zou weten wie hij was". Ook IS en Lampedusa krijgen een kapittel.

Toch geeft Claudel dit weinig lineaire vertoog een melancholische en vibrerende lading mee, op een toon alsof hij je hoogstpersoonlijk toespreekt. Helaas slaat hij stilistisch soms de bal pijnlijk mis: "Aan de hemel stonden sterren die als ogen naar ons keken", niet bepaald een zin van een topschrijver. Bij andere nodeloos volgepropte frases met te veel komma's verzandt hij in geblaseerde nietszeggendheid.

Natuurlijk breidt Claudel een happy end aan zijn filosofietjes. Het leven triomfeert over de dood in de vorm van een bolle buik. Dat zag je van ver aankomen. Toch kun je uit dit boek genoeg behartigenswaardigs distilleren. De Franse bestsellerauteur weet nog steeds hoe hij zijn lezers om de vingers moet winden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234