Maandag 02/08/2021

Vastgeklonken aan het geloof in wat kan

Geen andere band is zo vaak de meest ondergewaardeerde groep uit de jaren tachtig genoemd als de Australische Go-Betweens. Na de split elf jaar geleden bewezen Robert Forster en Grant McLennan, de twee songschrijvers en oprichters, ook afzonderlijk prachtplaten af te kunnen leveren. Onlangs bliezen zij hun oude groep met een uitstekende zevende plaat, The Friends of Rachel Worth, nieuw leven in. 'Zodra we onze gitaren vastnemen, verstrengelen die zich in elkaar, net als onze stemmen.'

Hoewel de twee jeugdvrienden het ontkennen, is het moeilijk te geloven dat tijdens het twaalfjarige bestaan van The Go-Betweens nooit eens verbittering de kop heeft opgestoken. Al vanaf het prille begin struikelden de critici over de superlatieven om de tijdloze, bespiegelende folkrock van de groep uit Brisbane te beschrijven, maar nooit stonden daar evenredige verkoopcijfers tegenover. Na de split eind 1989 begaven Robert Forster en Grant McLennan zich elk op het solopad, wat in beide gevallen resulteerde in vier goede tot uitstekende langspelers, hoewel ook die op publieke desinteresse strandden. Samen met Steve Kilbey van The Church maakte McLennan bovendien twee albums onder de naam Jack Frost, en nog eentje met Ian Haig van Powderfinger als F.O.C. Maar ook met zijn oude partner bleef hij tijdens de jaren negentig samenwerken, zij het enkel op de planken, en slechts occasioneel als The Go-Betweens. Een hereniging in de studio kwam er pas na de gezamenlijke akoestische tournee van vorig jaar, die het duo ook naar de Brusselse Botanique bracht.

Vanwaar die plotselinge behoefte aan een nieuw album? "It felt like a good thing to do," verklaart Forster. "We hebben echt genoten van die tournee, waarbij we weer kennismaakten met wat ons samen zo sterk maakt. Misschien voelden we dat het er na elf jaar en een redelijk aantal aangename soloplaten maar weer eens van moest komen. "We zien de carrière van The Go-Betweens als een stuk in drie bedrijven. We bevinden ons nu dus aan het begin van deel twee. De reden waarom we dit kunnen doen is dat we überhaupt gesplit zijn. Daar was ik zo blij mee, want daardoor wachtte ons geen carrière waarin de energie stilaan zou opdrogen. We konden het afgelopen decennium andere mensen ontmoeten, met andere muzikanten werken, of evengoed thuis blijven zitten om er dan (maakt het geluid van een hongerige wolf) weer tegenaan te gaan. Alleen de groep telt nu. Voor hoe lang weten we niet, maar er volgt nog minstens één album." McLennan beaamt: "Het is een te rijk en krachtig gegeven om na één plaat weer los te laten. De tijd is er rijp voor. Het feit dat Robert en ik weer samenwerken, betekent dat we ons weer hebben vastgeklonken aan het geloof in wat kan. Daarmee wil ik ons verleden niet denigrerend behandelen, maar we wensen onze awards - die we toch niet hebben - niet voortdurend op te poetsen, of het verleden te beschouwen als iets dat in marmer gehouwen is. Ik denk dat we nog verdomd veel te bieden hebben." De hechte band tussen de twee vindt zijn oorsprong in de jaren net voor de oprichting van de groep, begin 1978. In tegenstelling tot de meeste van hun stadsgenoten, die Led Zeppelin en Deep Purple adoreerden, bleken beide kunstacademiestudenten bij hun eerste ontmoeting een gemeenschappelijke voorliefde voor Patti Smith, Television, The Ramones en Jonathan Richman te koesteren. Nog voor er van muzikale samenwerking sprake was, speelden de twee met het idee in Brisbane een Factory naar het model van Andy Warhol uit de grond te stampen, waarin kunst, literatuur en muziek vrijelijk konden openbloeien. "We wilden scripts voor korte films schrijven en een tijdschrift uitgeven," vertelt McLennan, "en zelf wou ik een choreografie voor ballet bedenken. Dat zijn de ideeën die je hebt wanneer de wereld nog nieuw is en de mogelijkheden zich voor je uitstrekken." Veel later, in 1994, zouden de twee ook effectief een script pennen, getiteld Sydney Creeps. "Geloof het of niet, maar sommige mensen in Hollywood hebben het gelezen en zagen er best een goede film in, maar we zijn nooit op zoek gegaan naar geldschieters." Pas toen Forster, die toen al liedjes schreef, McLennan ertoe aanzette bas te leren spelen, begon het verhaal van The Go-Betweens. In het reflectieve 'When She Sang about Angels', een eerbetoon aan Patti Smith, blikt Forster terug op die periode. "When she sang about a boy / Kurt Cobain / I thought what a shame / it wasn't about Tom Verlaine," mijmert hij. "Robert was Patti gaan bekijken op een Londense persshow in 1996, waar hij haar het nummer 'About A Boy' hoorde zingen, en maakte zich de bedenking dat het over Tom Verlaine had moeten gaan. Hij bekritiseert haar daarmee niet: hij is een fan, net als ik. We deden indertijd niets anders dan naar de muziek uit de New Yorkse punkscene luisteren, veel meer in elk geval dan naar de Britse muziek uit die tijd." Eind 1979 trokken The Go-Betweens een eerste keer naar Engeland, in navolging van hun succesvol gebleken landgenoten The Saints. Het was het begin van een onzekere periode, waarin hun opeenvolgende platenfirma's wegens bankroet of herstructurering nooit aan hun promotie- en distributieverplichtingen konden voldoen. Pas vanaf het meesterwerk Liberty Belle and the Black Diamond Express (1986) vond de groep vast onderdak bij het onafhankelijke Beggars Banquet, al zou een doorbraak uitblijven. "Toch voel ik alleen voldoening als ik op die twaalf jaar terugkijk," zegt Forster, "absoluut geen bitterheid of teleurstelling. Anders waren we nooit meer herbegonnen. We zouden verslagen geweest zijn, zonder de kracht om ermee door te gaan. Ik zie enkel veel goed werk dat me gelukkig maakt. Zeker, het was hard omdat we constant zonder centen zaten. Maar ach, vijf jaar in Londen wonen is altijd hard." Na in 1989 nog een tournee in het voorprogramma van R.E.M. te hebben afgewerkt besloten Forster en McLennan er de brui aan te geven. Moegestreden, zeker, maar al evenzeer door de onderlinge spanningen in de inmiddels tot een kwintet aangezwollen groep. Daarom is drumster Lindy Morrison, violiste Amanda Brown noch bassist John Willsteed (die Robert Vickers had vervangen) van de partij op deze reünie. "De sfeer in de repetitieruimte was danig gekoeld en er werd verdeling gezaaid," legt Forster uit. "Stel je voor: hier zijn we dan, Grant en ik, enthousiast over wat we nu doen, over de tournee en de songs. Dan stap je toch niet naar mensen toe die je in geen tien jaar gezien hebt? Moeten we dan tegen onze bassiste Adele (Pickvance, die op zowel McLennans als Forsters soloplaten heeft meegespeeld, KB) zeggen: sorry Adele, je bent echt geknipt voor de job maar helaas moeten wij nu terug naar 1989? Dat wilden we niet. Trouwens, de groep is begonnen bij ons twee, en al de rest is er later bijgekomen. Alle optredens en singles tijdens de eerste tweeëneenhalf jaar: dat waren Grant en ik. Net als nu. Maar binnen drie jaar kan de band uit acht mensen bestaan en dan kunnen we elkaar hier weer ontmoeten samen met onze percussionist, trompettist, triangelspeler en twee danseressen. We zullen zien." De zoektocht naar een geschikte drummer eindigde bij het Riot Grrl-trio Sleater-Kinney, wier debuut Dig Me Out zowel Forster als McLennan geweldig vonden. De appreciatie bleek wederzijds. "Op het einde van de akoestische tournee vorig jaar waren we in San Francisco," vertelt McLennan. "Aangezien we dezelfde agent delen, hebben we Janet, Carry en Corin daar backstage ontmoet. Zo ongeveer het eerste wat Janet zei was: 'Als jullie ooit nog samen een plaat maken, dan ben ik jullie drumster.' Het klikte meteen." Zodoende verleent naast Janet Weiss ook nog toetsenman Sam Coombes (die samen met Weiss deel uitmaakt van Elliott Smiths begeleidingsgroep Quasi) op The Friends of Rachel Worth zijn diensten, alsook het voltallige Sleater-Kinney op misschien wel het sterkste nummer, 'Going Blind'.

Het is opmerkelijk hoe de in Portland, Oregon opgenomen plaat naadloos aansluit bij de Go-Betweens-catalogus. "I don't want to change a thing / when there's magic in here," zingt McLennan dan ook in het veelzeggende openingsnummer. Toch kan men zich niet van de indruk ontdoen dat de twee gerijpte singer-songwriters de liedjes netjes onder elkaar verdelen, zonder dat het geheel de som der delen overstijgt. Niet verwonderlijk wellicht, aangezien de meeste songs oorspronkelijk voor hun respectieve soloplaten bedoeld waren. McLennan kan zich ten dele in die opmerking vinden. "Onze eerste, derde, vijfde en deze zevende plaat springen meer dan de andere verschillende richtingen uit, ze zijn niet zo coherent. Maar op geluidstechnisch gebied sluit deze wel bij alle andere aan: het is een heel directe plaat, die als dusdanig volkomen in het Go-Betweens-straatje zit."

Op de vraag wat het wezen van The Go-Betweens dan mag zijn, heeft de immer enthousiaste Forster meteen een antwoord klaar. "Vanaf het moment dat Grant en ik samen onze gitaren vastnemen, verstrengelen die zich in elkaar, net als onze stemmen. Zo was het in de studio: de eerste dagen legden we de basis van de songs vast, maar toen we voor het eerst samen een refrein moesten inzingen, riep Larry Crane, onze technicus die ons werk ook heel goed kent: 'Dát zijn The Go-Betweens. Dát is het!'" McLennan: "De chemie tussen ons kan ik niet verklaren. Ik weet alleen dat we beiden goede songschrijvers zijn die elkaar aanvullen. Kijk, zowel Robert als ik kwam met meer nummers aanzetten dan er op de plaat staan, maar net die tien waarvan wij dachten dat ze perfect samenhoorden staan erop. Zo is het altijd al gegaan. Maar we maken elkaars songs niet af. In de kiem smoren, ja (lacht). Ik kan wel suggereren dat die song van Robert ergens vier maten te veel telt, maar daarom luistert hij nog niet. Er ontstaat dan al eens een discussie, maar altijd in een constructieve sfeer." Forster: "We passen gewoon bij elkaar, alhoewel onze afzonderlijke aanpak sterk verschilt. Maar dat is net goed, het maakt onze platen er weidser op." De samenwerking tussen twee singer-songwriters in één en dezelfde groep is inderdaad uniek te noemen. Toch hebben de gevatte observaties van de flamboyante Forster en de introspectieve poëzie van de bedachtzamer McLennan ook gemeenschappelijke elementen. Niet alleen schrijven beiden vanuit een autobiografisch perspectief, ze putten ook steevast uit romantische en melancholische overpeinzingen. Al lijken Forsters teksten makkelijker tot stand te komen: zo haalde hij de inspiratie voor 'German Farmhouse' uit een interview waarin hij over zijn leven in Duitsland vertelt (Forster is getrouwd met een Duitse en woont in München). 'He Lives My Life' drijft dan weer op een eenvoudig gevoel van wat had kunnen zijn. "Een vriend van mijn vrouw ontmoette een Australische, met wie hij naar Brisbane vertrok. Hij belt ons nog nu en dan, en op een dag vertelde hij me wat hij dat weekend allemaal had gedaan, waar hij was geweest. En plots drong het tot me door dat hij eigenlijk mijn leven leidde, indien ik tenminste in Australië was blijven wonen. Wellicht leefde ik in Duitsland op dat moment ook zijn leven. Een heel vreemd gevoel. Nadat ik had opgehangen, schreef ik alles gewoon op." Uit de stamelende verklaring van McLennan blijkt dat diens inspiratie zich niet zonder het nodige innerlijke geworstel blootgeeft. "Feiten laten me koud, terwijl Robert vooral op deze plaat op observaties en beschrijvingen steunt. Ik daarentegen ben op zoek naar... (weifelt) een essentieel expressiemiddel voor het hart, het obsedeert me," zegt hij hoofdschuddend. Hij piekert even. "Het lijkt er misschien op dat ik steeds maar weer in dezelfde mijn delf, maar het onderwerp is ook zo onuitputtelijk. Ik tracht het begrip 'begeerte' tot op het bot te doorgronden: waarom hebben mensen lief? Maar het is geen academische analyse. Ik hoop dat al mijn songs op dit album de zaak vanuit een ander perspectief bekijken. Ze drijven ook niet allemaal op melancholie: 'Going Blind' is een der gelukzaligste, directe liefdesliedjes die ik ooit heb geschreven, terwijl 'Orpheus Beach' een der wanhopigste is. Maar samen, zo vertellen mensen me, lijken ze te gaan over loslaten, wegtrekken ook." Fans die het duo vorig jaar aan het werk zagen, zullen naast de ruime greep uit het solowerk ook van de vele oude nummers en de vergeten b-kantjes genoten hebben. Uit die verrassende setlijst sprak een diepgewortelde tevredenheid over het eigen muzikale verleden. "Ik ben trots op alles wat we gedaan hebben," knikt Forster overtuigd. "We zijn ook altijd relevant gebleven, denk ik, omdat we ons nooit aan een scene vastgeklampt hebben," aldus McLennan. "Onze nummers zitten niet in een jukebox waarin elk muntstuk alleen maar nostalgie oproept. Misschien draaien we onszelf wel een rad voor ogen, maar ik geloof dat we hedendaagse muziek maken, en de mensen die naar onze concerten gekomen zijn vonden dat ook. De rockhistorie is bezaaid met de lijken van bands die zich heropgericht hebben om de magie van twintig jaar geleden weer te doen herleven, and it just stinks."

The Friends of Rachel Worth is verschenen bij Clearspot en wordt gedistribueerd door Konkurrent. Op 4 november spelen The Go-Betweens in het Koninklijk Circus in Brussel. Info: 02/218.20.15. Discografie: Send Me a Lullaby ('81), Before Hollywood ('83), Spring Hill Fair ('84), Liberty Belle and the Black Diamond Express ('86), Tallulah ('87), 16 Lovers Lane ('88). Al deze platen zijn in '96 heruitgebracht bij Beggars Banquet.

'De carrière van The Go-Betweens is een stuk in drie bedrijven en we bevinden ons nu aan het begin van deel twee'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234