Donderdag 17/06/2021

Varcken Eylandt

Stel je voor. Je woont op een eilandje in een rivier. Je wandelt 's morgens van je huis naar een echte Zwitserse skilift of 'tram', zoals de eilandbewoners zeggen. Iets later zweef je hoog boven de rivier. Drieeneenhalve minuut later word je gedeponeerd op de oever van de onvermoeibare moeder aller eilanden: Manhattan. 's Avonds pendel je in de omgekeerde richting. Het is piekuur. Het verkeer toetert en loeit aan de voet van de Queensboro Bridge waar je luchttram vertrekt. Je steekt een 'subwaytoken' in de gleuf. Klik. Een duwtje met je heup tegen de metalen stang en je staat op het tramperonnetje. Je stapt in. Het is al donker. Aaaah. Relax. De tram klimt de lucht in. Onder je staan de auto's bumper aan bumper op Second Avenue. Je zweeft voorbij hoge flatgebouwen aan je rechterkant. Wie daar woont heeft geen overburen. Alleen trampassagiers als jij kunnen heel even binnenpiepen in honderden keukens en woonkamers, waarna ze onverbiddelijk door de vuistdikke kabels worden voortgetrokken naar hun eigen nest. Vijfenzeventig meter onder je ligt de inktzwarte East River. Het panorama van de verlichte torens van Manhattan achter je wordt steeds breder. Het is een wolkenloze avond. Queens, Brooklyn, de Bronx: je ziet ze ook allemaal liggen. Het is een glorieus moment. Nog slechts een veel te korte minuut, dan een lichte schok en de tram staat weer op de begane grond. Je bent terug thuis op je eigen eiland, 'Roosevelt Island'.

New York is een puzzel van grote en kleine eilanden. Van al deze is Roosevelt Island het vaakst van naam veranderd. In de prekoloniale tijd stond het bij de Canarsie-indianen bekend als Minnahannock, wat betekent (laten we hopen dat de overlevering ons niet bij de neus neemt): 'Het is prettig om op het eiland te zijn'. Het groene sigaartje van amper 240 meter breed en 2,8 kilometer lang leek de Hollandse gouverneur Van Twiller wel wat. Hij had eerder al de eilanden Wards, Randall en Governors van de indianen 'gekocht' en in 1637 werd ook Minnahannock van hem. Zijn nieuwe eigendom leek hem ideaal om varkens te kweken. De naam van het eiland waar het volgens de oorspronkelijke bewoners zo prettig was om te zijn, veranderde in 'Varcken Eylandt'.

In 1668 werden de Hollandse varkens buitengebonjourd. De Britse officier John Manning werd de nieuwe eigenaar. Vijf jaar later kwamen de Hollanders terug en gaf Manning New York zonder slag of stoot over. Toen de Engelsen de stad heroverden, braken ze Mannings zwaard boven zijn hoofd. Diep vernederd verbande hij zichzelf naar zijn eiland. Tegen het einde van de eeuw verkocht hij het aan zijn schoonzoon Blackwell. Manning Island werd dus Blackwell's Island. De Blackwell-clan kweekte er fruit en ontgon er graniet. Blackwell House staat er nog steeds. Het is een van de zeldzame achttiende-eeuwse boerenwoningen in New York, die de tijd hebben overleefd. In 1829 - New York was toen al flink uit de kluiten gewassen - verkochten de Blackwells hun eiland aan de stad die er prompt een gevangenis bouwde. Tegen het einde van de eeuw werden er ook een zwerverskolonie, een gekkenhuis, acht hospitalen en een armenhuis ondergebracht. De gevangenen moesten op de gekken letten. Blackwell's Island was een plaats van bloed en tranen. Charles Dickens bezocht het en sprak er schande over, net als de onverschrokken negentiende-eeuwse journaliste Nellie Bly die zich gek liet verklaren om de onmenselijke toestanden in de inrichting te kunnen observeren.

In 1921 werd het toen overbevolkte Blackwell's Island omgedoopt tot Welfare Island. In de gevangenis werden openlijk drugs verkocht en niet de cipiers maar de brutaalste gevangenen zwaaiden er de plak. De stad besloot een nieuwe gevangenis te openen op Riker's Island. Dat werd een even notoire instelling, die nog steeds op volle toeren draait. Wie achterbleef op Welfare Island was bejaard of ziek. De meeste gebouwen stonden al leeg toen de stad zich, op het einde van de jaren zestig, realiseerde dat het eiland eigenlijk een fortuin waard was. Twee van Amerika's bekendste architecten, Philip Johnson en John Burgee, kregen de opdracht om een rolstoelvriendelijke woongemeenschap te ontwerpen voor mensen met diverse inkomens, met een minimum aan verkeer en een maximum aan wandel- en speelruimte bij het water. Het eiland kreeg weer een nieuwe naam: Roosevelt Island. Vandaag wonen er 8.250 mensen. Hun 'dorp' telt vele wonderen waaronder de huisvuilophaling een van de merkwaardigste is. Elke bewoner keilt op zijn verdieping zijn afval door een luik. Het afval valt naar de kelder waar het wordt weggezogen in een ondergrondse pijpleiding die leidt naar de afvalcentrale waar het vuil geperst wordt in pakken die worden opgehaald door de gemeentelijke vuilnisdienst. Roosevelt Island is een feest van licht, lucht en water. Iedereen kan het bezoeken. Fietsen mogen mee in de tram. Mooist van al zijn de verlichte, spookachtige ruines van de oude hospitalen. Voorlopig zijn ze slechts te zien vanachter een hoge afsluiting maar gelukkig zijn ze toch al tot beschermde monumenten verklaard.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234