Donderdag 27/02/2020

Van vreemd gespuis en ander onheil

Net zoals op het einde van de vorige eeuw, maakt angst zich opnieuw meester van een gedeelte van de bevolking. Angst voor de mensen die vanuit alle windstreken onze richting uitkomen. Die fixatie op veiligheid en onveiligheid verbergt waarschijnlijk heel andere angsten, namelijk het geleidelijk verdwijnen van geborgenheid, zekerheid en veiligheid.

Vreemd gespuis in ons land'. Onder die titel beschrijft 'Vlaminc' in De Vlaamsche Volksstem, orgaan van den Broederbond der Vlamingen in het Walenland, de Italianen die in Wallonië zijn komen wonen en werken. Het is uitschot, echt een gevaar voor de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de zedelijkheid. Februari 2000? Neen, december 1924. Het verhaal staat te lezen in de jongste nieuwsbrief van KADOC, het in Leuven gevestigde Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum. De Volksstem, een door en door katholiek blad, was bestemd voor de verpauperde Vlamingen die naar Wallonië waren uitgeweken. Guido Fonteyn heeft in zijn In de Rue des Flamands laten zien wat die mensen in de Borinage en in het Luikse aan negatieve clichés te wachten stond. In de Waalse folklore verscheen 'li Flamand' als een luierik, een vechtjas, een hele of halve boef. (Hoe merkwaardig en hoe vooruitziend: de Waalse boeren noemden de Vlaamse seizoenarbeiders 'Turcos'.) Wat doe je in zo'n geval? Je zoekt op jouw beurt naar een groep die als doelwit van spot kan dienen. Dat waren, getuige De Vlaamsche Volksstem, de Italianen. Want toen de nieuwste nieuwkomers.

Dat mensen op andere mensen een etiket van minderwaardigheid kleven is van alle tijden en komt overal voor. Iedereen maakt het wel eens mee. Zo'n ervaring woont ook in mijn geheugen. De Watermolen heette de buurt waar ik mijn jeugd doorbracht, een plek aan de rand van de stad Kortrijk. Het was een arbeiderswijk, zoals je ze toen in elk verstedelijkt deel van Vlaanderen vinden kon: een tweehonderd gezinnen, dertig cafés, leven op straat zodra het weer het toeliet. We hadden een slechte naam in het Kortrijkse. Er werd bij ons, zo zei men, elk weekend flink gevochten. Veilig was het er dus niet. Zelfs de hygiëne liet te wensen over, dacht men. Het stonk in de wijk, al waren de nabijgelegen vlasroterijen als verzachtende omstandigheid in te roepen. Met de leerlingen van het college, waar ik school liep, stapte ik wekelijks door die buurt van mij. Op weg naar een speelplein, een kilometer verder. Ik herinner me nog goed het commentaar, dat ik toen van de klasgenoten te horen kreeg. De woorden klonken anders, beschaafder, dan in De Volksstem, maar de toon was dezelfde. Nog zoiets. Jaren geleden bekeek ik in Oxford de daar toen beruchte wall: een viermeter hoge muur, die tussen een residentiële wijk en een hectare sociale woningen was opgetrokken. Hij was besteld en betaald door de villabewoners, een door sociale smetvrees ingegeven paniekreactie. Een rechter heeft later de afbraak ervan bevolen. Maar op verzoek van een paar actiegroepen is een stukje bewaard gebleven, zoals dat ook met de Berlijnse 'muur van de schande' is gebeurd.

Ja, er is die onweerstaanbare drang om een fysieke en sociale afstand te scheppen tussen insiders en outsiders, tussen gevestigden en nieuwkomers, tussen 'wij' en 'zij'. Het verzet, nu in Wingene en Ekeren, tegen de komst van een parkeerplaats voor asielzoekers ligt in dezelfde lijn. Die neiging om de anderen uit te stoten is uiteraard zoveel krachtiger als de buitenstaanders er ook anders uitzien. Als het Afrikanen, Turken, Marokkanen of Oost Europese zigeuners zijn. Een merkteken van die aard vergroot de kleefkracht van het etiket van collectieve schande, waarvan 'zij' worden voorzien. Maar eigenlijk hoeft het niet eens, die verschillende huidskleur of cultuur. In een pareltje van een boek heeft Norbert Elias, een socioloog met naam, beschreven hoe in een industriestad van de Engelse Midlands twee groepen van arbeiders ('oude' en 'nieuwe' bewoners van een wijk, maar allen Britten) met elkaar omgingen zoals sommige Belgen en buitenlanders dat nu in, onder meer, het Antwerpse doen: verachting voor en vernedering van wie het laatst gekomen is. Ik citeer zijn besluit: "In het hele drama tussen de twee groepen speelde ieder zijn rol op een voorspelbare manier, gevangen als ze waren in de valstrik van hun relatie als gevestigden en buitenstaanders." Wat ik wil zeggen is dat het verkeerd kan zijn in het geschimp op migranten en asielzoekers alleen de raciale of etnische dimensie te zien. Integendeel, met Norbert Elias kan men stellen dat het beroep op de termen 'raciaal' of 'etnisch' in de naamgeving van een houding of van een conflict een ideologische afweer doet vermoeden. Door ze te gebruiken, richt men de aandacht op datgene wat in deze kwestie bijzaak is, bijvoorbeeld verschillen in pigmentatie of in leefgewoonten. En keert men zich af van de hoofdzaak: de schier eindeloze behoefte om, zoals mijn Nederlandse collega Abram de Swaan het formuleert, "negatieve neigingen, zoals seksuele, agressieve of zelfzuchtige aanvechtingen die men van zichzelf niet weten wil" aan buitenstaanders toe te schrijven. Een duivelse combinatie is het, van loochening en toeschrijving.

Er zit een tweede constante in veel van die negatieve sjablonen. De 'anderen' zijn niet alleen minderwaardig, ze zijn vooral niet te vertrouwen. Die verdenking van criminele neigingen weegt al meer dan een eeuw op wie onder een of andere vorm een arme migrant is: de dagloner die in de negentiende eeuw naar de steden afzakte, de Vlaamse mijnwerker in het Luikse bekken of de Kosovaarse asielzoeker in Ekeren. Jean Neuville, de historicus die als geen ander la condition ouvrière au XIXe siècle bij ons in beeld heeft weten te brengen, gaf een van zijn boeken de titel L'ouvrier suspect (1977) mee. Neuville citeert Eduard Ducpétiaux, socioloog avant la lettre, die al in 1860 schreef: "Het leggen van een verband tussen armoede en criminaliteit is meer dan een vaststelling, het is gepromoveerd tot een onderzoeksmethode." Hondervijftig jaar later zegt Zygmunt Bauman, een van mijn gidsen in de verkenning van de samenleving: "In toenemende mate wordt het armoe lijden als een misdaad beschouwd en het tot armoe vervallen als het gevolg van een misdadige aanleg..." (Terzijde, wie hier aan Verwilghen denkt, omdat die toevallig een studie bestelde over criminaliteit bij migrantenjongeren, moet toch wel een heel slecht karakter hebben.)

Waar komt dat toch vandaan, die aandrang om de buitenstaanders en de criminaliteit als Siamese tweelingen te zien? Een stuk van het antwoord duikt op als je nagaat wanneer dat verband het heftigst bepleit wordt. Dan kom je terecht in episodes waarin angst zich van een gedeelte van de bevolking meester maakt. Over die angst, op het einde van de vorige eeuw, schreef Karel van Isacker: "Van oudsher noemde de burgerij het volk la classe dangereuse maar tot het laatste kwart van de negentiende eeuw was dat enkel een formule. De burgerij voelde zich zelfzeker door de almacht van het staatsapparaat en de vanzelfsprekende onderdanigheid van de lagere klassen. In de belle époque verdween deze zekerheid omdat het apparaat werd aangetast en de volgzaamheid niet meer bestond, omdat met de veilige vormen ook de waarborgen verdwenen voor het behoud van enige denkbare ordening. Hoeveel onrust dit verwekte, blijkt uit de soms hysterische haat van de bezitters voor alle vormen van emancipatie." Vandaar was het maar een kleine stap naar de overtuiging dat in elke arbeider een crimineel schuil ging. De Swaan, grasduinend in egodocumenten van die tijd, noteert over de gevoelens van de burgerij: "De stedelijke straat, het stadsplein was in die periode een bedreigde ruimte geworden, van ruwheid, van geweldsdreiging..."

Die angst is er vandaag ook weer. Nu voor de mensen die vanuit alle windstreken onze richting uitkomen. En opnieuw horen we de roep om bescherming van lijf en leden, van have en goed. In zijn laatste boek (In search of politics) legt Bauman haarfijn uit hoe die fixatie op veiligheid en onveiligheid heel andere angsten verbergt. Wat ons bang maakt, zegt hij, is een combinatie van drie zorgwekkende ontwikkelingen. Het gaat om de geleidelijke sloop van wat hij in het Engels noemt 'security, certainty en safety'. Omzetting van deze sleutelwoorden in het Nederlands is niet eenvoudig. Laat ik het houden bij geborgenheid (wat morgen komt is min of meer voorspelbaar), zekerheid (de waarden waarmee we in ons leven ordening brengen behouden hun kracht en betekenis) en veiligheid (er zijn geen gevaren die we niet aankunnen). Geborgenheid krimpt onder de druk van de veranderlijkheid en de verscheidenheid die in onze wereld geslopen zijn. Want grenzen vallen weg. Economie en politiek, media en cultuur hebben de hele planeet als adres. Geen enkele douane of drempel houdt hen nog tegen. Zekerheid? Dat er nog nauwelijks zekerheden zijn is een van de weinige zekerheden waarmee we moeten leven. Het probleem met gekwetste geborgenheid en met de vele onzekerheden is dat wij ook geen greep hebben op de krachten die deze psychische stutten onder ons wegtrekken. In onbekende, verre commandokamers wordt beslist wie morgen werk heeft en wie niet. Zoals deze week nog, toen de heren van Unilever een kruis trokken over honderd fabrieken en vijfentwintigduizend jobs. En begrippen die de mens lange tijd hebben gestuurd in de interpretatie van zichzelf en van de wereld zijn volop aan het vervagen. 'Leven' en 'dood' bijvoorbeeld. Maar wat die begrippen doet schuiven is niet te vatten. Vandaar wellicht de wat paradoxale cijfertjes in de Vlaamse Regionale Indicatoren, waarover de media zich eerder deze week druk maakten: de Vlamingen hebben het nog nooit zo goed gehad en toch zijn ze niet gelukkig. Natuurlijk niet, met geld kun je veel kopen, maar ook geborgenheid en zekerheid? Dus passen we een voor de hand liggende verdwijntruc toe: we vertalen die existentiële zorgen in iets waarop we wel kunnen ingrijpen: de vrees voor kleine of grote criminaliteit. Daar bestaat medicatie voor: meer blauw op straat en strengere straffen voor wie het niet laten kan - en, als de overheid wat aarzelt, burgerwachten en bewakingsfirma's, nieuwe sloten en ingenieuze alarmsystemen. Waartoe dat leiden kan, is nu al in sommige villawijken te zien: camera's en torenhoge omheiningen, dobbermannen en pitbulls. (Wie zit er dan eigenlijk gevangen?) Het enige wat in het plaatje ogenschijnlijk nog ontbreekt zijn de usual suspects. Maar die zijn, via de mechanismen van de al eerder genoemde loochening en toeschrijving, gemakkelijk te vinden.

Laat ik eindigen met een terechte verzuchting van Bauman: "Hele bevolkingen beroven van hun natuurlijke rijkdommen heet promotie van de vrijhandel. Gezinnen, buurten en regio's beroven van hun inkomen heet downsizing of gewoonweg rationalisering. Geen van beide ingrepen is ooit opgenomen op de lijst van criminele en strafbare handelingen."

Misschien is er op het kabinet van Verwilghen nog wat geld (en volk?) om daarover een studie te laten maken?

Bronnen:

Zygmunt Bauman, 'Globalization. The human consequences' (Polity Press, 1998)

Zygmunt Bauman, 'Leven met veranderlijkheid, verscheidenheid en onzekerheid' (Boom, 1998)

Zygmunt Bauman, 'In search of politics' (Polity Press, 1999)

Norbert Elias, 'De gevestigden en de buitenstaanders: een studie van de spanningen en machtsverhoudingen tussen twee arbeidersbuurten' (Spectrum, 1976).

Guido Fonteyn, 'In de Rue des Flamands: het schamele epos van Vlaamse migranten in Wallonië' (Scoop, 1997)

Karel van Isacker, 'Mijn land in de kering, deel 1: Een ouderwetse wereld 1830-1914' (De Nederlandsche Boekhandel, 1978)

Jean Neuville, 'La condition ouvrière au XIXe siècle, Tome 2: L'ouvrier suspect' (Vie Ouvrière, 1977)

Abram de Swaan, 'De draagbare de Swaan' (Prometheus, 1999)

De verdenking van criminele neigingen weegt al meer dan een eeuw op wie onder een of andere vorm een arme migrant is: de dagloner die in de negentiende eeuw naar de steden afzakte, de Vlaamse mijnwerker in het Luikse bekken of de Kosovaarse asielzoeker in EkerenDe aandrang om buitenstaanders en criminaliteit als Siamese tweelingen te zien wordt heviger in episodes waarin angst zich van een gedeelte van de bevolking meester maaktWe vertalen onze existentiële zorgen in iets waarop we wel kunnen ingrijpen: de vrees voor kleine of grote criminaliteit. Daar bestaat immers medicatie voor: meer blauw op straat, strengere straffen, burgerwachten en bewakingsfirma's

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234