Woensdag 01/02/2023

Van vogels en ornithologen

Het schrijven voor leken

Mario Vargas Llosa

uit het Spaans vertaald door Francine Mendelaar, Meulenhoff, Amsterdam, 144 p., 658 frank.

Amos Oz

uit het Hebreeuws vertaald door G. Daniël Bugel-Shunra, Meulenhoff, Amsterdam, 144 p., 658 frank.

door Bart Vervaeck

Een kortzichtig criticus (of is dat zoiets als een witte blanke?) heeft ooit eens beweerd dat schrijvers vogels zijn en critici ornithologen. Als je iets wilt weten over vliegen, zei hij, dan vraag je dat het best niet aan de vogels. De moraal was duidelijk: wil je iets leren over literatuur, dan moet je niet bij de schrijvers aankloppen.

Natuurlijk is dat onzin. Schrijvers hebben altijd al over hun vak geschreven; ze zijn half vogel, half ornitholoog. Van dit bijna mythologische tussenwezen verschijnen bij Meulenhoff twee recente incarnaties. Amos Oz heeft het over het begin van verhalen en Mario Vargas Llosa over de technieken van de romankunst. De eerste zinnen van een roman vormen volgens Oz een contract met de lezer. Zo maakt Fontane met het trage begin van zijn Effi Briest duidelijk wat hij van de lezer verwacht: een langzame lectuur, met oog voor details en vooral voor kleine verschuivingen, zoals het bewegen van de schaduw. In die minieme veranderingen wordt het hoofdthema van het boek al aangekondigd. Dat is vaak het geval met een romanbegin: het bevat in knopvorm de essentie van wat nog zal volgen. De neus van Gogol begint met een bijna bureaucratisch verslag, dat echter niet in staat is de realiteit te beschrijven, en dat kondigt de groteske verdwijning van de 'echte' neus aan.

Even vaak is het begin misleidend en leidt het de lezer via een omweg naar het verhaal en het hoofdthema. Dat is het geval in 'De viool van Rothschild', een verhaal van Tsjechov. Doordat de verteller aan het begin de standpunten van de personages overneemt, hou je die standpunten voor waar, terwijl je later ontdekt dat het slechts maskers zijn die een diepere, melancholische werkelijkheid verbergen. 'Een plattelandsdokter' van Kafka lijkt te beginnen als een pleidooi, dat de lezer ertoe dwingt de dokter te geloven èn te verontschuldigen, maar gaandeweg wordt dat geloof ondermijnd en moet de lezer de dokter wel schuldig verklaren. Even misleidend is het begin van Elsa Morantes roman De geschiedenis. In de eerste regels krijgt de lezer een ouderwetsig links politiek wereldbeeld voorgeschoteld, dat de goeden en de slechten duidelijk van elkaar scheidt. Maar algauw blijken de goeden ook veel slechten in hun gelederen te tellen.

Zo kan een misleidend begin bij de lezer de nieuwsgierigheid opwekken die hem of haar ertoe aanzet actief mee te werken aan het verhaal. Het begin, zegt Oz, is in die zin een verleiding. Het wil je meeslepen. Dat gebeurt bijna letterlijk in De herfst van de patriarch van García Márquez. Een lange, wervelende zin beschrijft de bestorming van het presidentiële paleis. Maar in die stormachtige beweging wordt duidelijk dat dit voor de zoveelste keer gebeurt en dat de zogenaamde verandering in feite een herhaling is. In plaats van revolutie is er veeleer sprake van stilstand. Ook dat vind je vaak aan het begin van een roman: de tijdloze stilstand, of op zijn minst de verbinding van verschillende tijden, waardoor gesuggereerd wordt dat het verhaal van alle tijden is.

Conclusie van dit alles: wie het begin van een boek mist, mist vaak de hele tekst en wie niet wil dat zoiets gebeurt, moet traag lezen. Daarvoor pleit Oz in zijn elfde hoofdstuk, na tien analyses van beginscènes. Het laatste en twaalfde hoofdstuk wijdt hij aan het verschil tussen historische en literaire waarheid. Dat verschil ligt volgens hem vooral in de perceptie van de lezer. Of je iets als 'feit' of als 'fictie' leest, hangt ten dele af van het gevoel van onzekerheid dat de tekst bij je oproept. Het feit is daarbij niet echter dan de fictie: ook vermoedens en verhalen kunnen de wereld en het leven echt veranderen. Dit laatste hoofdstuk geeft de kijk van de literator op problemen die in het zogeheten New Historicism ook door de literatuurwetenschapper behandeld worden. Zo beginnen verhalen is een interessante analyse van teksten, die bovendien een ruimere kijk geeft op het contract tussen tekst en lezer. Het boekje bevestigt het ongelijk van de kortzichtige criticus aan het begin van deze recensie.

Helaas, Aan een jonge romanschrijver, het essay van Mario Vargas Llosa, lijkt die criticus toch weer enigszins gelijk te geven. Vargas Llosa doet nauwelijks meer dan open deuren intrappen, oude clichés verzamelen en al even oude misvattingen opdissen. In de rubriek clichés: schrijvers schrijven uit onvrede en rebellie, de stijl moet aangepast zijn aan de inhoud om te kunnen overtuigen, de tijd van de roman is niet de tijd van de realiteit. Enkele open deuren: de verteller is niet de auteur, teksten worden veelzeggender naarmate ze minder expliciet zijn. De misvattingen zitten vooral in de hoofdstukken over het vertellen. Vargas Llosa zegt dat er drie soorten vertellers zijn: de hij-verteller, die buiten het verhaal staat; de ik-verteller, die in het verhaal zit, en ten slotte de jij-verteller, die ertussenin zweeft. Dat is volstrekte onzin. Zo kunnen ik-vertellers best buiten het verhaal staan. Dat vertellers nadrukkelijk op de voorgrond treden betekent nog niet dat ze ook in het verhaal optreden. Vargas Llosa verwart zichtbaarheid met aanwezigheid, en dat noopt hem tot eindeloze pirouettes om zijn krakkemikkige schema te redden.

Niet alleen de inhoud van dit boekje is zwak. Ook de briefvorm die Vargas Llosa gebruikt is ongeloofwaardig en irritant. Hij schrijft zijn opvattingen zogezegd op in brieven aan een beginnende romancier. Hoewel Vargas Llosa van de schrijver eist dat zijn vorm noodzakelijk en dwingend is, zie ik zie niets dwingends in deze vorm en in holle frasen, genre: "Hartelijk dank voor uw snelle antwoord, waarin u schrijft dat u de anatomie van de roman graag verder wil onderzoeken."

De anatomische les van Vargas Llosa is stapsgewijs opgebouwd. Eerst is er een bespreking van de drijfveren van de roman. Daarop volgt een analyse van de romanvorm, dat wil hier zeggen: de stijl, de verteller, de tijd en het realiteitsniveau. Daarna gaat het over de wisselingen (bijvoorbeeld van tijd en verteller), de inbedding van verhalen, de ellips en ten slotte de combinatie van verschillende scènes, wat Vargas Llosa de communicerende vaten noemt. Zoals dat hoort bij een anatomie, wordt de roman in stukjes gesneden en gereduceerd tot een verzameling "hulpmiddelen". Aan het einde zegt Vargas Llosa: "Beste vriend, ik probeer u te vertellen dat u alles wat u in mijn brieven over de vorm van de roman heeft gelezen moet vergeten en dat u onmiddellijk een roman moet gaan schrijven." Dat einde is even veelzeggend èn correct als de analyse van de beginscènes die je bij Oz aantreft. In die zin hebben deze twee boekjes, die kwalitatief sterk verschillen, toch wat gemeen. Net zoals het eind vaak veel gemeen heeft met het begin.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234