Maandag 17/05/2021

Van vijf Kameroense studenten en een verlichtingspaal

'Belgische studenten doen vakantiewerk om er een auto of een scooter mee te kopen, of ze vertrekken op reis. Als wij werken, dan is dat om eten te kopen'

Het was een kort bericht in de maandagkrant. Vijf Kameroense jobstudenten verongelukt in Ath, namen werden niet genoemd. In de Afrikaanse studentengemeenschap van Mons kennen ze de slachtoffers des te beter. Nestor, Serge, Clovis, Siméon en Hervé waren ijverige studenten en harde werkers. Hebben ze zich letterlijk te pletter gewerkt? Oververmoeidheid van de chauffeur? Het is een twijfelachtige thesis. Maar het ongeval legde wel een schrijnende realiteit bloot. Afrikaanse studenten moeten zich uit de naad werken om in België te overleven.

Erik Raspoet

Wellicht zullen we nooit met zekerheid weten wat er vorige vrijdag op de route de Chièvres in Ath is gebeurd. Feit is dat een witte Toyota Starlet koers zette richting Bergen. Het was krap zitten, vijf volwassenen in een bescheiden Japanner. Vooral Hervé, een boom van een kerel die verdienstelijk basket speelde, had zijn lange benen met moeite aan boord gehesen. Net als Nestor, Serge, Clovis en Siméon had hij er een zware shift opzitten.

Sinds begin september waren de vijf Kameroense studenten aan de slag bij Waldico, een distributiecentrum van Colruyt in Ghislenghien. De Afrikaanse gemeenschap van Mons heeft er zich een hele week suf over gepiekerd. Was het vermoeidheid die de chauffeur parten heeft gespeeld? Of was Nestor Yemte Silienou verstrooid door het drukke getater in de auto? Misschien was het wel domweg roekeloos rijgedrag. Nestor was beslist geen ervaren chauffeur, hij had pas drie maanden geleden zijn rijbewijs behaald.

De bocht in de route nationale ter hoogte van Meslin-L'Evêque geldt niet eens als gevaarlijk. Toch heeft Nestor daar de controle over het stuur verloren, met verschrikkelijke gevolgen. De Toyota ging op zijn flank en plooide zich tientallen meters verder rond een betonnen verlichtingspaal. Drie passagiers werden uit de auto geslingerd, op slag dood. Een vierde inzittende stierf bij aankomst van de hulpdiensten, het laatste slachtoffer overleed uren later in het ziekenhuis van Ath. De teller stond geblokkeerd op 140 kilometer per uur. De klap was zo hard dat zelfs de betonnen verlichtingspaal is geknapt.

In de maandagkranten was het maar een kort bericht waard. Vijf Kameroense jobstudenten verongelukt met de wagen, namen deden niet terzake. In de Afrikaanse studentengemeenschap van Mons ligt dat wel anders. Voor het raam van het Maison Internationale in de rue d'Havré hangt een affiche met foto's en namen. Nestor Yemte Silienou (25), Serge Leutchouang (30), Clovis Tchougang (28), Siméon Zoukou Tayou (24) en Hervé Ruben Um Nyobé (22) waren bekende gezichten in het studentenhome, waar een veertigtal Afrikanen verblijft. "Nestor had hier nog een kamer", zegt directeur Etienne Pourbaix. "Ook Serge en Clovis hebben hier gewoond, tot ze wat meer geld hadden en een kot in de stad konden huren. Ze kwamen hier nog veel over de vloer, want het Maison Internationale fungeert als draaischijf voor de Kameroense gemeenschap. Het bericht van het ongeval is hier ingeslagen als een bom. Elke avond vindt er een gebedswake plaats. Studenten zoeken troost bij elkaar, de solidariteit is groot. Er wordt volop geld ingezameld voor de repatriëring en voor de nabestaanden."

Etienne Pourbaix heeft zich zelf achter de inzamelactie geschaard. Het regent niet alleen telefonische beloftes, er komt ook concrete hulp. Vanmorgen nog stak een Rwandese student hem een envelop met 200 euro toe, ingezameld in de Rwandese gemeenschap van Mons. "Een ontroerend gebaar", zegt Pourbaix. "Want de Rwandese gemeenschap heeft het niet breed. De Kameroeners zijn nog bezig met hun collecte. Ook daar gaan mensen zich pijn doen om hun steentje bij te dragen."

Voor de zoveelste keer rinkelt de telefoon. Ambassade, politie, begrafenisondernemer, verzekeringsmaatschappij... Het staat niet stil. In principe is de nasleep zo klaar als een klontje. Het ongeval op de terugweg van het werk valt onder de verzekeringspolis van Colruyt. Maar er zitten adders onder het gras. Na het ongeval deed Colruyt een merkwaardige vaststelling. Vier van de slachtoffers waren inderdaad ingeschreven als jobstudent, maar van Nestor Yemte Silienou ontbrak ieder spoor. "Die was ingeschreven onder de naam van een andere Kameroener", zegt Pourbaix. "Tja, dat gebeurt wel vaker. Kameroense studenten zijn voortdurend op zoek naar vakantiejobs. Soms tekenen ze twee contracten voor dezelfde periode. Dan laten ze één van de jobs aan een landgenoot."

"Het zou natuurlijk niet mogen, maar ik heb er wel begrip voor. Vakantiejobs zijn voor Kameroeners, net als voor andere Afrikanen, een kwestie van overleven. Studiebeurzen krijgen ze niet, ze moeten alles zelf betalen. Inschrijvingsgeld voor niet-Europese studenten beloopt algauw 1.000 tot 1.500 euro. Een kamer kost bij ons 145 euro, maar in de stad betaal je minstens 200 euro per maand. En dan zwijgen we nog over eten en drinken. Officieel mogen studenten maar een maand werken, maar voor de meeste Afrikanen volstaat dat niet. Juli, augustus en september zijn de maanden waarin ze een reserve voor het hele jaar moeten aanleggen. Ze hollen van de ene job naar de andere. Het is een wonder dat ze in die omstandigheden nog aan studeren toekomen."

Lange tijd vormden Kongolezen de meerderheid in het Maison Internationale, maar de voorbije jaren werden ze door de Kameroeners onttroond. Dat is geen toeval, want steeds meer studenten uit het West-Afrikaanse land zakken naar België af. Een bron bij de ambassade gewaagt van duizend studenten, hoofdzakelijk in het Franstalig onderwijs. Vooral Mons, een stad van universiteiten en hogescholen, telt een bloeiende Kameroense gemeenschap. "Ze staan hier goed aangeschreven", zegt Pourbaix, "als harde werkers en geboren plantrekkers."

Ook Nestor Yemte Silienou was zo'n geboren plantrekker. "Hij was erg dynamisch", zegt Gilles Fodem, die met het ongeval zijn beste vriend heeft verloren. "In het Maison Internationale was hij verantwoordelijk voor de computerzaal. We studeerden samen aan het Isims, het Institut Supérieur Industriel de Mons. Nestor had dit jaar maar één herexamen, hij zou het zeker hebben gehaald. Hij had al vage plannen voor de toekomst. Na informatica in Mons zou hij naar Valenciennes gaan om zich in telecom te specialiseren. Met zo'n opleiding was hij in Kameroen verzekerd van een mooie carrière."

Fodem is in 2001 naar België getrokken, een jaar eerder dan zijn vriend Nestor. "Ik heb hem hier opgevangen", zegt hij. "Zo gaat dat bij ons. Anciens maken nieuwkomers wegwijs in het systeem. Want in het begin is het verwarrend. Je moet diploma's laten homologeren, een school zoeken, een kamer huren, er komt heel wat bij kijken. Daarom is Mons zo populair bij Kameroense studenten. Het is een kleine stad met een hechte studentengemeenschap. Je zult een Kameroener nooit op straat zien slapen. Ook al zit je helemaal zonder geld, er is altijd wel een landgenoot bij wie je kunt eten of slapen."

Michel Domgue Fotzo, die de verongelukte Siméon als zijn 'broer' beschouwde, heeft een vermoeden over de ware oorzaak van het ongeval. "Oververmoeidheid", zegt hij, "Nestor combineerde twee banen. Hij werkte dag en nacht en moest tussendoor nog herexamens voorbereiden. Dat is het lot van alle Kameroeners. We werken ons allemaal te pletter om onze studies te betalen."

Geldgebrek is een onderwerp dat in het Maison Internationale vele tongen losmaakt. De omstandigheden van het dramatische ongeval dragen ertoe bij. De vijf studenten zijn omgekomen, uitgerekend tijdens de jacht op de broodnodige pecunia. Studiebeurzen? "Die hebben bestaan", weet men op de Kameroense ambassade, "maar uit economische overwegingen heeft de regering in 1990 alle nationale beurzen bevroren. Nu zijn er alleen nog internationale beurzen, van ontwikkelingsorganisaties en rijke donorlanden." Op de ambassade wordt het in alle toonaarden ontkend, maar de studenten in het Maison Internationale zijn unaniem. Die schaarse beurzen gaan uitsluitend naar kinderen van de elite.

Hoe dan ook, de aanwezigen in de foyer, tien jongens en drie meisjes, hebben zonder uitzondering de moeilijke weg naar België gevolgd. Hun familie heeft alle middelen bij elkaar geschraapt om hun overtocht te financieren. Het gaat om een forse investering, want behalve een vliegtuigticket moet ook een waarborg van 6.000 euro worden gestort. "Met dat bedrag moet je dan je inschrijvingsgeld betalen en kom je het eerste jaar door", zegt Domgue Fotzo. "Maar dan begint het. De reserves raken op, je moet op je eigen benen staan. Als je geen job vindt, kun je het tweede jaar geen inschrijvingsgeld betalen. Nee, voor ons is de zomer geen vakantie. Uiteraard lijden onze studies onder die financiële druk. Heel wat studenten kunnen niet aan een tweede zit deelnemen omdat ze moeten werken."

Philippe Ndasse had er naar uitgekeken. Twee weken uitblazen voor de start van het nieuwe academiejaar, dat had hij wel verdiend. Hij heeft deze zomer in een psychiatrische instelling gewerkt, en tussendoor ook nog een tweede zit met succes uitgezeten. Helaas, het ongeval heeft er anders over beslist. Philippe is een van de organisatoren van de solidariteitscampagne. Hij komt net terug van de ambassade, waar de formaliteiten voor de repatriëring werden besproken. Over het harde leven van Afrikaanse studenten moet je deze 30-jarige student verpleegkunde niets vertellen. "Natuurlijk doen ook Belgische studenten vakantiewerk", beseft hij. "Maar ze kopen er een auto of een scooter mee, of vertrekken op reis. Daar kunnen wij alleen maar van dromen. Als wij werken, dan is dat om eten te kopen."

Naar eigen zeggen ervoer Ndasse een cultuurschok toen hij in België aankwam. Op school, als ancien tussen achttienjarige medestudenten, viel hij van de ene verbazing in de andere. Koppels die elkaar publiek staan te kussen, Belgen die je mee op café vragen en je dan zelf je pint laten betalen, hij heeft er intussen mee leren leven. "Maar echte vriendschap met Belgische studenten is erg moeilijk", zegt hij. "We leven in totaal verschillende werelden. Soms steekt de discriminatie wel. Waarom moet ik 1.100 euro inschrijvingsgeld dokken terwijl een Belg voor dezelfde opleiding maar 150 euro betaalt? Wij zeggen het vaak tegen elkaar. Les Belges sont tous nés avec une étoile sur le front. Ze leven in het paradijs, maar ze beseffen het niet."

Het verschijnsel is Etienne Pourbaix welbekend. Kameroense studenten arriveren in ons land met steile verwachtingen. België als Eldorado, de mythe leeft niet alleen in Kameroen. "De ontnuchtering is des te groter", zegt hij. "Na een tijdje stellen ze vast dat het leven hier peperduur is. Ze moeten knokken, en niet alleen voor zichzelf. Want de hulp van hun familie is niet vrijblijvend. Na een poosje worden de rollen omgedraaid. Heel wat studenten sparen zich het brood uit de mond om geld naar huis te sturen."

Maiseneau Tadzong Kenne was wel erg snel door zijn voorraad illusies heen. Het begon nochtans goed eind juni. Hij werd in Zaventem opgewacht door Michel en Siméon, twee vrienden uit Doala die de weg naar België hadden voorbereid. Maar de sores bleven niet uit. Tadzong Kenne heeft al vijf jaar gestudeerd, hij mag zich in Kameroen licentiaat bedrijfsmanagement noemen. In België maakt die titel helaas weinig indruk. Zijn hoop om meteen een postgraduaat te behalen, werd vakkundig de grond ingeboord. Herbeginnen dus, maar waar? Nu wedt hij op twee paarden, hij doet tegelijkertijd ingangsexamens aan de ULB en de Faculté Polytechnique de Mons. "Hopelijk kan ik hier beginnen", zegt hij. "Brussel is veel te duur, alleen al het inschrijvingsgeld aan de ULB bedraagt 2.500 euro. De beslissing moet wel snel vallen. Zolang ik geen school heb, kan ik geen domicilie kiezen. En zonder domicilie krijg ik geen studentenvisum."

Het is niet de enige catch 22 waarmee hij moet afrekenen. "Mijn familie heeft een waarborg gestort", zegt hij. "Ik mag daar per maand 500 euro van afhalen, geen euro meer. 500 euro, dat volstaat bijlange niet. Waar moet ik dan straks mijn inschrijvingsgeld van betalen? En de drie maanden waarborg om een kamer te huren? En het toppunt van al. Ik ben nog geen drie maanden in België, en ik word al bestookt door mijn familie. Een zieke neef die zijn doktersrekening niet kan betalen, een tante die vraagt om schoolschriften voor haar kinderen te kopen, het staat niet stil."

En nu deze mokerslag. Siméon, zijn ogen worden vochtig als hij de naam van zijn verongelukte vriend uitspreekt. "Het liefst van al wil ik zo snel mogelijk naar Kameroen terugkeren", bekent hij. "Maar mislukken is geen optie." Maiseneau Tadzong Kenne, met een rasta-pet en een mouwloos T-shirt dat zijn brede schouders en forse biceps flatteert, is een fiere verschijning. Zoals vier van de vijf slachtoffers behoort hij tot de Bamileke, een volk dat wel eens als de juifs de Cameroun wordt omschreven. "Omdat we zo ondernemend zijn", verklaart Tadzong Kenne de bijnaam. "Als Bamileke weet je dat je moet vechten in het leven. Zo bekijk ik ook mijn studies in België. Dit is een slagveld. Maar als je je hier doorheen slaat, dan kan de toekomst niet meer stuk."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234