Zaterdag 23/01/2021

Van verdachte buur tot moordenaar

Dirk Voorhoof legt de oorsprong van de mediahype niet enkel bij de media maar ook bij politie en justitie. Voorhoof is hoogleraar aan de Universiteit Gent en de Universiteit van Kopenhagen. De berichtgeving in kranten, op radio en televisie in verband met de dubbele moord in Halen is de voorbije dagen uitgebreid onderwerp van discussie geworden in opiniestukken, op weblogs, op café en in de justitiepaleizen. De media gingen volgens hen over de schreef en hadden lak aan de deontologische regels.

Yves Desmet (De Morgen) en José Masschelin (Het Laatste Nieuws) verklaarden het debat officieel voor geopend op donderdagochtend 7 januari in een kemphaangesprek op de radio. Desmet vond dat Het Laatste Nieuws veel te vroeg uitpakte met de volle naam en foto van de verdachte buurman en de man al te zeer stigmatiseerde. Masschelin wees erop dat De Morgen slecht geplaatst was om Het Laatste Nieuws de les te spellen, omdat ook de informatie in De Morgen tot identificatie kon leiden.

Het echte vuurwerk begon pas toen advocaat Walter van Steenbrugge eerst in een ochtendprogramma op Radio 1, dan op zijn weblog bij deredactie.be en later die dag nog in Phara de pers de levieten las: de manier waarop de pers berichtte over de zaak van de dubbele moord zou er effectief moeten/kunnen toe leiden dat de verdachte vrijuit gaat. De media hadden immers, aldus de advocaat, het vermoeden van onschuld van de verdachte geschonden en de man zou daardoor nu al het recht op een eerlijk proces ontzegd zijn. Van Steenbrugge haalde er de rechtspraak bij van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om zijn stelling te staven.

Bij Phara drukte hij erop dat een rechtscollege in België maar eens moedig genoeg moest zijn om deze consequentie te trekken en de man vrij te spreken wegens schending van het fair trial-principe, de pers zou dan zijn lesje wel geleerd hebben. Hij pleitte in één beweging ook voor het strafbaar stellen bij wet van het publiceren van persoonsgegevens van verdachten.

Laat er geen discussie over zijn, in zijn analyse is de kritiek deels terecht: zeker alvorens de buurman tot bekentenis overging, is door sommige media R.J. te nadrukkelijk in het vizier genomen. De middelen die de media hebben ingezet om het speur- en graafwerk in en rond het huis in beeld te dringen waren opdringerig, ongepast. Dat de VRT, nochtans in grote financiële nood, het presteerde om een helikopter in te schakelen om wat sfeerbeelden te maken, was grotesk. Er zijn ook aanwijzingen dat de familie en de buurt door journalistiek "gestalkt" werden. De manier waarop de moord, de aanhouding en het onderzoek breed zijn uitgesmeerd kon zeker genuanceerder, met meer respect. De feiten waren op zichzelf al schokkend genoeg.

Schijn ophouden
De speurtocht naar de mogelijke dader en de berichtgeving over de dubbele moord toont evenwel aan dat niet enkel of niet zozeer de media in de fout zijn gegaan. Het feit dat de pers al in een heel vroeg stadium beschikte over gegevens in verband met het onderzoek en de sporen naar R.J. wijst erop dat er lekken waren bij politie of parket. De procureur kon wel op een persconferentie proberen de schijn ophouden dat hij in functie van het geheim van het onderzoek noch wenste te bevestigen, noch ontkennen dat de man ondertussen de feiten bekend had. Duidelijk was dat de chef van het parket de eigen troepen niet in de hand had. Grotesk werd het toen de advocaat van de man, die van zichzelf beweerde dat hij de verdachte in deze zaak niet vertegenwoordigde en op zoek was naar een advocaat met expertise in het strafrecht, ongeveer terzelfder tijd verklaarde dat de verdachte wel bekentenissen had afgelegd, met bijkomende toelichting.

Een andere advocaat, Jef Vermassen, ging al meteen een stap verder en bracht de verdachte ook in verband met een andere moordzaak. Kort daarop konden de media al meteen berichten over het scenario hoe de "moordenaar" te werk was gegaan, met inclusief een aantal gruwelijke en schokkende details. Wie gaf deze informatie: het parket, de politie, de advocaat, de familie?

En wat bleek: het publiek, de lezers, kijkers, u en ik, zaten op de eerste rij om deze ontwikkelingen te volgen, al deze details te vernemen, verklaringen van dorpsbewoners, klasgenoten of vrienden, gerechtsdeskundigen, advocaten, mensen van justitie, journalisten, ... .

De meeste kranten en radio- en televisiezenders hadden zich inderdaad terughoudender moeten opstellen. De richtlijn in verband met de berichtgeving over slachtoffers (2003) en de richtlijn over gerechtsverslaggeving (2008) moet dringend meer onder de aandacht worden gebracht van journalisten, eindredacteurs en hoofdredacteurs. Maar tegelijk is de berichtgeving en de verontwaardiging die erop volgt eigen aan dit soort schokkende gebeurtenissen waarmee een samenleving nu en dan geconfronteerd wordt: de zaak-Dutroux, de zaak-Pandy, de zaak-Van Themsche, de zaak-Van Holsbeek, de zaak-Abdallah Aït Oud, de zaak-De Gelder enzovoort. We klungelen wat af, geconfronteerd met dergelijke trauma"s, met zijn allen.

Geen reden om de analyse niet te maken, geen reden om het debat niet aan te gaan. Maar laten we de verontwaardiging even bezinken alvorens met te drastische en ondoordachte voorstellen te komen zoals het niet-vervolgen of vrijspreken van de verdachte of het meteen bij wet verbieden van persoonsgegevens in gerechts- en misdaadverslaggeving. Advocaten en justitie moeten de zwartepiet niet doorspelen naar de media en de media moeten niet doen alsof zij slechts de boodschappers zijn van de informatie die zij krijgen van advocaten, justitie of familie. Laat elk op zijn domein de nodige lessen trekken en ervoor zorgen dat het in de toekomst beter kan, met meer respect ook voor slachtoffers, nabestaanden en verdachten. Overleg tussen media, justitie en advocatuur is meer aangewezen en kan meer bereiken dan elkaar diaboliseren.

Eerlijk proces
Overigens is het verkeerd de zaak voor te stellen alsof de schending van het vermoeden van onschuld in de media neerkomt op een inbreuk op artikel 6 van het Europees Mensenrechtenverdrag en van het daarin verankerde grondrecht op een eerlijk proces. Telkens wanneer het Hof een staat veroordeelde wegens inbreuk op artikel 6 van het Verdrag, was het omdat de overheid zelf (het rechtscollege, een onderzoeksrechter, een minister, een procureur, de politie) het vermoeden van onschuld had geschonden door publieke verklaringen te doen voor het parlement of tijdens een persconferentie.

De recente zaak waarnaar verwezen is (EHRM Shagint. Oekraïne, 10/12/2009) was dus geen schending van het vermoeden van onschuld door de media, maar wel degelijk door de procureur zelf, naar aanleiding van een persconferentie. De procureur had nog voor een verdachte in beschuldiging was gesteld, tijdens een persconferentie verklaard dat de man tegen betaling opdracht had gegeven tot het plegen van verschillende moorden. Alleen van het aantal moorden was hij nog niet zeker. In een nog recenter arrest, van 7 januari 2010, stelde het Europees Hof in een soortgelijke zaak eveneens een inbreuk vast op het vermoeden van onschuld, maar nogmaals, niet omdat de media in de fout waren gegaan, maar wel de procureur die al te forse verklaringen had afgelegd over een verdachte (EHRM Petyo Petkov, 7/1/2010).

De verontwaardiging vanuit de advocatuur en justitie zou dus best ook aanleiding mogen zijn tot een zelfanalyse van de rol van advocaten, van justitie en politie in het afleggen van verklaringen en het ongepast lekken van allerlei informatie naar de media in verband met misdaad en gerechtsverslaggeving. Ook de mediasector zelf, met op kop de hoofdredacteurs, de Vereniging van Vlaamse Journalisten (VVJ) en de Raad voor de Journalistiek moeten zich dringend buigen over de vraag hoe zij de richtlijnen in verband met berichtgeving over slachtoffers, misdaad en strafzaken - richtlijnen die zij nota bene zelf hebben afgekondigd - in de praktijk ook effectief nageleefd willen zien. De journalistiek die zichzelf ernstig wil nemen moet echt een keuze maken: verder afglijden of zich herpakken.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234