Zondag 26/09/2021

Van tederheid naar troost

'Ik ben er diep van overtuigd dat deze maatschappij een doodlopende weg is. Het democratisch kapitalisme is immers niet in staat om rationeel, collectief en tijdig de problemen die ze zelf oproept op te lossen'

Gesprek met de Nederlandse cultuurfilosoof

en ecologische boer Ton Lemaire

David Van Reybrouck / Foto's Gert Jochems

Ton Lemaire was ooit een vooraanstaand filosoof en antropoloog in Nederland. Zijn eerste werk, De Tederheid, schreef hij op 26-jarige leeftijd. Het werd een bestseller. Ondertussen woont hij al tien jaar op een boerderij in de Dordogne, waar hij zoveel mogelijk in zijn eigen onderhoud probeert te voorzien. Hij verzorgt zijn kippen en zijn moestuin, kweekt bijen en blijft, zijn voorliefde voor indianen getrouw, een keer per week boogschieten. Toch is hij intellectueel nog uiterst actief en hecht hij veel waarde aan een paar vriendschapsbanden. 'Nee, ik ben geen kluizenaar.'

De negentiende eeuw herbegint in de Gare St. Lazare. Na het Thalys-geweld van de Gare du Nord en het rammelen van de metro onder Parijs is St. Lazare, ondanks zijn naam, behoorlijk uitgestorven. Op een zondagmiddag als vandaag lijkt het station weggeplukt uit een verhaal van De Maupassant waarin Parijse petit bourgeois naar het platteland trekken om te roeien en buitenechtelijk verliefd te worden. Je verwacht er bijna hengelroedes, picknickmanden en strakke korsetten te zien. De trein heeft nog net geen rookpluim, maar wel ouderwetse coupés. Drie uur lang deel ik een compartiment met een beminnelijke oude man. Hij was organisateur des spectacles geweest.

Wanneer ik in de vooravond in het onooglijke stationnetje van St. Astier aankom, word ik opgewacht door de Nederlandse cultuurfilosoof en antropoloog Ton Lemaire (58). Hij heeft het uiterlijk van die andere Nederlandse wijsgeer, Johan Cruijff, en ook diens gehaaste manier van praten. Nog voor we goed en wel in de auto zitten, heeft hij bericht over het belabberde weer van de voorbije weken en over zijn zaaigoed dat eronder lijdt. Zijn boerderij ligt acht kilometer verder, op een bebost en afgelegen plateau. Er loopt een steil, slingerend weggetje dat hij gezwind in tweede versnelling beklimt. Tijdens de rit kijk ik naar hem. De man die naast me zit en nu met zijn oude Renault door het verlaten landschap van de Dordogne rijdt, was tien jaar geleden een gevierd docent in Nijmegen voor wie de collegezalen volliepen. Zijn vakken cultuurfilosofie, inleiding in de filosofie en epistemologie van de antropologie waren populair. Op studentenkamertjes werden zijn boeken verslonden en driftig van potloodstrepen voorzien. Ton Lemaire was een geliefde docent. Maar de universitaire context werd hem te veel en na een ingrijpende depressie werd hij medisch vrijgesteld van verdere academische verplichtingen. Samen met zijn toenmalige vriendin kocht hij een boerderij in de Dordogne om er op ecologisch verantwoorde manier in alle soberheid te leven. Ondertussen leeft hij er alleen. Vorige maand heeft hij zelfs zijn herdershond moeten laten afmaken. Hij heeft het er nog steeds lastig mee. Ook dat vertelt hij als we nog in de auto zitten.

Bij aankomst blijkt zijn landgoed een idyllische plek te zijn. Het gras staat hoog, de acacia bloeit, de oude boerderij kijkt kilometers uit over een onbewoonde vallei waar orchideeën en everzwijnen het naar hun zin hebben. Honderd jaar geleden was dit een welvarende landbouwstreek, maar sinds de ontvolking van het Franse platteland verwilderden de wijngaarden en werden de hakhoutbossen serieuze wouden. De stilte is er nu soms tastbaar.

Lemaires huidige solitaire bestaan doet niet vermoeden dat hij precies beroemd werd met een boek over de ingrijpendste van alle intermenselijke relaties, de liefde. Hij was zesentwintig toen hij De Tederheid schreef, het verscheen in het vlinderjaar 1968 en er werden in Vlaanderen en Nederland maar liefst 35.000 exemplaren van verkocht, een recordaantal voor een filosofisch traktaat. Hij schreef het niet uit ervaring, maar uit verlangen, zo vertelt hij 's avonds bij een goed glas Belgisch bier.

"Ik woonde in 1966-'67 in Parijs, volgde er colleges, werkte aan een studie over het landschap en bestudeerde er de landschapsschilderkunst in het Louvre. Tijdens dat werk was ik verliefd op een Frans meisje en dat was niet wederzijds. Dat was overigens niet de eerste keer. Ik had veel over de liefde gelezen; nu was het een troost om erover na te denken. Er is een mooie uitspraak van Hegel die zegt: 'De smart is het oog van de geest.' Het is belangrijk dat je geleden hebt. Wijsheid kan alleen bereikt worden via een zeker verdriet. De aanzet tot dat boek had dus veel te maken met teleurstelling, frustratie en ongelukkige liefde.

"Aanvankelijk zou het een artikeltje worden, maar het deinde alsmaar verder uit tot een essay. Toen ben ik naar een uitgever geweest, Ambo. Ik gaf mezelf weinig kans maar hij reageerde positief. Ik was natuurlijk apetrots. Twee jaar later heb ik dan toch die landschapsstudie afgemaakt, dat werd Filosofie van het Landschap.

"De Tederheid ademt een sfeer en een stijl uit waar ik nu misschien wel het meest van vervreemd ben. Die periode verloochen ik niet, maar ze staat toch ver van me af. Ik schreef vanuit een verlangen naar liefde, gedreven door de utopie van perfecte liefde waar ik inmiddels in alle eerlijkheid enigszins in teleurgesteld ben. Ik ben inmiddels dertig jaar ouder en schrijf ook soberder. Een paar mensen, het waren telkens vrouwen, vonden het vaak te analytisch. Eentje vond dat ik het onderwerp zelfs verkrachtte door erover na te denken. Ik heb het zelf een paar keer herlezen de laatste jaren. Het is best wel een moeilijk boek, veel moeilijker dan je denkt. De meeste lezers pikken eruit wat bij hen past. Sommige ideeën zijn er nooit uitgehaald. Het is enerzijds zeer emotioneel en lyrisch, maar anderzijds ook zwaar filosofisch en gewichtig."

Parijs, midden de jaren zestig, speelde het tijdsklimaat een grote rol?

"Nee niet rechtstreeks. Je weet natuurlijk nooit in welke mate je kind van je tijd bent, al was ik beïnvloed door toenmalig heersende filosofische stromingen zoals de fenomenologie en het existentialisme. Ik volgde colleges bij Kwant in Utrecht en las een boek van Luypen, een Aula-pocketje dat Existentiële Fenomenologie heette. Het was mijn eerste kennismaking met de filosofie en ik was er kapot van. Later ben ik Sartre, Heidegger en Merleau-Ponty gaan lezen. Ik ben dus helemaal in die sfeer opgegroeid. Dat zie je in De Tederheid en Filosofie van het Landschap."

De belangstelling voor het landschap zou een rode draad blijven doorheen zijn hele oeuvre. Vorig jaar nog publiceerde hij samen met Jan Kolen de verzamelbundel Landschap in meervoud. In Nederland blijft zijn stem van belang in het debat over ruimtelijke ordening en de inrichting van het landschap.

"Filosofie van het Landschap is een soort klassieker geworden. Er worden elk jaar nog een paar honderd exemplaren van verkocht. Daar ben ik eigenlijk wel trots op want ik heb het voor een groot deel geschreven in isolement. Niemand begreep waar ik toen mee bezig was. Niemand had die passie voor het landschap en landschapsschilderkunst. Niemand lag wakker van een milieuprobleem. Al vanaf de late jaren vijftig betreurde ik de aanleg van wegen en de ontginning van terreinen, maar ik was volkomen een roeper in de woestijn. Filosofie van het landschap was voor mij een soort nostalgisch afscheid van het oude landschap.

"Ik ben gefascineerd door de ambivalentie van de vooruitgang: elke stap vooruit is tegelijkertijd een verlies. Ook het landschap staat tussen vrijheid en verlies. Natuurwetenschappen en techniek hebben een grotere vrijheid mogelijk gemaakt, maar tegelijkertijd hebben ze ons vervreemd van de natuur. Het woord 'landschap' heeft die beide betekenissen: dat van de geografische ruimte en de artistieke creatie. Onze verhouding tot de wereld is dus verscheurd. Die interne verscheurdheid voel ik zelf ook voortdurend.

"Momenteel ben ik bezig met milieufilosofische essays over de verhouding mens-natuur, met als rode draad de zintuiglijkheid en de relatie daarvan met schilderkunst en poëzie. Het boek zal waarschijnlijk Met open zinnen heten. Een van de hoofdstukken gaat over het sublieme in de natuurervaring. Een ander hoofdstuk zou over vogels gaan, maar ik heb besloten er een apart boek van te maken. Het gaat niet zozeer over vogels als biologisch organisme maar als symbool voor de mens. Nachtegalen, uilen en leeuweriken treden vaak op als zinnebeeld voor de liefde, de ziel, de vrijheid. Ik interesseer me erg voor de natuur, maar zeker zoveel voor de verhouding van de mens tot de natuur, het raakvlak natuur-cultuur."

Het is precies die waardering voor de menselijke inbreng die Lemaire behoed heeft voor een romantisch idealiseren van de natuur. Hij beseft terdege dat de veertien hectare kastanjebos en glooiend weiland waaruit zijn landgoed bestaat, geen puur natuur zijn, maar het resultaat van een eeuwenlange dialoog tussen mens en milieu. Het ideaal van de ongerepte natuur waar velen in de milieubeweging naar op zoek zijn, miskent de geschiedenis van menselijke inbreng. Onze landschappen zijn historische cultuurlandschappen, maar daarom niet minder waardevol, vindt Lemaire. Niet voor niets heeft hij op zijn zolder een kleine archeologische collectie. Stukjes vuursteen die hij zelf heeft opgeraapt tijdens het spitten in de tuin herinneren er hem aan dat de mens al tienduizend jaar geleden op deze plek woonde.

Tijdens de zware stormen afgelopen Kerstmis was hij alleen thuis. De wind huilde om zijn boerderij, overal in het bos hoorde hij bomen knappen en neerdonderen, nadien had hij twee weken geen telefoon en was hij honderd bomen armer. "Gedurende anderhalf uur was ik erg bang. De natuur is ook dreiging, je mag ze niet gaan idealiseren. Die storm was dus een goede ervaring." De smart is het oog van de geest.

Vanaf de jaren zeventig richtte Lemaire zich op onderwerpen uit de culturele antropologie en politieke filosofie. Hij schreef zijn magnum opus Over de waarde van culturen, vervolgens een traktaat over Rousseau en ten slotte De Indiaan in ons bewustzijn, over de Europese beeldvorming omtrent indianen.

"Ik maakte een geweldige ontwikkeling door. Ik was afgestudeerd, getrouwd en had een baan gekregen als docent. Ook het intellectueel-maatschappelijk klimaat veranderde snel. De sterke verbreiding van het marxisme maakte bij mij een politieke bewustwording los, ook al heb ik me er nooit mee geïdentificeerd. Vanaf 1970 begon de milieubeweging te ontstaan, maar dat was voor mij een beetje mosterd na de maaltijd. Toch kon ik mijn onbehagen nu wel in een breder kader plaatsen. Ik was vooral bezig met de jonge Marx en de kritische sociale wetenschap van de Frankfurter Schule. Rousseau zag ik als een andere klassieke bron van maatschappijkritiek. Ik was ook zeer onder de invloed van Claude Lévi-Strauss, bij wie ik college gevolgd had in Parijs, en ik streefde naar een verzoening tussen marxisme en structuralisme. Toch heb ik me nooit vereenzelvigd met welke stroming ook. Ik ben mijn eigen weg gegaan en dat vind ik terecht. Ik heb nu ook niet zoals anderen de behoefte om me af te zetten tegen het marxisme of het structuralisme. Veel zogenaamde 'postmodernen' waren vroeger orthodoxe marxisten. Ik ben zelf misschien unzeitgemäß."

De keerzijde van die originaliteit was het isolement. Lemaire richtte weliswaar een gespreksgroep op met een klein groepje kritische antropologen en in zijn werkcolleges werd hard en op hoog niveau gewerkt, maar hij kreeg alles samen maar weinig respons van zijn collega's.

"Ik had weinig contact met medewerkers. Ik was filosoof, maar had meest van al te maken met antropologen, en voor antropologen was ik dan weer te filosofisch. Ik heb overal in de marge gestaan. Dat is psychologisch wel zwaar. Terugdenkend aan Over de waarde van culturen, vraag ik me af hoe ik het heb aangedurfd om zoveel materiaal in een thema onder te brengen. Ik heb het allemaal in die tijd gelezen, bekeken, beoordeeld. Als je dan bedenkt hoe weinig respons er van mijn vakgenoten kwam... Ik werd vaak gewoon genegeerd, man!"

De weinige buitenlandse antropologen die het Nederlands konden lezen, waren nochtans unaniem: het was een meesterwerk. De invloedrijke onderzoeker Johannes Fabian noemde het a remarkable study en one of the best recent critical evaluations of cultural anthropology, maar tot een vertaling is het nooit gekomen. Velen dachten dat het een groot succes zou kennen in de Angelsaksische wereld, maar de uitgever wou er niet in investeren. Lemaire haalt er zijn schouders bij op terwijl hij aan zijn donker bier nipt.

"Ik heb nooit school gemaakt, maar toch wel invloed gehad. Ik was te individualistisch om mensen om me heen te verzamelen, had een ontzettende hekel aan vergaderen, beleid, bestuur. Dat interesseert me helemaal niet. Ik ben gewoon gepassioneerd door het onderwerp en paste dus niet helemaal in de universiteit. Uiteindelijk zit ik het liefst met een boekje in een hoekje. Ik vind het erg leuk om in kleine werkgroepen met mensen te discussiëren, maar krijg er een afkeer van als het geïnstitutionaliseerd moet worden. De mensen die de posten gaan bezetten, zijn wetenschappelijk vaak niet zo geweldig maar kunnen gewoon de geldstromen hanteren. Dat is treurig.

"Aan het volgende boek, De Indiaan in ons bewustzijn, heb ik zeer lang gewerkt want ik zat in een crisis. Het was het laatste jaar dat ik in Nederland woonde en ik hikte tegen overspanning aan. Ik maakte het met de grootste moeite af omdat ik depressief was. Indianen interesseerden mij al sinds mijn jeugd en ik wou die jeugdige passie vertalen in wetenschapsgeschiedenis, ideologie- en maatschappijkritiek. Ik heb toen ook een rondreis door Noord-Amerika ondernomen en er college over gegeven." In zijn werkkamer tegen de boekenkast hangen nog steeds twee handbogen. Aan de rand van zijn weide dienen twee balen stro als doelwit. Hij probeert er eenmaal per week zijn boogschieten op peil te houden. Hij bekent het graag: "Wat ik hier doe, is eigenlijk een beetje indiaan spelen." Het hectische Nederland werd hem te veel en Lemaire kon het niet meer opbrengen. Uit die tijd stamt nochtans zijn rijk essay Twijfel aan Europa. "Dat was de tekst van mijn afscheidsrede aan de universiteit, al heb ik hem in Frankrijk geschreven, grotendeels in cafés, want toen woonde ik hier nog niet. Ik zwierf een paar jaar rond, eerst op de fiets, later per auto. Op drie verschillende plaatsen heb ik in de tuin gewerkt bij vrienden. Vervolgens heb ik een halfjaar in een boerderijtje gewoond met mijn vriendin en zat er mijn afscheid voor te bereiden. Daarna heb ik een paar jaar niets gedaan. Ik had deze boerderij gekocht en was bezig alles in orde aan het maken. Lezen zat er wel in, maar schrijven niet."

Lemaire wijdde zich volop aan het biologisch tuinieren, het kweken van bijen en het leefbaar maken van zijn nieuwe woonst. Die levensstijl zet hij onverminderd voort. Nog steeds zaagt en klieft hij zijn hout, verzorgt zijn kippen, bakt zijn brood en probeert zoveel mogelijk autarkisch te leven. Hij moet een van de laatsten zijn in West-Europa die zijn gras met de zeis in plaats van met de grasmaaier maait. Zijn liefde voor de boerenstiel en handenarbeid doet denken aan Tolstoi, Thoreau en Van Eeden.

"Een van mijn utopieën was het stichten van een leefgemeenschap met een stuk of tien twaalf mensen en te leven op socialistische-ecologische basis, een soort Walden zoals Frederik van Eeden dat beoogde in navolging van Thoreau. Ik voel me zeer tot Thoreau aangetrokken, hoewel die echt een eenzaat was en zelfs nooit een relatie heeft gehad. Van Eeden was dan weer een moeilijke man, maar ik vind ze allebei buitengewoon boeiend. Ik wou een commune, maar nu doe ik het in mijn eentje. Ik heb ook op dat punt illusies verloren. Ik geloof er niet meer in. Ik geloof wel in de kracht van de eenling als voorbeeld, zoals Jezus of Marx, maar ik weet dat ik marginaal ben en zal blijven, altijd. En daar probeer ik mee te leven, ook al is dat niet makkelijk."

Ik vraag hem of zo'n gerealiseerde utopie niet automatisch tot een totalitaire samenlevingsvorm zou leiden. Of het niet beter is, zoals Popper zei, om bestaande ellende te verhelpen dan verre idealen te forceren.

"De idee van de ideale samenleving heb ik opgegeven, maar als utopisch bewustzijn is zo'n idee wel belangrijk, zonder meteen te geloven dat die gerealiseerd kan worden. Ik ben absoluut tegen mensen zoals Achterhuis, die vroeger links waren en nu waarschuwen dat elke utopie inherent gewelddadig is. Ze gooien het kind met het badwater weg! Hun denken bevestigt het hedendaagse politieke bestel, alsof er geen enkel alternatief is. Na de instorting van het communisme gelooft men algemeen dat de huidige maatschappij de enige werkbare is. Ik vind die houding uitzichtloos. Ik ben er namelijk diep van overtuigd dat deze maatschappij een doodlopende weg is. Het democratisch kapitalisme is immers niet in staat om rationeel, collectief en tijdig de problemen die ze zelf oproept op te lossen."

Wat begon over zeisen en bijen ontwikkelt zich al gauw tot een gesprek over politiek. "Ik ben zeker pessimistischer geworden. Dat komt door het ouder worden, maar ook door wat er gebeurt in de wereld. In de jaren zeventig had ik nog de illusie, door de tegencultuur die toen floreerde, dat er werkelijk iets kon veranderen. Die illusie ben ik totaal verloren. Het kapitalisme en de vooruitgangsideologie zijn onbekommerd teruggekomen. Wat dat betreft, ben ik volkomen illusieloos en zie ik de verscheurdheid alleen maar groter. Daarom heb ik me ook teruggetrokken, om bewust terzijde te kunnen staan en niet mee te hoeven doen aan wat ik ervaar als een waanzinnige, materialistische wereld. Ik wil het zelf anders doen en ook minder lijden onder die verscheurdheid waar ik anders dagelijks anders onder gebukt zou gaan."

Niettemin blijft Lemaire intellectueel actief - zijn huisbibliotheek bevat een paar duizend boeken, gaande van theologie over insectologie tot zeer veel bellettrie - maar politieke filosofie en antropologie hebben langzaam plaatsgemaakt voor de meer beschouwelijke essays van Binnenwegen en Wandelenderwijs. Daarnaast schreef hij zelfs een etnobotanische studie over de vliegenzwam, de magic mushroom, die naar sjamanen en kabouters verwijst. Voor velen was het een folkloristisch curiosum, maar voor Lemaire sloot het perfect aan bij zijn vorige en huidige werk over de verhouding mens-natuur.

Wordt hij dan nooit moe?

"Ik word wel eens moe van mezelf omdat ik zoveel interesses heb en zoveel wil. Voor elk boek moet je een hoop lezen, nadenken en schrijven. Ik schrijf pas iets als ik gegrepen ben door een zeker enthousiasme, als ik het van binnenuit kan doen, maar die geestdrift drijft me ook verder voort en slorpt me helemaal op. Ik snap niet dat mensen kunnen schrijven alleen maar omdat ze geld moeten verdienen of omdat het onderwerp in de mode is."

Het bier is op en de cassetterecorder afgesprongen. Ton Lemaire is moe van zichzelf geworden. Hij heeft zijn hele intellectuele loopbaan in kort bestek overlopen. De nacht is aardedonker, buiten is het doodstil, een paar motten kleven tegen het verlichte raam. Als ik 's anderendaags naar huis vertrek, geeft hij mij nog een potje van zijn honing mee, als aandenken.

Drie weken later ontmoet ik hem opnieuw in Brussel. Hij is op doorreis naar Nederland en is een kwarteeuw lang niet meer in de Belgische hoofdstad geweest. Ik vraag me af of het contrast met zijn boerderij niet te fel zal zijn. Onterecht, want hij geniet zienderogen van de grootstad, de architectuur, de terrassen, het leven op straat. Toch blijven van ons vorig gesprek woorden zoals marginaal, unzeitgemäß en isolement resoneren in mijn hoofd. Ik vraag hem hoe belangrijk eenzaamheid voor hem is.

"Ik heb zeker de behoefte om me regelmatig terug te trekken, maar eenzaamheid op zich vind ik niet zo prettig. Ik ben geen kluizenaar. Ik ben naar Frankrijk gegaan om met mijn vriendin te leven. Als ik het alleen had moeten doen, had ik het misschien nooit gedaan. Het is psychologisch heel zwaar. Gezelligheid, stimulerende gesprekken, dat mis ik best. Vooral de eerste winter dat ik alleen was, heb ik het ontzettend moeilijk gehad. Anderzijds zou ik niet continu in de stad kunnen leven en mensen ontmoeten, maar voor even vind ik het buitengewoon boeiend. Ik vind niets zo leuk als 's avonds in klein gezelschap in een cafeetje zitten.

"Ik ben wel een einzelgänger geweest. Dat gaat terug op de gezinssituatie waarin ik opgroeide. Ik was een nakomeling. Op een bepaalde moment, toen ik zeven was, verhuisden we vanuit de grote stad Rotterdam naar een heel klein dorpje in Limburg. Ik was de enige die geen boer was of plat praatte. In het begin werd ik gewoon met stenen bekogeld en afgeranseld. Ik was nogal beschermd opgevoed en ineens werd ik voor de leeuwen, nou ja, voor de boeren gegooid. Dat heeft me een geweldige klap gegeven. Toen ben ik op mezelf teruggetrokken en timide en angstig geworden."

Uiteindelijk zou de verlegen jongen uit de grote stad later zelf boer worden, zij het van een ander slag. Een halve eeuw later is hij veel van zijn illusies kwijt, heeft hij zijn utopie gematigd, is hij pessimistischer geworden. Heet dit bitterheid?

"Ik probeer niet bitter te worden, alleen al omdat ik het voorrecht heb dat ik medisch vrijgesteld ben en een uitkering trek. Ik heb wel een neiging tot bitterheid, maar ik probeer het af te remmen. Ik had hooggestemde verwachtingen over het leven, zoals je dat als jongere doet, en daar ben ik van teruggekomen. Ik heb minder vertrouwen gekregen in de menselijke natuur. Zeer bruut gezegd: het slechte in de mens schrijf ik niet langer toe aan zijn maatschappelijke omstandigheden. Nu kom ik terug op de oude, ook christelijke idee, dat de mens een deel slecht en zwak is. Ik trouwens ook."

Wat troost hem dan nog? Hij moet er niet lang over nadenken.

"Filosofie, kunst en spiritualiteit. Die drie liggen dicht bijeen. Met spiritualiteit versta ik ook de omgang met natuur. En nog belangrijker: het samenzijn met andere mensen. Ik heb een enorme waardering voor vriendschap en een liefdesrelatie, ook al heb ik die nu helaas niet. Een open, welwillende, liefhebbende aandacht voor de buitenwereld en de ander is de kern van elke esthetica, spiritualiteit en ecologie.

"Ik ben over twee derde van het leven. Ik tel mijn jaren af. Of ik daar bang voor ben? Ik ben er langzamerhand mee klaar. Vanaf mijn achtenveertigste heb ik een ernstige midlifecrisis gehad. Mijn ouders waren overleden en ik worstelde erg met doodsangst. Ik probeer nu te leven met de gedachte dat ik eindig ben, zonder dat dat vanzelfsprekend gaat. Het mooiste zou zijn als ik kon doodgaan omringd door geliefden of vrienden, zodat ik op mijn gemak afscheid kan nemen. Ofwel op een mooie plek in de natuur. En liefst allebei samen. Er is een prachtige passage, geloof ik, bij Van de Woestijne in De boer die sterft. De oude boer gaat dood in de zomer en hij zegt tegen iemand die aan zijn bed staat: 'Doe het raam dicht, de wereld is te mooi.' Dat heeft me erg getroffen. De wereld is fantastisch mooi."

De boeken van Ton Lemaire verschijnen bij Ambo. Momenteel zijn Filosofie van het landschap en Wandelenderwijs in de handel verkrijgbaar. Het met Jan Kolen geredigeerde boek Landschap in meervoud verscheen bij uitgeverij Jan van Arkel.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234