Zondag 01/08/2021

Van statussymbool tot mode-icoon

Het is opvallend hoezeer men in de tuinen van de modeontwerpers hun persoonlijke stijl herkent en ze op de een of andere manier hun tuin benaderen zoals ze ook met kleren doen

Wat hebben mensen als Oscar de la Renta, Hubert de Givenchy, Valentino, Yves Saint-Laurent, Karl Lagerfeld, Paul Smith, Jil Sander, Kenzo, Dries van Noten en Jo Wijckmans naast de mode nog gemeen? Juist, tuinen. Stuk voor stuk gaat het om mensen die een meer dan gemiddelde interesse voor tuinen hebben.

Dit stemt mij om meerdere redenen zeer hoopvol over de toekomst van onze tuinen op de drempel van een nieuw millennium.

Op de eerste plaats vormt het een zoveelste illustratie van het feit dat tuinen populairder zijn dat ooit. De passie voor de geneugten van planten en tuinen placht in het verleden vooral dames op middelbare leeftijd te treffen - eenmaal hun kinderen de deur uit waren en hun mannen hun vertier elders gingen zoeken. Volgens de Britse Anita Roddick, de oprichtster van de Body Shop en zelf sinds jaren een gepassioneerd tuinierster, gebeurde dat meestal zodra de kaap van de veertig was gerond.

Die periode is echter al een tijdje voorbij.

Een paar weken geleden had ik het hier over de controverse in de Britse pers naar aanleiding van het gigantische succes van tuinprogramma's op de televisie en vooral dan over het feit dat daarvoor in toenemende mate een beroep wordt gedaan op jonge vrouwelijke presentatoren die, zo beweren kwatongen althans, eerder gekozen worden om hun weelderige vormen en/of hun glamourgehalte dan om hun tuinbouwkundige kennis. Misschien speelt die vrouwelijke factor inderdaad een rol in het succes van die programma's, maar ik geloof dat het wat al te simpel is om het daartoe te herleiden. Ik kan me moeilijk inbeelden dat elke week opnieuw een paar miljoen mensen, mannen én vrouwen, naar een programma kijken dat hen eigenlijk geen barst interesseert, alleen maar omdat het gepresenteerd wordt door een aantrekkelijke jonge vrouw.

In België kennen we alsnog geen dergelijke toestanden, maar te oordelen naar het aantal tuinboeken en vooral het aantal nieuwe tuinbladen dat de laatste tijd verschijnt en naar het feit dat àlle kranten en tijdschriften intussen een tuinrubriek hebben - iets wat enkele jaren geleden nog totaal ondenkbaar was - is er ook hier iets gelijkaardigs aan de hand. Ook de tuinbeurzen, evenementen die hier tot voor enkele jaren zelfs niet voorkwamen, schieten bijna letterlijk als paddestoelen uit de grond.

Het zijn allemaal tekenen die erop wijzen dat tuinieren niet langer een wat oubollige bezigheid is voor bejaarde en bedaagde mensen of voor een handvol geitewollensokken-adepten die zelf biologisch groenten willen telen. Maar dat een steeds grotere groep mensen van alle rangen en standen op de een of andere manier met tuinen bezig is. Waarbij tuin in de ruimste betekenis van het woord moet worden begrepen - al gaat het in dit geval veeleer over de smalste betekenis: zelfs wie geen tuin heeft probeert toch een beetje te tuinieren op zijn/haar terras of balkon. En als zelfs dat ontbreekt, dan kan men nog altijd tuinen gaan bekijken, in binnen- en buitenland. Het tuintoerisme - een term die tot voor een paar jaren zelfs niet bestond - is een van de snelst groeiende branches in de toeristische sector.

Nu heeft die groeiende populariteit van het tuinieren niet alleen positieve kanten. De manier waarop de commercie de nieuwe tuiniers probeert te overdonderen met allerlei zogezegd onmisbare prullaria is zonder meer stuitend. En ook de kwaliteit van vele professionele tuinontwerpers en -aanleggers die garen spinnen bij de huidige tuinrage is niet altijd om verheugd over te zijn. Maar wellicht zijn dat onvermijdelijke neveneffecten.

De groeiende belangstelling voor tuinen uit zich niet alleen in het aantal mensen dat ermee bezig is, maar ook in het soort mensen en de manier waarop ze met die tuin bezig zijn. In zekere zin zou men kunnen spreken van een paradigmaverschuiving: de tuin functioneert niet langer als substituut voor het echte leven vanaf een zekere leeftijd, maar maakt gewoon deel uit van dat leven, ongeacht de leeftijd.

Figuren als Mick Jagger en Elton John - beiden de trotse eigenaars van een tuin om u tegen te zeggen - zijn weliswaar de vijftig voorbij, maar kunnen er bezwaarlijk van worden verdacht dat ze tot het tuinieren zijn gekomen als substituut voor het 'echte leven', om nog iets om handen te hebben eenmaal de kinderen of hun levensgezel de deur uit zijn. Ik citeer die twee voorbeelden omdat niemand spontaan dergelijke iconen van de popcultuur in verband zou brengen met tuinen.

Nu zou men nog kunnen aanvoeren dat de tuin hier functioneert als het nieuwste speeltje voor mensen die alles al hebben, wier huis perfect is ingericht volgens de recentste designvoorschriften en die een beetje uitgekeken zijn op de golf- of tennisclub. Of als een soort statussymbool.

Dat zal soms inderdaad wel meespelen. Maar in het geval van onze modeontwerpers is het bijvoorbeeld opvallend dat ze hun tuin meestal beschouwen als een pure privéaangelegenheid die ze angstvallig van de buitenwereld afschermen, en dus helemaal niet als een statussymbool. Zelfs die ontwerpers die meestal gemakkelijk te bewegen zijn tot een interview over leven en welzijn of die zich met graagte laten fotograferen in hun privévertrekken, leggen veel meer schroom aan de dag als het om hun tuin gaat.

Dat de aanwezigheid van die modeontwerpers in de tuinwereld mij hoopvol stemt heeft echter vooral te maken met het feit dat dit perspectieven opent voor een injectie van creativiteit en nieuwe ideëen in het tuingebeuren.

Het is, terloops, erg opvallend hoezeer hun tuinen van elkaar verschillen en hoezeer je er hun persoonlijke stijl in herkent. Op de een of andere manier benaderen ze hun tuin zoals ze dat ook met kleren doen. Voor zover ik weet lijkt de tuin van Dries van Noten bijvoorbeeld in niets op de witte cameliatuin die Lagerfeld vorig jaar voor de Chelsea Flower Show ontwierp. En verschilt de Japans geïnspireerde tuin van Kenzo in Parijs volkomen van de sobere tuinen die Jil Sander op haar grote domein in Duitsland aanlegt.

Er is ooit een tijd geweest - tussen de 16de en de 19de eeuw - dat tuinen ongeveer op hetzelfde artistieke niveau stonden als de schilderkunst, de literatuur en de architectuur. Voor heren van stand - de vrouwen waren toen in de minderheid - was het bezig zijn met tuinen een minstens even eerbiedwaardige tijdsbesteding als het verzamelen van bijvoorbeeld schilderijen. De grootste kunstenaars en architecten waren ook actief in het ontwerpen en decoreren van tuinen en cultuurfilosofen schreven lange tractaten en pamfletten over de diverse tuinstijlen die toen ontstonden. De tuin stond met andere woorden in het centrum van de culturele belangstelling. In zijn befaamde Huizinga-lezing 'Over de noodzaak van tuinieren' uit 1990 beweert de Nederlandse auteur en cultuurcriticus Gerrit Komrij zelfs dat de tuinarchitectuur ooit model stond voor alle andere kunsten.

Zo'n vaart loopt het alsnog niet en het is ook helemaal niet mijn bedoeling de modeontwerpers nu ineens te bombarderen tot de grote cultuurdragers van onze samenleving. Maar toch, wanneer mensen die leven bij de gratie van creativiteit en esthetisch gevoel zich op die manier met iets gaan bezighouden, dan kan men verwachten dat er ook op dat vlak mooie dingen zullen ontstaan.

Er zijn overigens nog wel meer tekenen die erop wijzen dat tuinen en de tuinarchitectuur stilaan weer enige, wat ik zou durven noemen 'culturele respectabiliteit' hebben verworven.

Zo organiseerde de Antwerpse cultuurtempel deSingel een paar jaar geleden een tentoonstelling over Europese tuinarchitecten in het kader van zijn jaarlijkse cyclus rond architectuur. In het Frans Halsmuseum in het Nederlandse Haarlem eindigde zopas een museale tentoonstelling over de tuinarchitectuur in de 19de en de 20ste eeuw. En in het Parijse Parc de la Villette ging deze week een tentoonstelling open over de tuin in de 21ste eeuw, met als thema 'Le jardin planétaire'.

Ook de belangrijkste internationale architectuurtijdschriften en glossy woonmagazines ruimen tegenwoordig steeds meer plaats in voor tuinen.

Tekenend is verder het feit dat de tuinarchitectuur - lange tijd beschouwd als een non-discipline of in het beste geval als het kleine broertje van de echte architectuur, een soort buitenhuisdecoratie - tegenwoordig in één adem wordt genoemd met architectuur en design. De tijd dat architecten zich laatdunkend uitlieten over hun collega's-tuinarchitecten en hun bijdrage liever kwijt dan rijk waren - wat kon die immers nog toevoegen aan hun creatie? - ligt nog wel niet volledig achter ons, maar behoort toch grotendeels tot het verleden. Steeds meer toonaangevende architecten betrekken bijvoorbeeld al in een vroeg stadium een tuinarchitect bij hun projecten.

Dat levert uiteraard niet altijd boeiende resultaten op. Het al geciteerde Parc de la Villette, dat ontworpen werd door de Frans-Amerikaanse succesarchitect Tsumi en dat door vele architectuurcritici beschouwd wordt als een model voor de tuinarchitectuur van de 21ste eeuw, kan mij bijvoorbeeld nauwelijks boeien. Maar er beweegt duidelijk wat en dat is op zich al belangrijk.

Ook het feit dat meer en meer beeldende kunstenaars zich op de een of andere meer inlaten met het thema tuin - ik denk dan bijvoorbeeld aan mensen als de land art-kunstenaars David Nash en Andy Goldsworthy - opent onvermoede perspectieven voor de tuinkunst.

Daarnaast is er ook opnieuw belangstelling voor het ambachtelijke facet van het tuinieren én, minstens even belangrijk als de 'culturele respectabiliteit', voor de ecologische aspecten en implicaties. Want anders dan de meeste andere cultuuruitingen is een tuin niet alleen cultuur maar ook natuur.

De komende jaren beloven erg boeiend te worden voor wie geïnteresseerd is in tuinen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234