Donderdag 29/07/2021

Van naaldje tot draadje

Ontwerpers tekenen de meest fantastische collecties bij elkaar. Maar het zijn de stiksters en de patroontekenaars die de dromen van de bejubelde designers waarmaken. 'Wij doen het moeilijkste werk.'

Een kleine test. Wat komt er als eerste bij u op als u denkt aan mode? Wij gokken op designers, topmodellen, winkelstraten, defilés en modemagazines. Wedden dat u niet dacht aan stiksters, patroontekenaars of stoffenproducenten. Toch zouden zonder hen die boetieks, modeshows en fashionbladen er heel anders uitzien. En zouden de fameuze ontwerpers wellicht niet eens bestaan.

Hoog tijd dus om die anonieme ambachtslui eens in de spotlights te zetten. Dat vindt ook Agnes Wené van Flanders Fashion Institute (FFI): "De productie - en vooral de voorbereiding daarvan - is een van de meest essentiële schakels in het modeproces. Om onze sterke fashionreputatie te behouden, moet die in België blijven." Dat klinkt logisch, maar eenvoudig is het niet. Van de honderden confectiebedrijven overleefden slechts enkele. Onder hen het Limburgse Mopan Alken.

Los van een grote Scapa-reclame wijst niets erop dat er in deze loods op een anoniem industrieterrein Grote Mode wordt gemaakt. Maar bij binnenkomst hangen de bewijzen aan de muur: ingelijste foto's van Karl Lagerfeld in een kostuum van Les Hommes, Sir Paul Smith himself en een backstagebeeld van Walter Van Beirendonck.

"Tot een jaar geleden was ons klantenbestand een goed bewaard geheim. Ik wilde discreet blijven. Maar nu we er wel mee naar buiten komen, helpt het ons om de juiste klanten aan te trekken. We zitten in het nichesegment van luxekleding van kleine zelfstandige ontwerpers", vertelt Omer Lesire, terwijl we naar zijn 'Wall of Fame' staan te kijken. Zijn ouders begonnen het bedrijf in 1956 en intussen zit zijn dochter Sophie Lesire al tien jaar in de firma. "Zij gaat het bedrijf overnemen. Op papier ben ik nog zaakvoerder, maar in de praktijk beslist zij alles. Zeker in deze tijden is de mode geen gemakkelijke branche, maar ze doet het heel goed. Beter dan ik", flapt vader Lesire eruit.

"Zij kent Mopan zoals het nu is: met een klein team beperkte oplages maken voor Belgische ontwerpers. Ik weet hoe het ooit was: een florerend productiebedrijf voor herenkostuums met 250 man personeel. In de gouden jaren 60 - toen confectie in standaardmaten haar opkomst maakte - waren onze typische beatlespakken met olifantenpijpen bij wijze van spreken al verkocht nog voor ze gemaakt waren. Zoveel vraag was er."

Zonder foutjes

Vanaf eind jaren 70 verkasten de eerste bedrijven hun serieproductie naar Portugal. Later volgden Noord-Afrika, het Oostblok en uiteindelijk het Verre Oosten. "Daar kost een productie slechts een vijfde van hier", aldus een confectieproducent die liever anoniem blijft. Logisch dat ook Mopan meeging. Hun kleren worden gemaakt in Hongarije en Tunesië, maar alle voorbereidingen gebeuren in Alken.

Sophie Lesire: "Hoe dat in zijn werk gaat? Sommige ontwerpers komen hier met een stapel tekeningen. Dan ontwikkelen wij voor hen de patronen. Anderen maken die zelf. Op basis daarvan naaien onze stiksters een eerste prototype dat samen met de designer wordt doorgepast. Na eventuele aanpassingen maken we de graduatie. Dat zijn de verschillende maten. Daarna rekenen we precies uit hoeveel stof ze nodig zullen hebben per stuk." Haar vader vult aan: "Alles wat wij maken is high-end. Foutjes, hoe klein ook, kunnen in geen geval door de beugel. De Hongaarse en Tunesische kwaliteit moet niet onderdoen voor de Belgische. Bovendien is er permanent iemand van Mopan ter plaatse om alles in de gaten te houden."

Al sinds de late jaren 80 is Mopan bezig met een herpositionering van productie naar ontwikkeling. Maar begin dit jaar pasten ze ook hun naam aan. "Mopan is eigenlijk een vreemde naam die niks zegt over wat we doen", lacht Sophie. "Onze nieuwe naam Flanders Fashion Makers by Mopan Alken is veel duidelijker. Bovendien klinkt het goed en surfen we zo mee op de internationale reputatie van onze succesvolle designers."

Een zelfde verhaal klinkt bij Celesta: een confectiebedrijf uit Wevelgem. Op de eerste verdieping zitten vijf vrouwen achter hun naaimachine op oude industriële tekenstoelen. Op het geraas van de machines en de obligate radio na, werken ze in stilte. "Dit is het coutureatelier waar we de prototypes en het maatwerk maken. Vroeger deden we hier serieproductie en maakten stiksters dag in dag uit hetzelfde. De ene zette mouwen in, de ander maakte de kraag en nog iemand stikte het borstzakje. Nu maken onze naaisters een stuk van a tot z", vertelt Mieke Van den Broeck die samen met haar man Rony Vandermeersch het bedrijf runt. Beneden liggen talloze rollen stof naast de lange snijtafels. Er staan lintzagen en een batterij naaimachines. "Hier maken we de kleine reeksen - goed voor 20 procent van de productie.

"Grote oplages bereiden we hier voor, maar worden gemaakt in Oost-Europa of Portugal", zegt Van den Broeck. Celesta heeft ook een lingerieatelier in Kemmel. Daar produceren ze onder andere voor La Fille d'O. Vroeger werkten ze exclusief voor Van de Velde - bekend van Marie Jo en Prima Donna - maar toen die een beursgang maakte, verdween de productie integraal naar het buitenland. Een zware tegenslag, maar toch spartelt Celesta tamelijk goed door de crisis. Naar eigen zeggen dankzij hun flexibiliteit.

Daar is iets van aan. Ze maken hier niet enkel high fashion voor Belgiës grootsten zoals Walter Van Beirendonck, Tim Van Steenbergen, Natan en Bruno Pieters, maar ook sjaaltjes voor de jeugdbeweging, priesterhemden en stroken velcro. "Bovendien zijn we heel klantgericht. Soms begeleiden we ontwerpers van tekening tot productie, al dan niet in het buitenland. Anderen leveren zelf patronen aan en bestellen enkel het prototype en de gradaties. Dat sturen ze vervolgens naar Azië", aldus Van den Broeck.

Haar man Rony vult aan: "Het confectievak is zwaar onderschat. Alle aandacht gaat naar de designers, maar de echte artiesten werken achter de schermen. Neem nu patroontekenaars. Zij werken met bewegende materie. Of je nu wandelt, ligt of zit, een broek moet altijd even mooi vallen. In de meubelindustrie gaat het over statische objecten, maar daar komen meteen ingenieurs aan te pas. Zij werken bovendien jaren aan één ontwerp. Modelabels lanceren minstens twee collecties per jaar."

Vakbekwaam personeel is onontbeerlijk voor de confectiesector. Maar dat is steeds moeilijker te vinden. De meeste stiksters en patroontekenaars zijn 'oude rotten' die hun stiel letterlijk van naaldje tot draadje kennen. De jonge garde om hen op te volgen, is beperkt. Hoe interessant het vak ook is, het mist een sexy imago. Bovendien is het seizoensarbeid: hectische periodes afgewisseld met tijdelijke werkloosheid. De job is ook veeleisender dan vroeger. Toen stikte je eerst massaproductie om later door te groeien naar de ontwikkeling van prototypes.

"Nu slaan ze die eerste stap over. En ook al zijn er geïnteresseerden voor de job, we missen in België goede technische opleidingen. Qua creativiteit zijn onze academies wereldtop. Maar voor techniek is er daar weinig plaats. Ook de opleiding mode en creatie, het oude snit en naad, kreeg andere accenten. En de VDAB overweegt te stoppen met de opleiding patroontekenen. Die cirkel doorbreken, is dus niet eenvoudig", vertelt Agnes Wené van het FFI. Annemieke Van Gramberen van beroepsvereniging Creamoda nuanceert: "Velen vergeten het opleidingsinstituut voor de confectiesector IVOC. Dat biedt allerhande cursussen aan, waaronder ook technische."

Totaalpakket

Hoewel de confectie niet meer de booming business van weleer is, mogen we het ook niet dramatiseren. Natuurlijk zijn er veel bedrijven verdwenen, maar sinds een jaar of tien stagneert het aantal volgens het Flanders Fashion Institute. Naast Mopan en Celesta zijn er nog een vijftiental andere confectieproducenten in het hoge segment waaronder Vanbockryck uit Diepenbeek en Gysemans Clothing Industry uit Rotselaar. Marc Gysemans startte in 1986 en groeide samen met de Zes van Antwerpen. Later produceerde ook hij de collecties van de jongere generatie Antwerpenaars zoals Veronique Branquinho, Bernard Wilhelm en Raf Simons. Uniek voor Gysemans is dat hij ook zelf geld pompt in de designers. Zo was hij stille vennoot van Branquinho, financierde hij gedeeltelijk de collectie van Tim Van Steenbergen en hielp hij Raf Simons in 2001 weer op de rails nadat hij - overdonderd door zijn eigen succes - zijn label even stillegde.

Al deze bedrijven bieden een totaalpakket aan. Grof gezegd: van modeschets tot winkelrek. Maar er zijn ook gespecialiseerde firma's, zoals D'andt, Beng en Trois-Quarts, die elk op een heel eigen manier patronen ontwikkelen. Trois-Quarts heeft een prachtig atelier in Berchem, een ontwerp van B-Architecten. Eerst wandel je door een lange donkere gang om uit te komen in een kraakwitte ruimte die met zijn hoge vensters kathedraalallures heeft.

"Er is hier licht aan het einde van de tunnel", grapt Rosalinde Heerkens als we binnenkomen. Haar vennoot Aurélie Callewaert glimlacht. In 2005 nam het duo patroontekenaars het atelier over van hun vroegere werkgever. "Veel mensen denken dat wij een heel technische job hebben, maar eigenlijk is het juist heel creatief. Wij duiken in de ideeënwereld van een designer en maken vervolgens een interpretatie van hun schets of drappage op een pop. Simpel gezegd maken wij wat zij in hun hoofd hebben. En hoe langer we samenwerken met een designer, hoe beter we zijn stijl aanvoelen. Zodra we het patroon af hebben, wordt het uitgevoerd in katoen en besproken met de ontwerper. Als het dan precies is zoals op de tekening, geeft dat een ontzettende kick", vertelt Callewaert enthousiast.

Trois-Quarts werkt onder andere voor Raf Simons, Bruno Pieters, Walter Van Beirendonck en Monsieur Maison. Soms tekenen ze de patronen van een volledige collectie, maar meestal komen de ontwerpers met hun moeilijkste stuks naar hen. Heerkens: "Wij leggen voor onszelf de lat heel hoog. Elke dag streven naar perfectie. Een patroon nóg beter en nóg mooier maken. De basisregels kennen, is niet voldoende. Je moet veel ruimtelijk inzicht hebben - wij wisselen continu tussen 2D en 3D. En je moet het ontwerp ook 'aanvoelen'. Ik zie het zo: wie foutloos kan spellen, kan daarom nog geen goed boek schrijven. Daar is gevoel voor nodig."

Met de jaren is Trois-Quarts niet groter, maar juist kleiner geworden. Toen enkele personeelsleden een andere job vonden en er eentje met pensioen ging, waren Callewaert en Heerkens plots met zijn tweeën. "Die krimp is voor ons heel positief. Nu hebben we minder zorgen en meer vrijheid. En kunnen we selectiever zijn in onze klanten. Door zo intensief samen te werken, raakten we perfect op elkaar ingespeeld. We vullen elkaar echt aan. Zij is beter in gestructureerde ontwerpen, ik in lossere, meer gedrapeerde dingen. Zonder elkaar zou het niet lukken", aldus Heerkens.

Naast patronen maakt Trois-Quarts ook prototypes voor op de catwalk en kleine oplages zoals de Monsieur Maisonsjaals van vintage couturestoffen. Callewaert: "Het is natuurlijk hard werken, maar saai kun je onze job niet noemen. Gelukkig, want we zijn allebei allergisch voor routine. En na het harde werk gaan we naar de Parijse modeweek. Ons werk terugzien op een defilé of met een foto in de krant geeft een goed gevoel na het afronden van het seizoen. Ik kan echt geen enkel nadeel van onze job bedenken. Of toch wel. Dat mensen mij wel 20.000 keer vragen wat de modekleuren van volgend seizoen zijn. Geen idee. Met trends zijn wij helemaal niet bezig. Wel met mooie kleren die jarenlang kunnen meegaan."

Geïnteresseerd in hoe zo'n productieproces eruitziet? Op de Facebookpagina van het FFI post de Antwerpse designer Damien Fredriksen Ravn dagelijks foto's over de totstandkoming van zijn kostuums voor Interieur Kortrijk.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234