Zondag 18/04/2021

Van krater tot nieuw stadshart

De opening van een groot winkelcomplex is meestal nieuws voor de rubriek economie. Investeren in winkeloppervlakte is immers een zaak van cijfers en projectontwikkelaars zijn bovendien zelden op zoek naar kwalitatieve architectuur en stedenbouw. Uitgerekend in Luik toont het gloednieuwe complex aan de place Saint-Lambert - die tot voor kort een schoolvoorbeeld van een stadskanker was - dat het ook anders kan. Zelfs de beeldende kunst werd er op een boeiende manier geïntegreerd.

Marc Dubois

Geen enkele Belgische provinciestad werd in de jaren zestig zo drastisch verminkt door grote stedelijke infrastructuurwerken als Luik. De 'Cité Ardente' aan de Maas wilde zich toentertijd immers ingrijpend moderniseren. De groep L'Equerre, een heftige verdediger van de functionele stad, ontwierp een plan om van het gebied rond de place Saint-Lambert één groot verkeersknooppunt te maken: autosnelwegen zouden kunnen binnendringen tot in het hart van de stad en de plek opnieuw doen bruisen van het leven. Het project uit 1966 voorzag in een gigantisch ondergronds busstation met daar bovenop winkels en parkings. Van nieuwe woningen was geen sprake, de monocultuur van handel en parkeren kreeg alle voorrang.

Om dit ambitieuze plan te realiseren werd het 'Ilot St. Michel', een volledig bouwblok met kleine winkels en woningen, gesloopt. In de jaren zeventig werd het bouwprogramma nog verzwaard met een station voor de geplande metro. Het project werd almaar groter terwijl de financiële middelen met de jaren verminderden. Rond 1980 vielen de bouwwerken stil door de uitzichtloze budgettaire problemen van de stad. De Luikenaars werden geconfronteerd met een grote kaalslag en enkele betonnen liftschachten die toegang gaven tot een onafgewerkt ondergronds labyrint. Een dramatischer situatie kon men zich nauwelijks voorstellen.

Het enige lichtpunt kwam uit de kunstwereld. In de moderne catacomben van de place Saint-Lambert organiseerde de vereniging L'Espace 251 Nord onder leiding van Laurent Jacob in 1985 de spraakmakende expositie Investigations, de boeiendste kunstmanifestatie in Wallonië tijdens de jaren tachtig. Verschillende kunstenaars, zoals Luc Deleu en Leo Coopers, speelden perfect in op het brutalistisch en onwezenlijk karakter van de betonnen kerker.

De desolate plek in het stadshart werd de schandvlek van Luik. Wat begon als een euforisch project werd het voorbeeld bij uitstek hoe een stedelijk weefsel kan worden vernietigd. De krater werd een symbool van het verlies aan toekomstperspectief van deze economische en cultureel zwaar ontredderde stad. Het stadsbestuur kreeg zware verwijten en er kwam reactie van een groep handelaars. De beroemde Luikse architect Charles Vandenhove ontwikkelde voorstellen maar uiteindelijk gaf het stadsbestuur de opdracht aan Claude Strebelle, die de universiteitscampus van Sart Tilman had ontworpen. Al in zijn eerste ontwerp uit 1989 koos hij voor een haalbare oplossing om uit de impasse te geraken. Tussen het ontwikkelen van plannen en het vinden van projectontwikkelaars die bereid waren zwaar te investeren lag een diepe kloof, maar tot verbazing van velen nam projectontwikkelaar Codic uit Brussel het berekende risico om het plan-Strebelle te realiseren. Er werd 500 miljoen frank (12,4 miljoen euro) betaald voor de onafgewerkte parking en de gronden. Vrij vlug werd het gehele project, inclusief nieuwbouw, verkocht voor een bedrag van 2,5 miljard (72 miljoen euro) aan de Nederlandse ING Groep.

Die belangstelling uit Nederland is niet toevallig: Luik ligt op een boogscheut van Maastricht en vormt met Aken een belangrijke Euroregio met grote groeikracht.

Het eerste ontwerp van Strebelle uit 1989 werd in vakkringen op weinig enthousiasme ontvangen. De terugkeer naar het gesloten bouwblok getuigde van weinig verbeelding, het was een bijna reactionaire oplossing. Men zag de slinger in de compleet andere richting bewegen: na de verwoesting van de stad in naam van de vooruitgang zou het herstel gelijkgeschakeld worden met het produceren van gevels in een retro-stijl zonder relatie met de inwendige structurele opbouw. De gevels voor de cafés op de Heizel zijn daar een sprekend voorbeeld van.

De lange wachttijd werd door Strebelle gebruikt om het project te verfijnen en een aantal strategieën te ontwikkelen. In plaats van één megavolume zijn er vier bouwblokken met daartussen straten. Het project bevat, naast 15.000 m2 winkels en 8.000 m2 kantoorruimte, ook 10.000 m2 huisvesting, waarvan 60 appartementen en 20 woningen.

Er werd niet gekozen voor de zoveelste overdekte winkelgalerij met een artificieel commerciële sfeer, een semi-publieke ruimte die 's avonds wordt afgesloten. Zonder te vervallen in een reconstructie van het oorspronkelijk stadsweefsel is gekozen voor een oplossing die vertrekt vanuit een inventieve interpretatie van een traditioneel stedelijke ruimte. Het streven naar een grote helderheid is belangrijk. Alle winkels zien uit op hetzelfde niveau van de andere commerciële ruimtes aan het plein. De kantoren en woningen liggen op niveau plus 10 meter en zien uit op binnentuinen. Het intelligentste aspect van het plan is dat de bouwblokken op dit niveau onderling met elkaar zijn verbonden door kleine bruggetjes. Daarop heeft men een uitzicht op de straten en de groene heuvels om de stad heen. Het is meer dan een romantische benadering, het is ook een slimme oplossing om een vlugge interventie van de brandweer mogelijk te maken. We mogen niet vergeten dat de strenge normen van de brandweer ingrijpend de architectuur bepalen. Wie halfweg de 21ste eeuw onderzoek zal verrichten naar hoe gebouwen tot stand kwamen kan best beginnen met de studie van de brandweervoorschriften.

Strebelle plande de daktuinen als evacuatiezone voor de kantoren die boven de winkels gelegen zijn. Op de begane grond zijn er bijgevolg geen nooduitgangen voor de kantoren, wat extra oppervlakte opleverde die men duur kan verhuren. Deze oplossing betekende een grote verbetering op architectonisch vlak en gelijktijdig was de promotor dolgelukkig. Dus twee vliegen in één klap.

Om de eentonigheid te doorbreken koos Strebelle ervoor om de vier delen, die elk een naam kregen, te laten ontwerpen door verschillende architecten. Veruit het interessantste bouwblok 'Joffre' is getekend door Bruno Albert en flankeert de verbinding tussen de place Saint-Lambert en de Opera. De toegangen tot de twee grote winkels liggen op de hoeken terwijl de toegang voor de drie verdiepingen kantoren tussen deze twee winkels is gesitueerd. De gevel in gele natuursteun is zorgvuldig gedetailleerd en de ramen zijn met een uiterste precisie gedimensioneerd. De strakheid sluit perfect aan bij de monumentale stedelijke aslijn.

Gezien de ligging van het hele complex werd veel zorg besteed aan het dak, vaak de vergeten vijfde gevel van het gebouw. In de grote, met zink bekleedde cylinder, zijn alle technische installaties samengebracht. Architect Albert kreeg van de promotor de kans drie kunstenaars te inviteren. In de entree en het trappenhuis bracht de Fransman Jean-Pierre Pincemin een combinatie van cirkelfragmenten. De Vlaming Dan Van Severen, met wie Albert in het verleden al samenwerkte, ontwierp twee grote metalen hekwerken die de binnentuinen afbakenen. Boven de winkelpuien integreerde Léon Wiedar geometrische motieven. Hun inbreng sluit perfect aan bij de architectuur van Albert, een teruggehouden aanwezigheid die velen pas terloops zullen ontdekken. Geen kunstintegratie met spektakel, wel een houding om kunst een vanzelfsprekendheid te geven in het leven. Dezelfde attitude treft men aan in het werk van Jean Glibert in het gebouw 'Opéra', ontworpen door Quang Tuan Linh uit Luik.

Het minst geslaagd gedeelte is het gebouw 'St. Lambert' van de architecten Lemaire en Gérard. De verhoudingen van het bouwvolume hebben niet dezelfde kracht als Alberts gedeelte. Voor de woningen is een beroep gedaan op Bernard Herbecq, een ontwerper die met een aantal erg barokke, organische woningen moeilijk te plaatsen is in de Waalse architectuurscène. Hij koos voor helrode bakstenen om zijn deel beter te laten aansluiten bij de aanpalende bebouwing. In vergelijking met Albert is de detailafwerking hier erg brutaal en bouwtechnisch complex. De positionering van de volumes is goed waardoor een kwalitatief en aangenaam buitengebied ontstaat. Het is zeker niet toevallig dat ongeveer alle woongelegenheden al verkocht zijn.

Een boeiend onderdeel van het plan-Strebelle is de recuperatie van 2.000 m2 van het nooit in gebruik genomen ondergronds busstation. Wat ervaren werd als een miskleun van formaat krijgt plotseling onverwachte mogelijkheden. Het negatieve van het recente verleden is niet geannuleerd, maar krijgt nu bijna een archeologische waarde. De zes meter hoge ruimte, die de naam 'Coeur Saint-Lambert' kreeg, is geschikt voor exposities en evenementen en is bereikbaar voor grote opleggers. Er is, ook om financiële redenen, voor gekozen om de ruwe afwerking van de muren te behouden. Voor de opening van het complex koos Laurent Jacob, directeur en bezieler van de vereniging L'Espace 251 Nord, voor het recent werk van Johan Muyle, een kunstenaar uit Luik, die al in 1985 een krachtige installatie bracht. Na verschillende verblijven in het Indiase Madras liet hij grote portretten schilderen door artisanale reclameschilders die doorgaans werken voor de filmindustrie. Wat op het eerste gezicht kitscherige beelden op groot formaat lijken, werden door Muyle op een bevreemdende wijze geassembleerd en "geanimeerd". De keuze van Jacob sluit ook aan bij de mogelijkheden van deze locatie om een directere band tussen publiek en de hedendaagse kunst te bewerkstelligen. Wie weet wordt dit wel het dynamische nieuwe kunstcentrum in Wallonië.

Ook de place Saint-Lambert zelf kreeg een grondige aanpak. Tot aan de Franse Revolutie stond op deze plaats de kathedraal en was het Prinsbisschoppelijk Paleis verstopt achter deze imposante kerk. Door de afbraak ervan kwam het Paleis op de voorgrond te staan en kreeg de open plek de grote afmetingen die tot op heden problematisch zijn. Waar ooit de kerk stond werden lijnen in de bevloering aan gebracht. Zestien verticale metalen structuren verwijzen naar de kolommen van het religieuze bouwwerk. Met deze oplossing wil men een verband leggen met het turbulent verleden van deze plek.

Wat eens een schandvlek was is uiteindelijk een geslaagd voorbeeld van stedelijke renovatie geworden. Op een aantal architectonische aspecten kun je kritiek formuleren maar die weegt niet op tegen de ruimtelijke kwaliteiten van het stedenbouwkundig plan. De Luikenaars konden hun ogen bijna niet geloven toen begin september alle winkels in één keer opengingen. Deze grote injectie in het stadshart is meer dan een commerciële operatie. Het is een correct herstel van de stedelijke ruimte. Een project van stadsherstel waarop Wallonië trots mag zijn en dat Luik zeker een groter zelfvertrouwen zal geven.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234