Woensdag 26/02/2020

'Van kinderen krijg je veel terug'

Gesprek met illustrator Carll Cneut

Taarten versieren was aanvankelijk zijn ultieme droom, en dus wilde hij patissier worden. Met dat versieren is het helemaal goed gekomen, maar de taarten moesten wel wijken voor prentenboeken. Carll Cneut zit inmiddels tien jaar in het vak en is een van onze meest gerenommeerde illustratoren. In de VS is er zelfs al een herdruk besteld van zijn laatste prentenboek O monster, eet me niet op, terwijl het nog moet uitkomen.

Door Patrick Jordens

Verlangt u soms terug naar die totaal 'onschuldige' periode van het begin, los van hoge verwachtingen en druk.

"Ja, toch wel. Ik kon in mijn beginperiode ook echt niet veel, ik heb heel lang moeten werken aan mijn techniek. Nu heb ik zo veel meer onder de knie, dus ik kan uit veel meer mogelijkheden kiezen. Dat is natuurlijk een grote stap vooruit, maar het maakt het allemaal wel complexer. Het is een illusie om te denken dat ervaring het makkelijker maakt, integendeel. En ik denk dat je onbewust ook rekening houdt met wat het publiek en de uitgeverswereld van je verwachten, dus in zekere zin remt dat wel een beetje de creativiteit af."

Zijn er in de voorbije tien jaar scharniermomenten geweest, die u kunt linken aan bepaalde boeken?

"Ik denk dat Willy, een samenwerking met Geert De Kockere in 1999, zo'n scharnierboek is geweest. Toen had ik voor het eerst het gevoel dat alles perfect samenviel, de wisselwerking tussen verhaal en beeld, de compositie, het kleurgebruik et cetera. Het is moeilijk uit te leggen maar toen had ik voor het eerst het gevoel dat het klopte. Een ander heel belangrijk boek voor mij was Mr. Ferdinand, dat heeft dan vooral te maken met de doorbraak in het buitenland. Het heeft me bewust gemaakt van mijn Vlaamse identiteit, hoe zwaar dat ook mag klinken."

Wat moet ik me daarbij voorstellen?

"Ik dacht ook niet dat zoiets bestond, tot ik meer en meer in het buitenland bekend raakte, waar men mij bij wijze van spreken platsloeg met vragen over Rubens en Van Eyck en mijn werk er ook voortdurend mee vergeleek. Terwijl Mr. Ferdinand toch meer geïnspireerd is op het werk van Edgard Tytgat en Gustave Van de Woestijne. Zij zijn, naast James Ensor en Constant Permeke, schilders met wie ik veel affiniteit voel. Wegens de ronde, volumineuze vormen, de sfeer, het materiaalgebruik en bij Ensor vooral het absurde, het groteske. Blijkbaar worden deze elementen ook vaak gepercipieerd als eigen aan een typisch Vlaamse stijl van illustreren."

Het is wel opvallend dat nogal wat van onze illustratoren de realiteit graag vervormd, enigszins karikaturaal weergeven. Waar komt dat bij u vandaan?

"Laten we zeggen dat ik met nogal wat ironie door het leven ga, dat ik van heel wat zaken snel de grap inzie, en dat ook in mijn tekeningen wil leggen. Misschien heeft het ook te maken met het feit dat we met onze tekeningen een niveau willen toevoegen aan het eerste niveau van het verhaal. Je wilt dus zeker niet gewoon letterlijk weergeven wat er staat. Maar als ik het zo vertel, klinkt het allemaal erg bewust en beredeneerd, terwijl het toch vooral met intuïtie en associatie te maken heeft."

Is het dat wat een goede illustrator kenmerkt, namelijk een tweede verhaal creëren in beeld naast het eigenlijke verhaal?

"Ik kan alleen maar voor mezelf spreken, maar voor mij is dat heel belangrijk, ja. Ik wil graag een soort tussenruimte laten tussen beeld en woord zodat de lezer er zijn/haar eigen fantasie op los kan laten. Je maakt aan een tekening altijd verschillende poortjes om erin te komen. Bijvoorbeeld door ze voor een deel bewust uit de pagina te laten vallen, dan ga je als kijker bijna automatisch de tekening in je verbeelding verder afmaken. Een ander voorbeeld is dat ik meestal weinig expressie leg in de gezichten maar wel in de houding van de personages. Het overige moet je zelf maar invullen. Mijn ideaal is om boeken te maken waar je naar teruggrijpt, en waar je bijna elke keer iets nieuws in ziet, zodat het in zekere zin onuitputtelijk blijft. Het is geweldig om soms lezers te ontmoeten die me zelfs een jaar na de eerste lectuur en ettelijke leesbeurten later nog vragen of ik het zo of zo had bedoeld."

Toetst u uw werk vaak aan de mening van kinderen?

"Ja, maar nooit vooraf. Ik vind het heel plezierig om met hen te communiceren over mijn werk. Dat is ooit anders geweest, hoor, de eerste keer dat ik een workshop zou geven, wilde ik het liefst heel snel weglopen. Maar het enthousiasme van kinderen kan zo groot zijn, je krijgt veel van hen terug. Dat had ik nooit verwacht. Het mooiste cadeau voor mij is dat ik merk dat ik hen met mijn tekeningen inderdaad veel plezier en verbeelding bezorg."

Uw werk bewijst in ieder geval ook dat kinderen niet altijd behoefte hebben aan veel prikkels, zoals zo vaak wordt verondersteld. U houdt van abstraheren, heel wat van uw tekeningen zijn vrij kaal. Daar hebben kinderen dus kennelijk geen probleem mee?

"Nee, ik geloof van niet. Ik moet wel zeggen dat die extreme 'leegte' in bijvoorbeeld Een geheim waar je groot van wordt hier in Vlaanderen moeilijk verkoopbaar bleek. Het klinkt misschien absurd, maar bij het kopen van een boek houden vooral volwassenen er rekening mee of er veel of weinig op de bladspiegel staat. Dat heeft dus niet zozeer met smaak te maken, of met het idee dat kinderen zich bij minder prikkels sneller zouden vervelen. Het zijn vooral de sluiswachters die om economische redenen bezwaar hebben tegen een hoge mate van abstractie. En je mag niet vergeten dat onze fantasie ook afneemt naarmate we ouder worden, spijtig genoeg."

Het meeste van uw werk verkoopt ontzettend goed in het buitenland. Kunt u zelf verklaren waarom?

"Het heeft allicht veel te maken met mijn techniek, in één tekening zitten vaak vijf tot zes verflagen. Dat is enorm arbeidsintensief, maar blijkbaar loont die ambachtelijkheid wel. Daardoor hebben de tekeningen iets doorleefds en dat slaat aan, denk ik. Ook het kleurgebruik blijkt voor velen bijzonder te zijn. Maar je mag ook niet vergeten dat het altijd met een flinke portie geluk te maken heeft, met persaandacht op het juiste moment, met marketing en reputatie. Kijk, het succes valt mij nu ten deel, maar volgens mij had het perfect ook iemand anders kunnen zijn."

Meent u dat?

"Ik wil gewoon benadrukken dat er heel wat bij komt kijken dat je zelf niet of nauwelijks in de hand hebt. Natuurlijk moet je werk opgemerkt worden door een of andere dappere uitgever, daar begint het mee. En die moet ook vaak volhouden, want mijn eerste boek verkocht in Italië, waar de markt voor kinderboeken erg traditioneel is, erg slecht. Maar drie uitgaven verder loopt dat boek daar nu ook goed. De vertrouwensrelatie met een uitgever is dus zeker van cruciaal belang."

In Amerika is er al een herdruk besteld van je laatste prentenboek O monster, eet me niet op, terwijl het nog moet uitkomen!

"Ja, eigenlijk een beetje tot ons beider (Cneut en schrijver Carl Norac, PJ) verbazing, maar misschien heeft dat ook wel met de toegankelijkheid van het verhaal te maken. En het is intussen ook al mijn vierde boek dat daar verschijnt. Nochtans is mijn tekenstijl enorm verschillend van wat daar doorgaans gemaakt wordt: ronde gezichtjes, grote ogen, lachende monden. Zeer braaf en voorspelbaar.

"Dat heeft te maken met verkoopargumenten, en ook met een eigenaardig systeem van 'reviews': voor elk boek dat verschijnt beschikken scholen en bibliotheken over een vragenlijst waar lezers op kunnen aangeven wat hen stoort aan het boek en wat ze verwachten van een goed prentenboek. De uitgevers zoeken naar een grootste gemene deler van al die opinies, waardoor je een grote vervlakking krijgt. In de Angelsaksische wereld dient een prentenboek vooral om mee in slaap te vallen en dus zeker niet om te veel vragen op te roepen, of de fantasie te prikkelen."

U tekent vaak voor Carl Norac, vroeger werkte u vaak samen met Geert De Kockere. Wanneer zegt u als illustrator ja tegen een verhaal?

"Eerst en vooral als het om een leuke schrijver gaat, als persoon én als auteur. En als hij of zij een groot vertrouwen heeft in mijn werk. Maar het belangrijkste criterium is of ik meteen beelden zie. Ik beoordeel de tekst pas nadien op zijn literaire merites. Het gebeurt ook dat ik een heel mooie tekst lees maar geen beelden krijg en dan weet ik dat het niets voor mij is, helaas.Als ik begin te tekenen verdraag ik nog nauwelijks enige inmenging, ik trek het verhaal echt helemaal naar me toe. Zes of zeven maanden lang bevind ik me dan in een soort roes, als een echte vakidioot. Pas als het boek klaar is, schiet ik weer wakker en realiseer ik me: god ja, de schrijver moet ook nog op de kaft!"

Waar kunnen we binnenkort naar uitkijken?

"Het eerste dat van mij uitkomt, verschijnt eind van de zomer in de VS: City Lullaby, een heel origineel aftelrijmboekje over New York van de Amerikaanse auteur Marilyn Singer. Ik kijk zelf al heel erg uit naar een samenwerking met Edward van de Vendel, voor het boek Vlindertijd. En nog later ga ik werken met Peter Verhelst, voor zijn eerste kinderboek. Heel spannend ook! En als ik me helemaal mag laten gaan: ik zou erg graag eens iets doen met Pascale Platel en met Axelle Red. Dus als beide dames dit lezen en ooit eens wat tijd zouden vinden..."

Het klinkt misschien absurd, maar bij het kopen van een boek houden vooral volwassenen er rekening mee of er veel of weinig op de bladspiegel staat. Je mag niet vergeten dat onze fantasie ook afneemt naarmate we ouder worden, spijtig genoeg

Carl Norac & Carll Cneut (ill.)

O monster, eet me niet op

De Eenhoorn, Wielsbeke, 32 p., 13,50 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234