Dinsdag 22/06/2021

Van hand in handtot kop tegen kop

Met zijn 'hoofddoekenoproep' opende Patrick Dewael de discussie over wat wij nog kunnen aanvaarden en wat wij niet meer mogen dulden van migranten. Over hoe intolerant wij moeten zijn. Wij, de toleranten. Zoals dat in het Engels zo mooi klinkt: he's walking the edge of a knife. Het is een debat met vlijmscherpe consequenties. Als tolerant Vlaanderen niet oplet, snijdt het zichzelf in de vingers.

Walter Pauli

Tekening Jan Vanriet

Intolerantie, vervlaamst als 'onverdraagzaamheid', hoort sinds de eerste megaverkiezing van het Vlaams Blok, op 24 november 1991, tot het vaste politieke jargon in Vlaanderen. Onverdraagzaamheid, een woord met een uitgesproken negatieve bijklank. Lees er Zwarte Zondag. Beschouwingen over de democratie in België nog eens op na, een bundeling van de boeiendste vrije tribunes die na Zwarte Zondag in De Morgen verschenen. Allemaal interessant volk. Herman De Coninck, Annemie Neyts, Patrick Janssens (toen nog als reclameman), Filip Rogiers, Luc Van den Bossche, Paul Goossens, Piet Bulteel en nog vele anderen. Allemaal voor verdraagzaamheid. Allemaal verontrust, zo niet gechoqueerd door het Vlaams Blok. Debatterend, soms kibbelend over de beste remedies tegen dat Blok. En, vooral, niet één onvertogen woord in de richting van de migrantengemeenschap zelf.

Het boekje van De Morgen paste in die eerste 'verdraagzaamheidsgolf' in Vlaanderen, in gang gezet door het Vlaams Blok, op gang getrokken door Paula D'Hondt, aan gang gehouden door initiatieven als Charta, Hand in Hand en Objectief, en vervolgens door de inderhaast uitgebouwde integratiesector. Het was het politieke project, zij het haastig, soms overhaast genomen, van mensen en groeperingen die zichzelf zagen als de behoeders van de democratie. De niet-democraten waren de tegenstanders, en die groepeerden zich, vanzelfsprekend, rond het Vlaams Blok. Als er nu, bijna dertien jaar later, ergens gewag gemaakt wordt van de 'niet-democratische partij(en)', dan weet iedereen dat het over het Vlaams Blok gaat. Niet-democratisch, want onverdraagzaam. Ook die begrippen gingen toen hand in hand.

En zo werd 'onverdraagzaamheid' in de loop van de jaren negentig een wat voorspelbaar begrip dat automatisch verwees naar het Vlaams Blok. En raakte er mettertijd sleet op dat verdraagzaamheidsdiscours. Het werd al te vaste prik in zoveel regeringsverklaringen en koninklijke nieuwsjaarstoespraken. Welke gezagsdrager was de voorbij jaren níét voor verdraagzaamheid? Vlaanderen kreeg verdraagzaamheid ingelepeld als een nieuwe kardinale deugd. Maar in deze ondeugende tijden werkt dat averechts. Zeker de laatste jaren was er helemaal niets sexy (om die gruwelterm nog maar eens te bezigen) meer aan verdraagzaamheid. Het was ouderwets, bijna voor 'seuten': je bent beleefd tegen oudjes, je bent milieubewust, je bent verdraagzaam.

Zo raakt er natuurlijk alle spanning af. Wie is er soms tégen oudjes? Tégen het milieu? Tégen verdraagzaamheid? Het werd een saai begrip. Hol. En dus leeg. Als iedereen automatisch van zichzelf vindt dat hij verdraagzaam is, dan is de kans groot dat niemand het eigenlijk nog echt is. We hebben onszelf in de nasleep van Zwarte Zondag tot 'verdraagzamen' geproclameerd, dus zijn we dat ook.

Maar klopt dat ook wel? Vorige week verstuurde de VLD een persmededeling tegen de laatste antirookplannen van minister van Sociale Zaken Demotte. "Wij willen het roken bestrijden, geen kruistocht voeren tegen de roker", zei De Gucht. Eindelijk. Ondergetekende is niet-roker, zelfs een nooit-roker-geweest, maar begrijpt eigenlijk niet wat er gaande is. Ja, roken is ongezond. Zéér ongezond, en met een hoge maatschappelijke meerkost, en voor veel rokers een ongelooflijk pijnlijk levenseinde: longkanker, bloedkanker, slokdarmkanker, keelkanker, mondkanker, tongkanker, en wellicht in combinatie. En de sociale zekerheid moet dat allemaal betalen. Zoiets ontmoedig je dus waar je kunt. De verkoop van sigaretten verbieden aan min-zestienjarigen. Prima, want dat is ook al zo met alcoholische dranken (die even schadelijk, zo niet schadelijker zijn voor de gezondheid, zij het dat daardoor minder long- maar meer leverkanker opduikt).

Maar waarom kan er in alle Belgische stations of op iedere trein niet nog één rokerscoupé zijn? Waarom was het een nationale ramp, bijna tot regeringscrisissen toe, dat ver in de Ardennen een bende dure playboys in Formule 1-bolides een sticker van een sigarettenmerk zouden tonen? Moet het zo onverdraagzaam?

En het ging nog verder, want tijdens de eerste De zevende dag van het nieuwe seizoen liet minister-president Bart Somers weten dat hij vond dat er nagedacht mocht worden over de mogelijkheid de gezondheidssector niet meer te laten opdraaien voor rokers. Met modaliteiten, natuurlijk. Een nultolerantie tegen rokers, zeg maar. Nultolerant, intolerant, onverdraagzaam: ook de behoeders van de 'goede zaak' zijn langzaamaan in dat bedje ziek. We vinden dat dit of dat niet kan, en dus proberen we het te verbieden. Weg ermee.

Of surf eens naar Zorra, het zogenaamde 'mediameldpunt' op internet van het Centrum Vrouwenstudies van de Universiteit van Antwerpen. Vrouwenstudies, vraag het een rechtgeaarde Vlaams Blokker of een CD&V'er die zich nog herkent in het label 'CVP'er van de oude slag': ze gruwen ervan. Feministen, daar moeten ze niets van hebben.

Dat binnen een afdeling vrouwenstudies ingegaan wordt op problemen als anorexia of het cultureel bepaalde schoonheidsideaal, dat zal wel de logische gang der zaken zijn. En neen, ik kick absoluut niet op parfum- en lingeriereclame met wulpse maar zo clichématige vrouwmensen. Maar ik verdraag ze wel: ieder zijn meug. En met de slechte kunnen we lachen. Niet voor dit Meldpunt. Alle affiches en campagnes die blijkbaar als 'niet-correct' worden bestempeld - omdat een vrouw er te zeer als object bij ligt, of omdat de vrouwen te slank zijn of te zinnenprikkelend - komen aan een soort elektronische schandpaal. Telkens een foto, plus een beschrijving, en de doelgroep van de site kan er dan commentaar op geven. Geen slip, geen bh, geen halfontblote borst, of het Centrum Vrouwenstudies heeft ze te pakken. En dan volgen er informatieve tekstjes van dit niveau:

"Nu is een zwartwitillustratie gebruikt waarbij is ingezoomd op een koppel zware borsten die met de handen worden ondersteund. De bh is te klein. Op de foto is het tepelhof duidelijk te zien" (over een foto bij een toneelrecensie in het gemeentelijk blad Genk).

Of: "Verschillende reclamebeelden met één, twee of drie vrouwen erop. Ze dragen allen seksueel prikkelende lingerie. Op sommige foto's kijken de vrouwen ernstig en recht in de camera, op andere lachen ze en is hun blik gericht op iets buiten beeld, en op nog andere nemen ze poses aan die bedoeld zijn om de kijker (m/v) seksueel te prikkelen. Op de foto's waarop meerdere vrouwen zijn afgebeeld in lingerie raken de vrouwen elkaar aan of omhelzen ze elkaar. De blondine en de zwarte vrouw lijken bovendien op twee foto's meer dan gewone belangstelling voor elkaar te koesteren" (over de H&M-lingeriecampagne 2003).

Of nog: "De eerste advertentie in de reeks toont links het hoofd van een jonge vrouw. Haar ogen zijn gesloten en ze lijkt te dromen. Rechts in beeld is half in profiel het lichaam van een jonge man. De jonge man is in blote torso, zijn schouders naar achteren. Hij draagt enkel een nauw aansluitende witte onderbroek. De afdruk van zijn penis in de stof is duidelijk te zien" (over Schiesser-ondergoed).

Na de katholieke index van de verboden boeken, de feministische index van foute reclame. Zelfs de stijl waarin de kwestieuze advertenties beschreven staan, doet denken aan het gedetailleerde relaas waarin middeleeuwse monniken predikten tegen de zonden en lusten van hun tijd: met dermate precieze zin voor detail dat het kwijl eraf druipt. Maar waar dat vocht valt, zal niets meer groeien. Zo negatief, zo haatdragend, zo uitgesproken intolerant is de sfeer tegen ieder beeld dat de nieuwe generatie feministen niet aanstaat.

De verzuring van de samenleving, terug te vinden in uitgesproken progressieve hoek. Het Centrum Vrouwenstudies en Alexandra Colen: één objectief front. Alexandra Colen, u weet wel, de Vlaams Blok-politica die de goede zeden en de juiste moraal verdedigt. En, in het kader daarvan, eveneens uitviel tegen de reclame van Mexx wegens te bloot en te suggestief seksueel. Mexx? Even terugsurfen naar de site van Zorra. Inderdaad, ook de Mexx-reclame van Colen staat erop, zij het zonder commentaar.

De reacties van de site doen ook een belletje rinkelen. Allemaal tégen reclame, zou verboden moeten worden, de schuld van de media, natuurlijk - Alexandra Colen zegt weerom niets anders. Of deze, letterlijk van de site geplukt: "Ik ben nog niet zo heel erg dik, 110 kilo, maar...". Is dit 'ik ben nog niet zo dik'-verhaal de feministische variant van "Ik zen gene racist, maar...?"

(Bij de tabakswet zag je die alliantie ineens ook. Om heel andere reden waren zowel de Vlaamse antitabakkers, zoals SP.A'er Van Velthoven, als de Vlaams Blokkers, altijd tuk om Wallonië een hak te zetten, de waakhonden die ervoor zorgden dat er in Francorchamps niets de kleinste toegeving aan de sigaret zou gebeuren).

Het is een feit: Vrouwenstudies en Alexandra Colen, feministen en het Vlaams Blok, in het geval van de Mexx-reclame zelfs geen objectieve bondgenoten meer, maar feitelijke bondgenoten tout court. Nog altijd tegengesteld in ideologie, inzake ideeën en maatschappelijke visie elkaars aartsvijanden, maar ineens... nu ja, hand in hand.

En is dat bij de kwestie van de hoofddoek eigenlijk niet helemaal hetzelfde? Twee tegenstrevers tegen elkaar verenigd, niet in ideeën, maar vooral in aanpak: zwart-wit. Geen genade, geen gesprek, geen compromis voor zaken die ons niet zinnen.

Hoe intolerant zijn ze vandaag, de verdraagzamen van dit land? Kritische zelfreflectie dus, niet over het Vlaams Blok maar over onszelf, over de zelfverklaarde good guys en al die goede zaken waarvoor we ons inzetten. Maar tot welke prijs verdedigen we die goede zaak? En vooral, hoe gaat the good om met the bad of the ugly, met de mensen die andere waarden voorstaan dan de onze?

Er maar op los knallen, zoals in de gelijknamige spaghettiwestern? Of kan het anders? Ook al zijn we overtuigd van ons grote gelijk en de juistheid van onze argumenten, zijn er misschien andere methodes dan onze kop tegen een andere kop te slaan, zelfs als een sluier de klap opvangt?

Misschien kan Piet De Somer inspiratie bieden. De Somer was na Leuven-Vlaams de legendarische eerste rector van de KU Leuven, en bij het pausbezoek aan België in 1985 eiste hij bij Johannes Paulus II, naast hem gezeten, 'het recht tot dwalen' op voor zijn wetenschappers. Moeten vandaag alle progressieve, democratische, tolerante en geëmancipeerde (of met welk compliment we onszelf ook fêteren) geesten zich dezelfde vraag niet stellen: welk recht op dwalen staan we anderen toe? Welke afwijking van onze eigen normen en waarden tolereren we? Hoe lang? Hoe toegeeflijk moeten vrouwen zijn tegenover seksisten? Hoe ongezond mag de antirokerslobby zich tonen in de ijver voor de goede want gezonde zaak? Hoe absoluut zijn we in de verdediging van waarden waarvan we vinden dat ze juist en goed zijn, zoals de gelijkheid van man en vrouw? Hoe tolerant zijn we met de intoleranten? Waar stopt het praten? Waar wordt het menens?

Hoe vreemd het ook is, voor we ons druk maken over de hoofddoek moeten we eerst bij onszelf te rade gaan. Als we (in)tolerant zijn over dit of dat maatschappelijke probleem, ligt dat vaak evenzeer aan onszelf dan aan het object van onze 'woede'. Een voorbeeld. Iedereen herinnert zich uit de tweede helft van de jaren negentig nog wel de zogenaamde parlementaire sektecommissie. Een van de geviseerde 'sekten' was het overbekende Opus Dei, een katholieke organisatie die al jaren beschuldigd wordt van aftands conservatisme en sektarische praktijken. En inderdaad, het klopt dat binnen Opus Dei de boetegordel gebruikt wordt, de cilis. Dat is een leren band, naargelang van de godsvrucht van de gebruiker eventueel ook met ijzeren punten 'verfraaid'. Die snoeren Opus Dei-leden dan om hun dij. Dat doet flink pijn, maar dat is net de bedoeling. Het is een lichamelijke versterving, net als vasten. Een nog beperktere groep Opus Dei-leden hanteert van tijd tot tijd ook de gesel. Net zoals hun stichter, de heilige Josemaría Escrivá, meppen ze als echte flagellanten hun rug open, een zelfkastijding waarbij het bloed alle richtingen uit spat.

Veel critici vinden dat Opus Dei zich zo duidelijk te kijk zet als een sektarische club, en de sektecommissie plaatste Opus Dei prompt op de (achteraf niet-goedgekeurde) sektelijst. Ook progressief Vlaanderen toonde zich voor dat soort praktijken weinig begripvol, en eigenlijk weinig tolerant.

Precies in dezelfde tijd waar de sektecommissie actief was, vond in Mechelen het ophefmakende proces plaats tegen de 'sm-rechter' Koenraad Aurousseau. Die werd gefilmd tijdens sadomasochistische sessies met zijn vrouw in een ter zake gespecialiseerde club. Aurousseau werd daarvoor veroordeeld en was meteen magistraat af. Progressief Vlaanderen stond op zijn achterste poten, want iemands seksleven is - voor zover er niets onwettigs gebeurt - privé, en dat geldt eveneens voor rechters. Voor de sm-rechter waren we dus zeer tolerant. Maar als je in de aanklacht kijkt (die de openbare aanklager met veel zin voor detail voorlas op het proces, een beetje zoals de Zorra-site), staken er naalden door de tepels van mevrouw, soms werd haar vagina dichtgenaaid, zonder verdoving, enzovoort.

Een echt logische verklaring is er niet voor. Progressief Vlaanderen was - is - intolerant tegenover de boetegordel van Opus Dei. Progressief Vlaanderen was tolerant tegenover de sm-spelletjes van het echtpaar Aurousseau. Objectief gezien lijkt de aantasting op de fysieke integriteit van mevrouw Aurousseau erger dan die van het Opus Dei-lid met zijn riem of zijn zweepje, subjectief gezien lag dat duidelijk anders. Die verschillende houding kan dus moeilijk verklaard worden vanuit het 'object' - in dit geval de maatschappelijk afwijkende handeling zelf - maar vanuit het 'subject' - wij allen, de beoordelaars. Wij zijn blijkbaar toleranter tegenover 'van de norm afwijkend gedrag' als dat in de seksuele sfeer zit, dan als pijn opgewekt wordt vanuit een religieuze motivatie.

Ook inzake de maatschappelijke beoordeling van de hoofddoek en de positie van de vrouw lijkt het 'subject' even bepalend voor het uiteindelijke oordeel als het 'object'. Bij een modern, open, emancipatorisch publiek krijgt de hoofddoek die de islam de vrouwen aanpraat over het algemeen een negatieve beoordeling. Wij lazen goedkeurend De zoontjesfabriek van Ayaan Hirsi Ali, waarin ze pertinente opmerkingen maakt over de rol van religies in het algemeen en de islam in het bijzonder. We zien hoofddoeken als een bedreiging, of op zijn minst een belemmering, van de vrouwenemancipatie. Zelfs als die vrouwen zéggen dat zij die hoofddoek willen dragen, dat hun man dat niet eist, plaatsen we dat in de context van de patriarchale cultuur, waarin de vrouw minstens in feite een ondergeschikte, zo niet onderdanige positie inneemt. Met die globale beoordeling is niets mis. Ondergetekende is géén voorstander van de hoofddoek. Hij citeert graag en instemmend Hafid Bouazza, de Nederlandse schrijver van Marokkaanse oorsprong: "Mijn hart gaat uit naar al die meisjes van zeventien die nog altijd met hoofddoekjes rondlopen. Denkt u echt dat dat een vrije keuze is? Ik vind dat de slachtoffers - in dit geval: de vrouwen - nog altijd veel te weinig aandacht krijgen."

Maar ondergetekende ziet ook dat de ene hoofddoek de andere niet is. Of, preciezer, dat de ene vestimentaire achterstelling van vrouwen meer getolereerd wordt dan de andere. Neen, ik wil het niet hebben over de hoofdbedekking van katholieke nonnetjes. Daar vindt niemand graten in, op een overjaarse papenvreter na. (Nonnetjes zijn altijd meerderjarig en staan dus altijd zelf voor hun keuze in, en bij tante nonnetje bestaat de vrees niet dat ze onder de knoet gehouden wordt in afwachting van een gearrangeerd huwelijk. Bovendien hebben religieuzen in zowat alle culturen afwijkende kleding.)

In een niet zo ver verleden echter hadden meisjes van katholieke middelbare scholen hun variant van de hoofddoek. Alleen hing die niet rond het hoofd van onze acne-generatie, maar rond hun heupen: de halflange, grijze (eventueel donkerblauwe) rok, het liefst tot onder de knie. Hoe katholieker de instelling zich profileerde, des te meer aandacht er naar de rok ging, en des te strenger er controle bestond op de kledingvoorschriften. Ook in die zin is er meer dan één parallel te trekken met de hoofddoekendiscussie.

Die katholieke rok was/is méér dan mode of uniform. Die rok zei: dit is een braaf meisje, dit meisje heeft een familie die geurt naar klassieke waarden, dit meisje groeit op in een omgeving van maatschappelijk conformisme. Dit meisje kent haar plaats. Dat klopte in de praktijk vaak niet, en er is een halve lolita-bibliotheek over stoute manieren van zogezegd brave meisjes, maar daar gaat het niet om. Het gaat erom welk maatschappelijk signaal samenhing met kledij. En in Vlaanderen zag je dat her en der dochters tot dergelijke onzin verplicht werden, maar de zonen niet, nooit. Uniformen voor jongens bestaan hier niet. Maar niemand, tenzij een paar van die meisjes zelf, die ooit reclameerde omdat de rok een uitdrukking was van de toch wel vrij onderdanige positie van het wicht dat ermee naar school moest en, vooral, over straat.

Tussen haakjes: die katholieke meisjes in grijze rok plus blauwe trui zaten in gescheiden scholen. Meisjesscholen. De moslimmeisjes met hoofddoek volgen over het algemeen les in gemengde scholen. Wie raakt het meest geëmancipeerd: de Belgische gerokte anno 1990, of de Marokkaanse gedoekte anno 2004?

Die katholieke rok en zelfs de gemiddelde islamitische hoofddoek zijn nog klein bier vergeleken met de positie van de vrouw bij de orthodoxe joden. De regel is: hoe orthodoxer de joodse omgeving, des te minder benijdenswaardig, of op zijn minst des te minder onafhankelijk de positie van de vrouwen is. Bij chassidische joden dragen de gehuwde vrouwen geen hoofddoek maar is het nog erger met hen gesteld. Gehuwde vrouwen moeten hun haar afscheren of kort knippen en mogen zich nadien alleen maar met een pruik op straat vertonen, de bandeau. Daarom zie je in de buurt rond de Pelikaanstraat zoveel dames met een Conny Froboess-kapsel.

Maar progressief Vlaanderen staat in principe erg welwillend, ja, tolerant tegenover de joodse gemeenschap in Antwerpen, behalve dan tegenover haar steun aan de regering-Sharon in Israël. De joodse cultuur, ook de traditionele variant, daarvoor hoort iedere Belgische politicus het grootste respect te betonen. Ook al verschilt die cultuur op vele punten, en zeker wat man-vrouwverhouding betreft, in essentie nauwelijks van de islamcultuur waar we zo streng voor zijn. Het relaas van tolerant-intolerant is dus geen rationeel verhaal. De islamitische hoofddoek bevindt zich in het brandpunt van het politieke debat, de joodse pruik niet. En dat ligt niet alleen aan die joodse of Marokkaanse meisjes. Dat ligt ook aan de Belgen die het debat voeren.

Uit zowel onderwijs- en werkloosheids- als criminaliteitsstatistieken kan men leren dat allochtone jongens als groep een maatschappelijk probleem vormen. De zogenaamde 'overlast' van allochtone meisjes is veel kleiner. Hun schoolresultaten zijn gemiddeld beter, hun bijdrage aan de criminaliteitscijfers verwaarloosbaar. Maar hun hoofddoek lijkt ineens het belangrijkste probleem in het integratiedebat. Omdat het het meest zichtbaar is? Omdat de gelijkheid tussen man en vrouw, althans in woorden en principes, zo belangrijk is voor deze samenleving?

Is het daarom dat, toeval of niet, drie van de belangrijkste politici van dit ogenblik zich ooit al uitdrukkelijk uitgesproken hebben over de hoofddoek? Allereerst twee liberalen: Guy Verhofstadt (in 1992, in zijn Tweede Burgermanifest) en Karel De Gucht (vorig jaar, in zijn essay De toekomst is vrij. Over het liberalisme in de 21ste eeuw). Guy Verhofstadt was ronduit negatief. Hij heeft het aldoor over 'chador' als hij 'hoofddoek' bedoelt, en hij stelt nogal uitdrukkelijk dat de islam nauwelijks verenigbaar is met westerse opvattingen over democratie. Maar Verhofstadt schreef zijn boekje in de tijd dat het fundamentalistische Fis een ravage aanrichtte in Algerije, en ook de zaak-Rushdie lag toen nog vers in ieders geheugen. Als tien jaar later de altijd helder argumenterende Karel De Gucht zich uitspreekt over de hoofddoek is de toon al heel anders, het beeld genuanceerd. De Gucht ziet de hoofddoek - terecht - als een subtiel element van onderdrukking. "Kun je", schrijft hij, "respect opbrengen voor elementen van onderdrukking? Ik denk van niet." Maar een paragraaf verder ziet hij de beperkingen in van de democratische, tolerante staat: "Niemand kan vrouwen verbieden om met een hoofddoek of zelfs gesluierd op straat te lopen." Gesluierde ambtenaren kunnen echter niet, en met de hoofddoek op pasfoto (wat van de rechter mag) kan evenmin. De Gucht trekt dus een lijn, is genuanceerd, spreekt zich uit vanuit een een emancipatorische reflex.

Toch fronste menigeen de wenkbrauwen toen VLD-voorzitter Karel De Gucht zich deze week ook even roerde in dit debat. Agalev-minister Ludo Sannen drukte het nog het pittigst uit: "Veel gevaarlijker dan het openlijk dragen van een hoofddoek door vrouwen is dat er genootschappen bestaan van mannen, ook op grond van een levensbeschouwing en waarvan de grootmeesters tijdens de bijeenkomsten ook speciale kledij dragen, die afspraken maken over machtsuitoefening in het openbaar terrein, ook in het gemeenschapsonderwijs, maar hun optreden voor de buitenwereld geheim houden." Hij doelt natuurlijk op de loge - Karel De Gucht heeft nooit onder stoelen of banken gestoken dat hij lid is van de loge. Los van de negatieve beoordeling door Sannen van de loge blijft het een feit dat de meeste werkplaatsen en obediënties exclusief voorbehouden zijn voor mannen, op de gemengde loge Droit Humain en - logisch natuurlijk - de zogenaamde Vrouwenloge na, maar daar zijn dan weer geen mannen lid. Hoe zit het dus met die gelijkheid of gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen? Is die, ook voor notoire vrijdenkers, toch niet zo absoluut? Goed, er zal wel een historisch te verklaren 'traditie' zijn waarom er oorspronkelijk geen vrouwen toegelaten waren bij de loge, maar moet die traditie bewaard blijven? Doet de Opperbouwmeester, niet toevallig ook een man van het Oosten, stiekem zaakjes met Allah? Of is het, ook bij de loge, een kwestie van gender? Dat is een modieuze term om aan te geven dat er inderdaad verschillen bestaan tussen mannen en vrouwen.

Maar als er genderverschillen gelden voor vrijzinnigen, zijn die er dan ook niet voor islamitische migranten? Bijvoorbeeld: dat in de moslimcultuur bijna iedereen een hoofddeksel torst. Stap in Brussel door de Lemonnierlaan, en je ziet islamitische mannen lopen in een lange djellaba, oude ventjes met een gebreide muts op hun hoofd, inclusief pompon, en hier en daar eentje met een fez. En als je hun zonen ziet, zestienjarige pubers, dan draagt een op de twee een pet met harde klep op zijn hoofd, achterstevoren weliswaar. Is het dan zo vreemd dat, binnen dit culturele gegeven, vrouwen een hoofddoek dragen? Is het altijd en overal een zaak van onderdrukking - zonder naïef te zijn, en zonder boerka's of chadors of andere vrouwvijandige overdrijvingen te willen goedpraten - of is het ook een beetje een zaak van gewoonte, van mode? Moeten het allemaal hoedjes à la Adelheid Byttebier zijn? Denk men echt dat er één islamitisch meisje van zestien is dat met vaders muts met pompon naar school zou willen? Terug naar de politici. Last but not least, en eigenlijk ook niet de laatste maar de allereerste. Er rest ons nog één socialist. In 1990 al schreef Frank Vandenbroucke, toen kersvers SP-voorzitter, in Over dromen en mensen als eerste belangrijke politicus zinvolle regels over de hoofddoek. Dat boek veroorzaakte toen enige deining omdat het verscheen bij het (Vlaams-katholieke) Davidsfonds, wat bewijst dat de discussie over tolerantie vele hoeken telt. Maar hoewel hij al bijna vijftien jaar oud is, is de tekst van toen nog altijd lezenswaardig.

Ondanks de tijdgeest waarin Vandenbroucke in 1990 schreef - de haast per definitie positieve stemming ten aanzien van migranten na de recente aanstelling van Paula D'Hondt tot koninklijk commissaris voor het migrantenbeleid - stelde hij zich opvallend realistisch op. Toen al ging het om een evenwicht tussen rechten en plichten, en om de moeizame maar voor hem ook boeiende toenadering tussen twee culturen. Frank Vandenbroucke heeft het uitdrukkelijk en omstandig over de emancipatie van moslimvrouwen, maar ook in zijn verwachtingen is hij weerom de meest realistische van de klas: "Emancipatie realiseer je niet van de ene dag op de andere. Emancipatie vraagt dus tijd. Tijd om er een vorm voor te laten zoeken die de eigen cultuur en de identiteit van de migranten niet loochent. Tijd om de dochters te laten bevechten wat hun moeders niet wisten of konden bereiken en hun vaders niet konden aanvaarden."

De hoofddoek, zag Vandenbroucke al, vormde daarin een cruciaal want zichtbaar element. En hij is tegen de hoofddoek, maar om de juiste redenen: "Vormt de hoofddoek van Aisja werkelijk een beperking van mijn vrijheid en handelen? Neen, niet mijn, maar haar vrijheid wordt beperkt. De enige goede reden die ik heb om mij aan die hoofddoek te ergeren, is een bekommernis om de vrijheid van Aisja zelf. (...) Wanneer ik de vrijheid van Aisja wil vergroten, dan moet ik haar de gelegenheid bieden mondig te worden, dan moet ik haar voorbeelden geven in plaats van verbodsbepalingen."

En, zeer actueel in het debat van de afgelopen week, Vandenbroucke hief zijn befaamde vingertje ook toen al op, dertien jaar te vroeg maar zo terecht: "Is onze angst dat een kleine en sociaal zwakke groep van mensen in staat zou zijn het voortbestaan van onze fundamentele waarden te bedreigen wel echt rationeel? Geldt de verontwaardiging bij ieder van ons wel die waarden op zich, of hebben we te maken met een veel vagere intolerantie?" Dat Dewael en co. het zich eens afvragen.

Natuurlijk stond de wereld niet stil tussen 1990 en 2004. Ook in de islam deden zich veranderingen voor, radicaliseringen vooral, en zeker bij de migrantengemeenschap in België. Er was toen nog geen AEL en haar erg merkwaardige omgang met het democratische waardepatroon ("Islamitische homo's, dat bestaat niet", dixit Ahmed Azzuz) en Vandenbroucke had in 1990 nog geen kennis van de uitspraken en brochures van imams die ons vandaag doen huiveren ("Hoe sla ik mijn vrouw zodat niemand het achteraf kan zien?" - één lichtpuntje: zelfs die man heeft al begrepen dat het om in West-Europa sociaal ongewenst gedrag gaat).

Maar Vandenbroucke heeft gelijk dat je altijd als een democraat moet blijven reageren. Vastberaden als het moet, maar tolerant en verdraagzaam waar dat kan. En verdraagzaamheid, voor wie het even vergeten was, gaat per definitie over zaken die ons níét zinnen. Het is al te gemakkelijk om tolerant te zijn tegenover vrienden. Alles welbeschouwd gaat tolerantie alleen maar over opvattingen die we niet lusten, gedrag dat ons niet aanstaat en dat we eigenlijk de wereld uit willen. Maar waarvan we wel vinden dat argumenten het beste wapen zijn. Als we inderdaad voor een tolerante samenleving zijn, als we de hoofddoek zien als een subtiel teken van intolerantie, dat we er dan voor zorgen dat die verdwijnt. Niet door hem van het hoofd van de meisjes te rukken, dat helpt niet. Wel door ervoor te zorgen dat zij dat stukje textiel zelf in de kast laten liggen. Door hun dochters niet uit te sluiten van onze scholen, en hun vaders en broers zo nog meer aanleiding te geven voor een eigen islamitisch onderwijsnet. Door zeker niet kop tegen kop met de migranten te gaan staan. Door hen 'het recht op dwalen' te gunnen. Ooit, zo zegt ook Vandenbroucke, ooit komen ze wel terecht, als ze hier leven en in contact blijven met onze maatschappij. Maar dan moeten we hen wel dulden, en hun eigenaardigheden (of een aantal ervan) tolereren.

Het was de liberale voorman Frans Grootjans die in 1989, bij een toespraak in Antwerpen naar aanleiding van de herdenking van het getto van Warschau, heel terecht zei: "Het harmonieus samenleven van mensen vereist een grote mate van tolerantie. Vergeten we daarbij niet dat de verdraagzaamheid niet spontaan ontstaat. Zij vergt een intellectuele inspanning van degenen die grote waarde en betekenis hechten aan hun eigen wijsgerige en politieke opvattingen."

Niet dat ik een kenner ben van het verzameld werk van Frans Grootjans. Ik haalde dit citaat uit Wederzijds respect, een boekje dat nog maar drie jaar geleden geschreven werd door Patrick Dewael.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234