Maandag 19/04/2021

Van gentleman tot zigeuner

De weelde van de tropen: Henry Walter Bates. 'Natuurvorser op de Amazone'

Wie in de zomer van 1846 op een woensdag- of zaterdagmiddag op het platteland rond de Engelse stad Leicester een wandelingetje maakte, had veel kans twee twintigers op handen en knieën door het struikgewas te zien kruipen, achteloos rondslingerende zwerfkeien omkerend, met afgebroken takjes in de grond peurend en daarbij enthousiaste kreten uitstotend als: 'O, dat is een grote!' of 'Eindelijk, die had ik nog niet!' Zou zo'n tafereel tegenwoordig enige beroering of toch minstens wenkbrauwfronsen teweegbrengen, in Victoriaanse tijden werd zoiets als doodnormaal ervaren. Kevers verzamelen - want dat waren de twee aan het doen - was een achtbare hobby. Als man kon je toen nog gerust een jongedame vragen of ze je keververzameling al had gezien zonder op minachting onthaald te worden.

Alfred Russel Wallace en Henry Walter Bates hadden elkaar leren kennen in de openbare bibliotheek van Leicester. De eerste was een mislukte landmeter en leraar die hield van de natuurhistorische werken van Alexander von Humboldt en de warrige evolutietheorie van Robert Chambers. De tweede was de zoon van een lokale kousenfabrikant die niet goed wist wat hij wou gaan doen, Charles Lyell las en graag kevers verzamelde. Wat beiden onafscheidelijk maakte, was hun bewondering voor het journaal Reis van de Beagle van Charles Darwin - ook al iemand wiens carrière met het verzamelen van kevers was begonnen.

Verre reizen maken en er boeken over schrijven, dat wilden ze ook wel doen, en hun oog viel op het natuurhistorisch praktisch onverkende binnenland van Brazilië. Aan het verzamelen en verkopen van biologische specimina viel in die tijd een aardige stuiver te verdienen en zoals ze al meermaals gelezen hadden, was het tropisch woud een ware dierlijke goudmijn. Het nuttige kon dus aan het aangename gepaard worden en op 26 april 1848 namen ze in Liverpool de boot naar Para, het huidige Belém.

Toen ze daar precies een maand later voet aan wal zetten, kon hun optimisme niet meer stuk: de zon scheen en in de verte zagen ze het woud. Hun vlindernetje sprong als het ware vanzelf uit hun bagage. Drie dagen later was de desillusie des te groter. Ook al hoorden ze bij het betreden van het woud heel wat geritsel, geroep en getier, veel dieren kregen ze niet in het vizier. Wat ze over het hoofd hadden gezien was dat de tropische fauna weliswaar heel rijk en gevarieerd is, maar ook heel verspreid. Wil je dieren zien, dan moet je ze eerst zoeken. Tijdens zo'n zoektocht deed Bates zijn eerste aangename ontdekking, al was het dan niet die van een dier: "De indrukwekkende banaan, waarover ik dikwijls had gelezen, zag er met zijn reusachtige bladeren niet alleen imposant uit, zijn vruchten smaakten ook nog heel lekker."

Wat Bates en Wallace, intellectueel gewapend als ze waren met de inzichten van Chambers en Darwin, onmiddellijk opviel was dat het leven in het tropische woud unaniem voor de hoogte gekozen had en dat bomen die op andere plaatsen heel conventionele vormen hadden, hier soms letterlijk omhoog klommen. Het waren dezelfde bomen, zo stelden ze vast, alleen dwongen de omstandigheden ze zich aan te passen en kregen ze zo een andere gedaante. Ook bij hun geliefde kevers, praktisch de eerste specimina die ze naar huis verscheepten, viel hun dat op. Grondkevers kwamen praktisch niet voor. De beesten zaten allemaal in de bomen.

Negentiende-eeuwse ontdekkingsreizigers worden verondersteld veel ontbering te lijden in een tentje en doodziek te worden doordat ze uit onwetendheid allerhande giftigs naar binnen hebben gewerkt, maar niets daarvan bij Wallace en Bates. Nu eens logeren ze een paar weken bij een Engelse gentleman en dan weer een maand of twee bij een Portugese grootgrondbezitter, en ondertussen huren ze een boot om op de rivieren in de buurt zo nu en dan leuke tochtjes te maken. Haast het enige waar ze over te klagen hebben is het personeel, wegens de onvindbaarheid daarvan. Het toenmalige Brazilië was een land van kleine boeren was, en niemand stond te trappelen om twee Engelse gelukszoekers een paar dagen rond te peddelen.

Na een jaar dit luxeleventje geleid te hebben, wat natuurlijk niet echt veel opzienbarende vondsten opleverde, beseften Wallace en Bates dat ze het over een andere boeg moesten gooien. Bates was er inmiddels achter gekomen dat "ik de objecten waarvoor ik naar dit land was afgereisd, alleen te pakken kreeg als ik mij de leefwijzen van de nederigste bevolkingsklassen eigen maakte. In het Amazonegebied schiet een reiziger weinig op met aanbevelingsbrieven voor aanzienlijke personen, want in de uitgestrekte wildernis van bossen en rivieren in het achterland doen de kanovaarders toch hun eigen zin." De twee besloten niet alleen het levensritme van het binnenland over te nemen, voortaan zouden ze ook elk hun eigen weg gaan. Twee mensen afzonderlijk vinden immers meer dan wanneer ze samen optrekken.

Wallace zou nog een jaar of drie in Brazilië blijven, er zijn broer verliezen en uiteindelijk bijna verdrinken op de terugreis naar Engeland. Later zou hij naar de Maleise archipel reizen, er op het idee van de evolutietheorie komen en zo samen met Darwin de geschiedenis ingaan als degenen die deze in die tijd gestaag populairder wordende theorie wetenschappelijk onderbouwd hebben. Bates bleef nog tien jaar in Brazilië, steeds verder het achterland intrekkend, als was hij op zoek naar de bron van de Amazone.

In Natuurvorser op de Amazone maken we kennis met de dierenwereld die hij op zijn trektochten ontdekte. Waar hij, de keververzamelaar, maar niet over uitgesproken raakt zijn de vele prachtige vlinders die hij ziet. En er zijn jagende mieren die als een vloedgolf over het land stromen en met duizenden tegelijk tegen je benen opkruipen, waarna je alleen maar heel vlug weg kunt rennen en de beestjes, die zich inmiddels muurvast gebeten hebben, uit je huid trekken. Wat niet zo makkelijk is, aangezien hun kop daarbij afbreekt en hun monddelen in de wondjes achterblijven. Iemand stopt Bates een krabspin in de handen, waarna hij drie dagen jeuk heeft en beseft waar het dier zijn naam vandaan heeft. Een andere keer ziet hij hoe een pelopaeuswesp met aarde en speeksel cement maakt en een huisje bouwt op een handgreep van zijn hutkoffer. Het zijn details als dit laatste die de specifiek literaire blik van Bates illustreren en zijn boek boven het niveau van een alledaags reisverslag uittillen. Niet iedereen wil in de jagende mieren die hem half kreupel gemaakt hebben ook lieflijke diertjes zien die elkaars antennes wassen en erop toezien dat niemand in het kamp een dof glanzende kop heeft.

Wanneer Bates het over de inlandse bevolking heeft, blijkt dat we met een echte Victoriaan te maken hebben. Als een heuse Robinson Crusoe wil hij zijn vaderlandse orde en werklust niet opgeven en hij kan dan ook niet vatten hoe de mamelucos tevreden kunnen zijn met een kleine cacaoplantage waar ze maar een paar weken per jaar op hoeven te werken. Waarom brengen ze het omliggende land niet in cultuur, vraagt hij zich af. Zo zouden ze toch veel rijker kunnen worden. Het antwoord weet hij zelf: "Alleen onverbeterlijke nonchalance en luiheid verhinderen dat men zich omringt met de weelde die de tropen te bieden heeft."

Ook over de lokale Indianen heeft Bates zo zijn ideeën. Hij roemt hen om hun vlijt, oppassendheid en spaarzaam leven. In vergelijking met de Portugezen zijn ze zeer vriendelijk. Maar, zo voegt hij eraan toe, hun deugdzaamheid is eerder het resultaat van hun apathie. Ze vertonen geen enkele nieuwsgierigheid, vragen zich niet af waar bijvoorbeeld donder en bliksem vandaan komen en lijken niet in staat te zijn zich voor iets te interesseren dat buiten hun directe levenssfeer valt. "De kameraadschap van onze Cucamas leek niet uit warme sympathie voort te komen, maar slechts uit het ontbreken van begerig egoïsme waar het kleine dingen betreft. Dit gebrek aan egoïsme, door de Europeanen ook wel karakter genoemd, zal op termijn hun einde betekenen," voorspelt Bates, en hij geeft vervolgens enkele voorbeelden van Indianenstammen die hij bezocht heeft en op de rand van verdwijnen staan.

Hoe verder Bates de bovenloop van de Amazone volgt, hoe meer hij tussen de Indianen gaat leven, en hoe meer hij, om zijn eigen woorden te gebruiken, "net zoals tweederde van de Brazilianen een zigeuner" wordt. In september 1857 zit hij in São Paulo, in vogelvlucht zo'n 3.000 kilometer van zijn vertrekpunt vandaan. Hij is vast van plan om verder te trekken naar de Peruaanse steden Pebas en Moyobamba en zo de voet van de Andes te bereiken. Maar de sizoens, de lokale wisselkoorts, steekt een spaak in het wiel. Acht jaar hard werken en slecht eten eisen hun tol. Bates moet voor het eerst in zijn leven passen en in februari van het daaropvolgende jaar vangt hij zijn reis oostwaarts aan, terug naar Para. "De mooiste elf jaar van mijn leven", zoals hij zijn verblijf in Brazilië later zou noemen, liepen ten einde. En naar verluidt ook niets te vroeg: "Ik arriveerde in Para op 17 maart, na een verblijf van zeveneneenhalf jaar in het binnenland. Mijn oude vrienden, Engelsen, Amerikanen en Brazilianen, herkenden me nauwelijks."

Henry Walter Bates (uit het Engels vertaald door Ruud Rook), Natuurvorser op de Amazone, Atlas, Amsterdam, 432 p., 1.200 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234