Vrijdag 21/01/2022

van El Greco tot Picasso

Prado toont eerste grote overzicht van portretschilderkunst

Een Spaans familiealbum met een Vlaams begin

Velázquez, Goya, Picasso, allen hebben ze in de portretkunst hun beste werk afgeleverd, maar het waren de Vlamingen die in Spanje de basis voor dat genre legden. Het Prado toont nu het eerste grote overzicht van de Spaanse portretkunst, vijf eeuwen vol meesterwerken, één groot familiealbum met Picasso als orgelpunt.

Madrid

Van onze correspondent

Rudy Pieters

Juan de Flandes, Pedro Campaña, Antonio Moro, Rolan de Mois, namen die vandaag in België niet meteen een belletje doen rinkelen, toch waren het kunstenaars uit de Zuidelijke Nederlanden, grote portretschilders die in Spanje hoog aangeschreven stonden, zelfs de basis legden voor een genre waarin later El Greco, Velázquez, Goya en Picasso zouden uitblinken. Ze hangen nu allemaal onder hetzelfde dak, vijf eeuwen schitterende portretten, de mooiste expo van de laatste jaren in het Prado, met een Vlaamse entree.

In de vijftiende en zestiende eeuw kende de portretkunst een echte boom. Koningen en koninginnen, prinsen en prinsessen, ineens wilden ze allemaal vereeuwigd worden. De portretten waren zo'n beetje de familiekiekjes van toen. Isabella van Castilië liet een portret van haar dochter Johanna, de moeder van keizer Karel, schilderen toen het meisje in 1496 naar het verre Vlaanderen vertrok om met Filips de Schone te trouwen.

Hele dynastieën hebben zelfs hun bestaan aan de portretschilders te danken. Meer dan eens werd een portretschilder meegestuurd met een delegatie die over een prinselijk of koninklijk huwelijk moest onderhandelen. Vaak was dat portret dan het enige wat de verloofden van elkaar te zien kregen alvorens ze hun jawoord gaven. Jan van Eyck is zo in 1428 naar Portugal meegegaan om er in opdracht van Filips de Goede een kiekje van de plaatselijke Isabella, dochter van de koning, te schilderen. Het portret moet in de smaak zijn gevallen, want twee jaar later trouwden Filips en Isabella.

In Spanje zaten de koningen lang met een probleem: ze hadden geen degelijke portretschilders. De kunstpauzen van die tijd keken neer op het genre, in de opleiding werd nauwelijks aandacht besteed aan het schilderen naar de natuur.

De Spanjaarden stuurden hun portretschilders daarom naar het buitenland, vooral naar Vlaanderen, waar tovenaars als Van Eyck verf tot leven konden brengen. Portretschilders en Vlaanderen, het waren toen bijna synoniemen. Zo ging Lluís Dalmau, die door Alfonso V van Aragón naar Vlaanderen was gezonden, na zijn reis ineens zeer eyckiaans schilderen.

Het aantal omgeschoolde Spanjaarden volstond evenwel niet om aan de grote vraag te voldoen. Importeren dus. Veel van die geïmporteerde Vlamingen bleven jaren in Spanje, vandaar dat ze er nu bekender zijn dan in België. Vandaar ook dat sommigen vooral onder hun verspaanste naam bekend zijn. Pedro Campaña heette eigenlijk Pieter (de) Kempeneer, Antonio Moro (in Utrecht geboren, nadien naar Antwerpen uitgeweken) Anthonis Mor Van Dashorst. Van Juan de Flandes, Jan van Vlaanderen, is niet eens geweten hoe hij oorspronkelijke heette.

Het is die Juan de Flandes die in 1496 als hofschilder van Isabella dochter Johanna portretteerde. Het beeld van een fragiel, melancholisch kijkende tienermeisje is een ontroerend schilderij helemaal in het begin van de expo. Het wordt als het eerste echte portret in de Spaanse schilderkunst beschouwd, dat alleen om de afgebeelde persoon zelf werd gemaakt en geen onderdeel van bijvoorbeeld een retabel is. Johanna was toen nauwelijks zestien. Of zij het is die hier model stond voor Juan de Flandes is niet helemaal zeker, maar de gelijkenissen met een ander portret van Johanna, nu in Wenen, zijn sprekend.

Tegenover die infanta hangen twee panelen van Pedro de Campaña, die wel deel uitmaken van een retabel, uit de kathedraal van Sevilla, de stad waar Kempeneer lang heeft gewerkt. De panelen tonen de acht leden van de adellijke familie die het retabel schonk. Schenkers werden toen doorgaans geknield met vroom gevouwen handen afgebeeld. Kempeneer liet de vijf vrouwen en drie mannen echter rechtop staan, de handen niet gevouwen. Het werk doet ruw en realistisch aan, en toont ook de minder flatterende gelaatstrekken, een voorafspiegeling van de eerste portretten van Velázquez.

Pas na 1560 ontstaat een atelier van Spaanse portrettisten. Van dan af schiet het genre definitief wortel in Spanje, met El Greco, eigenlijk ook geen Spanjaard, met Zurbarán, Velázquez, Goya. Het aantal Spaanse schilders dat zich in het portret specialiseerde, bleef in verhouding klein, juist omdat er zo op werd neergekeken. Maar in dat kransje zaten gelukkig wel alle grote namen. En bij al die schilders behoren de portretten tot hun beste werk. De bijna negentig werken in deze expo zijn stuk voor stuk van uitzonderlijke kwaliteit. Vreemd dat Het Spaanse portret pas de eerste grote overzichtstentoonstelling is van dit nochtans rijk gestoffeerde genre.

Velázquez en Goya alleen al nemen meer dan een derde van de expo in beslag. Ver hoefde het Prado niet te lopen: de collectie is op de verzameling van de Spaanse koningen gebouwd, portretklanten bij uitstek. Het Prado is een schatkamer van portretkunst, denk maar aan Velázquez' wereldberoemde Las Meninas. Of aan zijn Barbero del Papa, waarvoor het museum vorig jaar 23 miljoen euro neertelde, of Goya's La Condesa de Chinchón, die het Prado in 2000 voor ongeveer evenveel miljoenen kocht.

Die topstukken zitten uiteraard in de expo maar het museum heeft er zich niet makkelijk af gemaakt. Ze selecteerde enkel het allerbeste uit eigen huis - als je door de permanente collectie loopt is het indrukwekkend welke schitterende Velázquez- en Goya-stukken het niet hebben gehaald - en confronteerde die met het beste van buitenshuis. Zo brengt de expo voor het eerst twee Goya-portretten van de hertogin van Alba, de ene in zwart, die voor het eerst New York verliet, de andere in het wit.

Naarmate de eeuwen verstrijken, dalen we in de Spaanse samenleving af. Ten tijde van keizer Karel zijn het vooral koningen en prinsen, invloedrijke edellieden en geestelijken die worden geportretteerd. Later nemen ook gewone mensen plaats voor de denkbeeldige lens: gezelschapsmeisjes, dwergen, narren, bedelaars, prostituées, mannen en vrouwen zonder naam. Eén groot Spaans familiealbum.

Het verhaal eindigt bij Pablo Picasso, de geniale portretkunstenaar, wiens Jongen met de pijp eerder dit jaar nog de magische kaap van 100 miljoen dollar overschreed en zo het duurste schilderij ter wereld werd. Het is voor het eerst dat Picasso in een Prado-tentoonstelling te zien is.

Zeven werken hangen er, waaronder het bekende portret van Gertrude Stein (Metropolitan Museum, New York), de Amerikaanse wier Parijse huis het zenuwcentrum was van de artistieke vernieuwing in het begin van de twintigste eeuw. Voor het werk uit 1906, waar het kubisme al door schemert, moest de kleine robuuste vrouw meer dan tachtig keer poseren in Picasso's studio in Montmartre. Maar de kunstenaar was niet tevreden over het hoofd. Hij veegde het weg, liet het werk maandenlang onaangeroerd en gaf de vrouw ten slotte een ander hoofd, zonder dat ze nog poseerde.

Als je die vijf eeuwen helemaal bent doorgewandeld en bij Picasso uitkomt, bekijk je zijn werk anders. Je ziet nog beter dan elders hoe deze baanbreker toch nog zeer stevig in de traditie stond, hoe hij perfect in het plaatje past. Zijn figuren kijken en zitten zoals die van Goya en Velázquez, soms zit het enkel in de sfeer maar er loopt een rechtstreekse lijn tussen al die schilderijen. Het valt des te meer op in het midden van de tentoonstelling waar de chronologische opbouw even wordt onderbroken voor een confrontatie van twee Goya's (waaronder de ontdubbelde hertogin van Alba), een Velázquez (Mariana de Austria) en Picasso's Vrouw in blauw, de prostituee die hij in 1901 schilderde, bijna als een verlepte koningin. In deze tentoonstelling, die juist de continuïteit van de Spaanse portretkunst beklemtoont, lijkt Picasso een ontwikkeling van vijf eeuwen tot een synthese te brengen. Hij maakte de kiekjes voor de laatste bladzijde van het familiealbum, en tegelijk voor de eerste bladzijde van een heel nieuw boek.

Het Spaanse portret. Van El Greco tot Picasso, tot 6 februari in het Prado, Madrid, dinsdag tot zondag van 9 tot 19 uur, op 24 en 31 december en op 6 januari tot 14 uur, gesloten op kerst- en nieuwjaarsdag, toegang: 3,01 euro, museoprado.mcu.es.

el greco Eigenlijk ook geen Spanjaard, maar een Griek. Dit portret van Fray Hortensio Félix Paravicino dateert van 1609.picasso Voor het eerst hangt de geniale portretkunstenaar ook op een Prado-tentoonstelling. Dit zelfportret maakte hij in 1901.'jan van vlaanderen' Eigenlijk weet niemand hoe de schilderJuan de Flandes echt heette. Deze infanta is een portret van Johanna, de moeder van keizer Karel.miro Nog een zelfportret, ditmaal uit 1919. Ondanks de verschillen zitten de moderne meesters stevig in de traditie verankerd.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234