Vrijdag 28/01/2022

Van de studentenkamer naar het museum

De herleving van de Jugendstil in de jaren zestig en zeventig, toen bloemen in je haar steken weer een geliefde bezigheid was, zou een louter Frans-Belgisch onderonsje zijn gebleven. Ware het niet dat Jiri Mucha het werk van zijn vader voor reproductie vrijgaf. Menig studentenkamertje werd opgevrolijkt met een reproductie van zijn affiches of wandplaten. Helaas bleef de belangstelling voor Alphonse Mucha daar toen ook tot beperkt. In de Rotterdamse Kunsthal wordt geprobeerd recht te doen aan oeuvre en aspiraties van een in zijn geboorteland Tsjechië amper serieus genomen kunstenaar.

Rotterdam

Van onze medewerker

Bart Makken

Alphonse Mucha (1860-1939) is het bekendst geworden met zijn affiches van vrouwen, in theaterrollen, als allegorie op de seizoenen, edelstenen of bloemen. Dat was reproductiekunst, het merendeel van zijn werk bestaat uit unica. Het eerste verspreid in de Parijse metropool, het laatste bewaard in zijn ondankbare vaderland. Pas recent is er op initiatief van zijn nazaten een museum aan Mucha gewijd, dat uit de rijke collectie graag laat kiezen, tenminste door de samensteller van de tentoonstelling in de Rotterdamse Kunsthal. Daar is de eerste retrospectieve in Nederland te zien. Het doel is het beeld van de kunstenaar te verbreden: Mucha is weliswaar beroemd geworden als afficheschilder, maar zijn werk is veelzijdiger.

Mucha had een Vlaming kunnen zijn: je moet iets voor je volk terug doen. Vanuit zijn artistieke aanleg lag het voor de hand om kunstwerken te maken die gemakkelijk bereikbaar zijn voor het grote publiek. In die tijd was het theater de meest aangewezen plek voor alomvattende kunst: het had de grootste toeloop en dus de meeste impact. Heel bescheiden begon Mucha op zijn negentiende in Wenen als decorschilder, maar acht jaar later duikt hij op in Parijs, een aanlokkelijke stad want centrum van artistieke activiteiten. Hij leefde er als illustrator, ontmoette er jonge kunstenaars en wikte en woog hun ideeën over de synthese der kunsten. Hij kon er goed zijn broek ophouden, maar na zeven jaar had hij zich amper onderscheiden van de eindeloze stoet ambitieuze kunstenaars die in Parijs hun geluk beproefden. Zijn portfolio bevatte weinig dat suggereerde dat het hem ooit zou lukken door te breken als kunstenaar voor dat brede publiek.

Maar dan was hij op een avond bij zijn drukker, op een dag tussen kerst en oudjaar in 1894. Sarah Bernhardt zou optreden in het Théâtre de la Renaissance en de huistekenaar was met verlof. Of hij misschien niet een affiche kon tekenen. Dat kon hij niet alleen, hij deed dat ook en wel verdomde snel. En zie: heel Parijs stond zich te vergapen, plakkers werden omgekocht, de affiches van de zuilen gesneden. Hij had de juiste snaar geraakt, met een smal maar twee meter hoog affiche voor het stuk Gismonda had hij Bernhardt meer dan levensgroot afgebeeld in de nieuwe stijl, de art nouveau, de Jugendstil, op een nog ongekende manier. Niet alleen de mensen waren verrukt, de actrice zelf was zo gevleid dat ze Mucha nog zes keer inhuurde voor de affiches. De oudejaarsnacht van 1894-95 maakte de onbekende Tsjech in één klap bekend: iedereen vond zijn werkstuk prachtig. En dat is het nog. Hij werd een veelgevraagd ontwerper voor theateraffiches en wandplaten, in reeksen als de seizoenen, bloemen, edelstenen. Telkens met een allegorische verleidelijke dame die schril afstak bij de femme fatale, dat schrikbeeld van het fin de siècle. Bij hem is de vrouw de verpersoonlijking van "de grote wereldziel", ook niet echt iets om het bed mee te delen, maar in elk geval een vrouwbeeld dat demonisch noch losbandig is, daarentegen optimisme en vitaliteit, zelfs levenslust uitstraalt. In een hybride periode met een ambivalente zo niet angstige houding tegenover vrouwen (Salome!) waren de voorstellingen even onwerkelijk, maar wel vanuit het idee dat het leven goed is en dat het geluk binnen ons bereik ligt. Niet dat zijn Medea geen bebloede dolk vasthoudt, maar het uitgangspunt is toch al een stuk aardiger.

In Parijs werd hij zelfs de naamgever van de art nouveau, men sprak er van le style-Mucha, want na die gedenkwaardige oudejaarsnacht brak hij ook door als ontwerper van meer dan affiches en wandplaten, maar ook van boek- en tijdschriftillustraties (zijn oude stiel), kamerschermen, gebrandschilderde ramen, binnenhuizen, sieraden, typografie. Hij waagde zich zelfs aan ontwerpen voor bouw- en beeldhouwwerken, zoals een ontwerp voor een prachtige fontein laat zien. Hij verliet het theater niet, promoveerde veeleer door de ontwerpen voor decors en kostuums te maken in plaats van die enkel uit te voeren. Hij was toonaangevend, kreeg veel aandacht in media en bij het publiek door tentoonstellingen en een schaamteloze reeks namaaksels, in heel Europa en Amerika.

De meeste kunstjes duren maar kort en de contacten in Amerika zouden bepalend zijn voor wat Mucha als zijn roeping begon te zien. In 1899 vroeg de Oostenrijkse regering hem om ten behoeve van de wereldtentoonstelling in Parijs een jaar later het paviljoen van Bosnië-Herzegovina te decoreren. Mucha stelde een reeks voor met odes aan de Zuid-Slavische volkeren en hun aspiraties. Vooraleer het werk aan te vatten maakte hij lange reizen door de Balkan om historie, folklore en gebruiken te leren kennen. Die reizen inspireerden hem voor zijn levenswerk, het Slavisch Epos, twintig schilderijen van soms wel zes bij acht meter die een geschenk moesten zijn aan de bevolking van Praag. In Parijs had hij niet zozeer op te grote voet geleefd, hij gaf alleen te veel geld aan collega's die het minder hadden getroffen, dus hij kon het zelf niet betalen. In Amerika, waar hij tien jaar - artistiek gezien vergeefs - verbleef, ontmoette hij echter een sponsor voor zijn project in Charles Crane.

In 1910 keerde Alphonse Mucha terug naar zijn oude vaderland, waar ze hem maar een vreemde kwast vonden: hij was een kwarteeuw weggeweest, de art nouveau was voorbijgestreefd en zijn Tsjechisch nationalisme vond men ook maar zozo. In feite zat niemand om hem verlegen, maar toch begon hij manmoedig aan zijn Slavisch Epos. Eens voltooid werd het wel geëxposeerd maar nooit geïnstalleerd en het werk bleef van 1933 tot 1962 opgerold bewaard. Pas toen kreeg het een definitieve plek op een afgelegen plaats, Moravky Krunkov. Mucha werd niet meer zo gewaardeerd. Toch ontwierp hij de eerste bankbiljetten en postzegels voor Tsjecho-Slowakije, dat in 1918 na de ineenstuiking van het Habsburgse rijk ontstond, zelfs het staatsembleem is van zijn hand.

Hij geniet de dubieuze eer bij de inval in Praag door de Duitsers als een van de eersten verhoord te worden (nationalisme leuk, maar wel graag Duits nationalisme), zijn kunst werd verboden, de communisten vonden het maar bourgeois, kortom, een Nachleben was hem niet vergund. Sinds 1998 heeft hij een eigen museum in Praag en uit die rijke collectie mocht de Kunsthal rijkelijk putten, niet voor een politiek-correct, maar voor een artistiek rechtvaardig beeld. Dus niet alleen de affiches, niet louter Bernhardt en de reeksen seizoenen, bloemen en edelstenen, maar ook de pastels (een verzamelnaam voor pastels, houtskool- en krijttekeningen), enkele objecten naar zijn ontwerp (bustes en sieraden), tekeningen voor interieurs en fonteinen en buitengewoon fijne schilderijen.

Niet getoond, en vanwege hun formaten niet te tonen ook, zijn de eindproducten van het Slavisch Epos, maar wel schetsen en foto's. De grootmeester van de art nouveau greep daarvoor terug op het historisme. De incorporatie van symbolisme en spiritisme werd allicht nooit begrepen. Wat de Kunsthal toont, is geen behelpen, het is een royaal overzicht van het bekende, maar dan in de originele kleurenlitho's, en heel veel van het onbekende. De niet aanwezige werken zijn alvast in foto's vertegenwoordigd, het geheel ongetoonde staat in de publicatie, die niet voor deze tentoonstelling werd geschreven maar ter gelegenheid van de opening van het Mucha Museum in Praag. Een boek dat je eigenlijk voorafgaand aan het bezoek zou moeten lezen, dan vallen de franken sneller.

Mogen we van Mucha een romantisch drama maken? Tuurlijk, hij piekte korte tijd, jaagde grootste projecten na die niemand smaakte, wilde als verwezenlijker daarvan worden herinnerd maar beklijft als postermaker. Dat mag hij dan niet geambieerd hebben, de mensen vinden het mooi, en terecht. Blijft toch de vraag waarom men in zijn vaderland zoveel moeite met hem heeft. Aan het werk kan het beslist niet liggen.

Alphonse Mucha (1860-1939), Meester van de Jugendstil, nog tot 24 mei in de Kunsthal in Rotterdam, dinsdag t/m zaterdag van 10.00 tot 17.00 uur, op zon- en feestdagen vanaf 11.00 uur, gesloten op maandag.

Iedereen kent Alphonse Mucha, vooral door zijn affiches van vrouwen, in theaterrollen en als allegorieën. Pas vijf jaar geleden kreeg hij in zijn vaderland een museum

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234