Donderdag 13/05/2021

van de makaak

Enkele decennia geleden deden geleerden het idee dat apen kunnen redeneren nog af als 'walgelijk'. Recent onderzoek toont aan dat deze diersoort wel degelijk in staat is tot cultuur. Of wat dacht u van Lucy, een chimpansee die kickt op gin-tonic en de centerfold van Playgirl?

Recensie door Marnix Verplancke

Frans de Waal

De aap en de sushimeester.

Over cultuur bij dieren

Contact, Amsterdam, 320 p., 1.280 frank.

Dale Peterson en Jane Goodall

Visions of Caliban.

On Chimpanzees and People

The University of Georgia Press, Athens, Georgia,

379 p., 18,95 dollar.

Robert M. Sapolsky

Herinneringen van een mensaap.

Mijn leven onder wilde bavianen

Contact, Amsterdam, 335 p., 1.140 frank.

'Met de hond veroverden we de natuur en met de aap zullen we een gelukkige samenleving stichten", aldus Fransman Victor Meunier eind negentiende eeuw in zijn boek Les singes domestiques. Apen, zo opperde hij, zouden best afgericht kunnen worden tot dierlijke slaven, waardoor we voor eens en altijd van menselijke slaven en dienaren verlost zouden zijn en ons vuile en lastige werk toch gedaan zou worden. Adieu dus aan de morele vragen bij de uitbuiting van de medemens. Is er een uitslaande brand, stuur er een stel apen op af en blijven er een paar in, dan hoeven we er niet om te treuren. Maar natuurlijk, zo wist Meunier, mocht de eerbaarheid van de dames niet in het gedrang komen en daarom stelde hij voor alle mannelijke apen vooraf te castreren en om hen het bijten te beletten moesten hun tanden getrokken worden. En daar stonden ze dan op de trillende ladder: een paar kwijlende eunuchen met een brandslang tussen de behaarde poten, hard bezig de gelukkige samenleving waar te maken.

Bijna 99 procent van ons genetisch materiaal hebben we gemeen met de chimpansee, wat de verwantschap nauwer maakt dan die tussen een zebra en een paard, en als we een chimpansee met dezelfde bloedgroep als de onze vinden, kan die ons zelfs gerust een bloedtransfusie geven. Toen Carl Linnaeus in 1758 de mens samen met de apen en de mensapen bij de primaten indeelde had hij dus een klare kijk op de zaak. Alleen de vleermuizen, die er volgens goede ouwe Carl ook bijhoorden, diende Darwin naderhand uit het rijtje te schrappen, maar dat is weer een ander verhaal. Geen dier lijkt dus zo op de mens als een aap en wellicht is er ook geen dier dat het de voorbije eeuwen zo hard te verduren heeft gekregen als die aap. Vooral de mensapen, de verzamelnaam voor chimpansees, bonobo's, gorilla's en orang-oetans, blijken de grote pechvogels en ze worden dan ook allemaal met uitsterven bedreigd. Om even een idee te geven: ooit leefden er in westelijk Afrika 800.000 chimpansees; volgens de meest optimistische schattingen nu nog 18.000. En de chimpansee is dan nog het minst van al bedreigd. In heel Afrika zouden er nog zo'n 200.000 leven, terwijl de gorilla's maar met ongeveer 30.000 meer zijn, de in Indonesië levende orang-oetans met 20.000 en de exclusief in Kongo voorkomende bonobo's met hooguit 17.000.

Juist vanwege zijn verwantschap met de mens was de mensaap ooit een geliefd dier in medische laboratoria. Muizen waren een soort eerstelijnsproefdieren en wanneer het echt serieus werd, schakelde men over op apen. Die tijd is voorgoed voorbij. Figuren als Henry Trefflich, die tussen 1928 en het einde van de jaren zestig 1.250.000 apen, 200 gorilla's, 250 orang-oetans en 4.000 chimpansees naar de Verenigde Staten verscheepte, behoren gelukkig tot het verleden. Niet dat al deze dieren in de medische industrie terechtkwamen, natuurlijk. Het merendeel werd als huisdier verkocht, of als circusaap. Niets zo innemend als een aap in een korte broek of een koddig jurkje, toch? Een typerend verhaal is bijvoorbeeld dat van Lucy, geboren in 1964. Toen dit chimpanseetje twee dagen oud was, werd het bij de moeder weggenomen en aan de psychotherapeut Maurice Temerlin en zijn vrouw Jane gegeven. Zij wilden het aapje laten opgroeien als een kind, een zusje voor hun zoon Steve. Net zoals de meeste baby's uit die tijd kreeg Lucy eerst de fles en mocht ze nu en dan even aan de borst liggen. Daarna ging ze in de hoge stoel, kreeg fruitpapjes en werd ingeënt tegen kinderziekten. Eenmaal uit de luiers ging Lucy mooi op het potje en sliep ze in haar eigen bed. Met Steve deelde ze een hond als huisdier en ooit had ze zelfs haar eigen kleine poesje. Na de hoge stoel kwam de gewone, het eten met mes en vork en het drinken uit een glas. Lucy slaagde er zelfs in thee te maken en op haar derde ging ze over op alcohol. Op bezoek bij de Temerlins hoefde je niet op te schrikken van Lucy die naar de barkast ging, zich een gin uitschonk, naar de koelkast liep, een tonic met de tanden opentrok en die bij de gin goot. Daarna vlijde ze zich languit op de bank, zapte de tv-kanalen af op zoek naar iets interessants en als dat er niet was ging ze een tijdschrift lezen en er commentaar bij geven. De chimpansee had immers American Sign Language geleerd en kende meer dan honderd tekens die naar eigen goeddunken en inzicht gecombineerd werden. Een ui noemde Lucy bijvoorbeeld "schrei fruit" en een radijs "schrei pijn fruit". Met de ontluikende seksualiteit kwamen ook de lichamelijke experimenten. Lucy gebruikte een spiegeltje om haar vagina te bekijken, manipuleerde haar clitoris met een potlood en zette van tijd tot tijd de stofzuigerslang op haar geslachtsorganen. Ook ontwikkelde ze een meer dan gemiddelde interesse voor foto's van naakte mannen. Playgirl was een van haar favorieten en met haar nagels zat ze vaak aan de penis van de naakte mannen te krabben. Gêne had ze niet, want soms spreidde ze de centerfold uit op de grond en ging er dan zachtjes met haar onderlijf tegen zitten wrijven.

Chimpansees zijn in het wild pas volwassen op hun zestiende. De eerste acht jaar van hun leven blijven ze zelfs constant bij hun moeder en broers en zussen. De Temerlins hadden er na tien jaar echter al genoeg van. Het experiment diende gestopt, zo verordonneerden ze, en ze zochten een 'goede' plaats voor Lucy. En in feite was die ook nog niet zo slecht: een speciaal dierenpark in Gambia waar in gevangenschap opgegroeide chimpansees begeleid werden bij hun terugkeer naar de natuur. Lucy ging er heen met haar babysit, een vrouw die zich erg gehecht had aan de aap en het beste met haar voorhad. Het plan was dat ze drie weken zou blijven, tot Lucy op het goede pad zat. De aap werd echter ziek van heimwee en de drie weken werden drie maanden, drie jaar en uiteindelijk werd het zelfs negen jaar voor Lucy op eigen benen kon staan. Twee jaar later was ze echter dood; gestorven in vrij duistere omstandigheden. In plaats van de gemiddelde leeftijd van vijfenvijftig jaar te bereiken was Lucy net eenentwintig geworden. Laat de moraal van dit verhaal duidelijk zijn: hoe goed een mens het ook moge menen met een aap, als hij hem niet met rust laat, betaalt het dier altijd het gelag.

Maar wat Lucy's verhaal ook duidelijk maakt is dat een chimpansee, en meer algemeen een mensaap, niet zo stom is als hij er volgens sommigen uitziet. Apen kunnen dan misschien niet spreken, want daarvoor hebben ze de verkeerde stembanden, ze kunnen wel gebarentaal leren en een fijne conversatie onderhouden, waarbij ze grappen maken en de mensen op allerhande vernuftige wijzen in de luren proberen te leggen. Apen hebben dus wel degelijk verstand en wie er een tijdje tussen vertoeft merkt dat geen twee individuen gelijk zijn. Precies dat, een geest en een individualiteit, ontdekte Jane Goodall - sinds de lente eredoctor aan de Universiteit Gent - in de jaren vijftig en zestig in de Tanzaniaanse chimpansee- kolonie die ze observeerde. Door haar vondsten wereldkundig te maken haalde ze zich de woede van de wetenschappelijke goegemeente op de hals. Drie decennia eerder had de vermaarde Ivan Pavlov nog gedecreteerd dat het idee dat apen konden redeneren en gereedschap konden gebruiken gewoonweg "walgelijk" was en veel verder was men intussen niet gekomen. Goodall beschrijft in het samen met literatuurwetenschapper Dale Peterson geschreven Visions of Caliban hoe ze chimpansees noten zag kraken met stenen en termietenheuvels leegvissen met zorgvuldig voorbereide takjes, maar volgens haar collega's primatologen waren het gewoon stomme beesten. En vooral ook gevaarlijke beesten. Toen ze begin jaren vijftig voor het eerst het oerwoud in wou trekken om haar apen te bestuderen, kreeg ze van de Britse koloniale autoriteiten geen toelating om dit alleen te doen. Vandaar dat ze de eerste vier maanden gechaperonneerd werd door haar moeder.

In Visions of Caliban poneren Goodall en Peterson de stelling dat Shakespeares Caliban-figuur uit The Tempest - half mens, half dier - in feite een chimpansee was. In 1607 bracht ene Andrew Battell de eerste verhalen mee naar Engeland over reusachtige apen. De Portugezen hadden hem een tijdje gevangengehouden in een van hun West-Afrikaanse kolonies en daar had hij de "monsters" gezien die later geïdentificeerd werden als chimpansees en gorilla's. Zijn getuigenis veroorzaakte heel wat commotie in het Londense intellectuele wereldje waar ook Shakespeare deel van uitmaakte en het is inderdaad niet ondenkbaar dat de grote bard een van deze enigmatische apenfiguren in zijn toneelstuk heeft verwerkt. Meer zelfs, wanneer we weten dat hij The Tempest schreef tussen 1610 en 1611 is dit zelfs heel plausibel. Maar of dit nu wel of niet zo is, doet er voor Petersons en Goodalls betoog eigenlijk niet toe. Het Shakespeare-verhaal is maar een kapstok waaraan zij hun pleidooi voor een andere menselijke geesteshouding tegenover de chimpansee bepleiten. Het is geen stom beest, maar wel een intelligente neef van ons die in staat is tot cultuur, zo betogen zij, een stelling die niet overal aanvaard wordt.

Iemand die het zeker met hen eens is, is de uit Nederland afkomstige maar in Amerika werkende etholoog Frans de Waal. De vraag of apen cultuur kennen is te vergelijken met die of kippen kunnen vliegen, zo stelt hij in De aap en de sushimeester. Zet een kip naast een albatros en het eierbeest slaat maar een mal figuur. Denk je echter een wereld in waar alle dieren op de grond lopen of kruipen en alleen kippen over vleugels beschikken, en opeens is kakeltje een wonderbaarlijk wezen. Toegegeven, je zult een kip nooit vliegend achter de horizon zien verdwijnen, maar met wat moeite en gespartel raakt het beest wel op de onderste tak van een boom. Cultuur is dus een relatief begrip. In vergelijking met de mens schopt een mensaap het misschien niet ver, maar zet hem naast een kangoeroe en hij blijkt een verduiveld cultureel wezen te zijn.

Maar wat is cultuur nu precies? En ook daar heeft De Waal een antwoord op: het is de niet-genetische overdracht van gedrag en informatie die heel sterk groepsgebonden is. Dieren van dezelfde soort zullen dus afhankelijk van de groep waarin ze leven ander gedrag vertonen. Het met een takje vissen naar termieten zit niet in de genen, maar is gedrag dat van moeder op zoon of dochter wordt doorgegeven en het is niet zeker dat de apentroep van een vijftigtal kilometer verderop dat ook doet. Apen zijn trouwens niet de enige dieren met cultuur. Wat bijvoorbeeld te denken van een kat die haar jongen op de kattenbak leert gaan? Of van otters die stenen op hun buik meenemen en die gebruiken om rivierkreeftjes in gruzelementen mee te slaan? Een van de meest imposante voorbeelden is wellicht dat van de groene reiger. Die staat erom bekend brood te stelen, het in kleine stukjes te scheuren, die stukjes op het water te gooien en te wachten tot er vissen opduiken die het brood willen opeten, waarna hij ze maar uit het sop te scheppen heeft.

Het idee van cultuur bij dieren is vooral moeilijk te slikken door mensen die een strakke dichotomie tussen mens en dier en tussen cultuur en natuur zien. Wat de mens onderscheidt van het dier is nu net die cultuur, zo beweren zij, maar poneerde Darwin in de negentiende eeuw al niet dat een cultuurfenomeen bij uitstek als moraal in feite het gevolg is van natuurlijke selectie? "Elk dier dat is uitgerust met duidelijke sociale instincten, de wederzijdse genegenheid van ouders en kinderen daarbij inbegrepen, zou onvermijdelijk een morele zin of geweten verkrijgen zo gauw zijn intellectuele vermogens net zo of vrijwel net zo goed ontwikkeld waren als die van de mens", schreef hij in The Descent of Man. Cultuur is dus een vorm van geavanceerde natuur, niet meer of niet minder, en de breuk is in realiteit een gradueel verschil. In feite redeneren de ontkenners hiervan nog steeds zoals René Descartes dat drieëneenhalve eeuw geleden deed: mensen hebben een ziel en dieren niet en daarom torenen die mensen torenhoog uit boven die dieren. Wie nog verder terug wil gaan, vindt hier natuurlijk de traditionele christelijke visie in die zegt dat God de mens naar zijn evenbeeld schiep en voor hem een speciale rol weggelegd zag. Was het immers niet de mens die de dieren namen mocht geven?

Neen, dan kunnen we maar beter luisteren naar wat Aristoteles over deze zaak te zeggen had. Voor hem vloeide het sociale en politieke leven van de mens voort uit de natuurlijke impulsen als de afhankelijkheid van samenwerking en de behoefte aan ouderzorg die we met veel dieren gemeen hebben. En dat het ook ten tijde van Descartes anders kon, lezen we bij David Hume, wellicht niet toevallig een Engelse empirist en iemand die dus in tegenstelling tot de Franse rationalisten uitging van wat hij waarnam en niet van een paar loze principes. In A Treatise of Human Nature schreef hij: "Uit de gelijkenis van de uiterlijke handelingen van dieren op die welke wijzelf verrichten, leiden we af dat hun innerlijke handelingen eveneens op de onze lijken; en hetzelfde redeneerprincipe een stap verder doorgevoerd zal ons doen concluderen dat aangezien onze innerlijke handelingen op elkaar lijken, de oorzaken waaruit die voortkomen ook overeen moeten komen. Dus als er een hypothese wordt opgesteld ter verklaring van een mentale handeling waarin mens en dier overeenkomen, dan moeten we diezelfde hypothese op beide toepassen." Cultuur is dus cultuur, of die bij mensen of bij dieren voorkomt maakt niet uit.

In het Westen is dat echter tot voor kort nooit de heersende opinie geweest en het hoeft dan ook niet te verbazen dat het idee van dierencultuur in het Verre Oosten is ontstaan, in Japan meer precies, waar de christelijke dichotomie tussen mens en dier onbekend is en onderzoekers helemaal anders tegen dieren aankijken. Zij zien veel minder soorten als wel individuen en ze vinden niet dat een primatoloog een 'objectieve' relatie met zijn apen moet hebben. Wil je inzicht krijgen in een dier, dan moet je je eraan overgeven, zo zeggen zij en dat betekent bijvoorbeeld ook dat je je dieren voedt. De medewerkers van etholoog Kinji Imanishi hadden al het sociale gedrag van paarden en herten bestudeerd toen een van hen in 1948 met het idee kwam om de makaken van het eiland Koshima eens nader te bekijken. Zij leefden immers in nauwe sociale groepen en daar moest wel iets interessants over te melden zijn. Het enige probleem was dat die makaken zo schuw waren. Daarom werden ze een keer of vijf per jaar gepaaid met lekkernijen als aardappelen en tarwe die men op het strand uitgoot. In 1953 kwam een van de makaken, de anderhalf jaar oude Imo, erop om zijn aardappelen in de zee te spoelen, zodat er geen zand meer aan zou hangen. Een jaar later waren er al een paar apen die dat deden en na vijf jaar verdween 75 procent van de jonge en jongvolwassen dieren met zijn aardappelen in het water. Het eerste artikel over cultuur bij dieren was in de maak. En Imo liet het hier niet bij. Hij ontwikkelde ook nog een manier om de tarwe van het zand te scheiden. Hij nam een handvol, gooide het in zee, wachtte tot het graan dreef en het zand zonk en schepte toen de lekkere korrels van het water. Ook dat werd een cultureel doorgegeven handigheid. De makaken van Koshima zijn de enige ter wereld die hun aardappelen en hun tarwe spoelen, en ze doen het nog steeds.

Waarom doen dieren nu zoiets, kunnen we ons vervolgens afvragen: waarom apen apen apen na? De makaken van Koshima zouden het kunnen doen omwille van de smaak van hun eten natuurlijk, maar De Waal kwam op een ander principe uit. Het draait allemaal om conformisme. Dieren ontwikkelen cultureel gedrag om erbij te horen. Toen een oudere, in de troep gerespecteerde chimpansee zijn vingers bezeerd had en daarom op zijn pols liep, deden alle jongeren hem na verloop van tijd na. En in Afrika leeft er een troep chimpansees die niets liever doet dan twee stenen tegen elkaar te slaan. Tik tik tik, van 's ochtends tot 's avonds. Veel verdien je er niet mee en je eten gaat er ook niet beter van smaken natuurlijk, maar als je meetikt met de rest, word je aanvaard. Wellicht is het gedrag nog het best te vergelijken met dat van mensenjongeren die allemaal hetzelfde slang proberen uit te slaan om bij de groep te horen. "Want dieren zijn precies als mensen", zoals mijnheer de Uil in De Fabeltjeskrant al wist te zeggen.

Conformerend gedrag heeft natuurlijk alles te maken met macht. Wie zich aanpast of wie de toon zet: het is van - soms ook letterlijk - levensgroot belang. Alleen, zo schrijft De Waal, mag je dat tegenwoordig in wetenschappelijke kringen niet te luid zeggen. Macht is een vies woord en niemand wil toegeven dat zijn apen of hijzelf eraan ten prooi zijn. En toch. "Zet een clubje links-georiënteerde en egalitair ingestelde hoogleraren bij elkaar - een situatie waar ik enige ervaring mee heb - en je ziet gegarandeerd een machtsstructuur ontstaan. Dat gebeurt automatisch." Alleen moet je niet denken dat die structuur er eentje is van het recht van de sterkste. Zowel onder hoogleraren als onder apen geldt immers nog steeds Darwins survival of the fittest, en dat is niet altijd degene die het hardst op tafel kan kloppen, maar wel de sociaal handigste. In zijn uit 1982 daterende Chimpanseepolitiek had De Waal het daar al over. Dat dit ook voor andere apen geldt, ontdekte Robert Sapolsky tijdens zijn onderzoek naar een Keniaanse bavianenkolonie. Toen hij met zijn werk begon, werd er algemeen van uitgegaan dat een hoog testosterongehalte in het bloed en agressie wijzen op sociale dominantie. Daarom werd hij eropuit gestuurd om een stressonderzoek te doen bij de bavianen. Op gezette tijden diende hij de apen te verdoven, hen een buisje bloed af te tappen en dit door te sturen naar een laboratorium. Anders dan verwacht bleken niet de mannetjes op de hoogste sporten van de sociale ladder te lijden aan stress, maar wel deze naar de onderkant toe. Testosteron en agressie wezen dus op een underdogpositie.

Gedurende de decennia die Sapolsky bij de bavianen doorbracht en waarover hij verslag uitbrengt in het boek Herinneringen van een mensaap zag hij heel wat heerschappijen stichten en ten onder gaan en steeds weer bleek de sociaal handigste het te winnen. Een klassiek geval is het gevecht dat Sapolsky meemaakte toen hij nog maar net bij de troep zat. De oude leider Aäron werd door nummer 203 naar de kroon gestoten en de haren vlogen in het rond. Toen de twee elkaar goed afgemat hadden, verscheen opeens Salomo op het toneel. Fris en monter rekende hij af met het tweetal, waarbij 203 het zelfs niet overleefde: het nieuwe alfamannetje - primatologentaal voor 'de leider' - had zonder veel moeite zijn intrede gemaakt.

In vergelijking met de meeste boeken over primatologie is Herinneringen van een mensaap ongewoon. Sapolsky besteedt immers niet alleen bijzonder veel aandacht aan de grappige kanten van zijn baan, hij beschrijft ook tot in de details wat werken in Afrika precies inhoudt. Zijn beschrijving van de perikelen die hij beleefde met het blaaspijpje waarmee hij de apen verdoofde toont bijvoorbeeld aan dat de wereld aan hem een groot komiek verloren heeft. Een paar pagina's lang heeft hij het over verschillende blaastechnieken, het gevaar van het per ongeluk zuigen en de verberg- en afweeracties van de bavianen, om ten slotte te eindigen met de vaststelling dat, wanneer je het echt goed onder de knie hebt, het je nooit meer loslaat. Terug in Amerika komt hij uit de bioscoop en hij stapt achter een flinke matrone aan. Onwillekeurig denkt hij: "85-95 kilo, 9cc verdovingsmiddel. Je moet op haar kont mikken, daar zit het meeste vlees. Haar man zal haar waarschijnlijk verdedigen als ze neergaat, maar zijn hoektanden zijn maar klein."

Sapolsky houdt ervan zijn troep te beschrijven en hij heeft daarbij vooral oog voor de uitzinnige individuen. Zoals Benjamin, een misbaksel van formaat met mottig haar en een buitenissige onderkin. Telkens als hij gelachen had, moest hij met zijn handen zijn onderlip weer over zijn tanden trekken. Sociaal gezien was Benjamin een paria. In de pikorde van de bavianen stond hij op de laagste rang en er mocht bovenaan geen slag vallen of die druppelde wel als een oorvijg tot hem door. Psychisch deed dat hem natuurlijk allemaal geen goed. Hij werd geplaagd door angstdromen en midden in de nacht schrok hij dan wakker en begon heel luid "Wa-hoe" te roepen, wat voor bavianen zoveel betekent als: "Waar is iedereen?" Daarop begonnen de andere apen ook te wa-hoeën, tot uiteindelijk iedereen wist waar iedereen zat, Sapolsky incluis, half horendol in zijn tentje aan de voet van de boom waarin de bavianen hoorden te slapen.

Toen de onderzoeker nog maar net in Nairobi was geland, had hij al kennisgemaakt met een van de specifieke karakteristieken van Afrika: hij was al de helft van zijn geld kwijt. Als kersvers gearriveerde Amerikaan zag hij eruit alsof hij een vlag op zijn voorhoofd getatoeëerd had. Een 'student' uit Oeganda zamelde fondsen in om Idi Amins schrikbewind te vervangen door een op Amerikaanse leest geschoeid tweepartijenstelsel. Kon hij rekenen op een bijdrage? Natuurlijk kon hij dat. Meestal bleek Sapolsky totaal geen voeling te hebben met de Afrikanen, wat soms tot hachelijke situaties leidde, zoals die keer dat hij een paar Masaï-krijgers wou uitleggen dat ze in feite verre familie waren van zijn bavianen. Dat viel niet echt in goede aarde. En soms leidden de culturele verschillen tot mooie, emotionele momenten, zoals wanneer hij aan een oude man wou uitleggen waar hij vandaan kwam. Hij haalde er een topografische kaart van de streek bij, ging aan de andere kant van de kamer staan en zei: "Nairobi", liep vervolgens naar buiten, honderden meters ver, en riep heel luid: "Het huis van mijn vader." De oude man vond het allemaal heel grappig.

Al bij al geeft Sapolsky ons een genadig beeld van Afrika, ook al leiden de specifieke omstandigheden van dit continent er uiteindelijk toe dat het grootste deel van zijn bavianentroep de dood vindt. De dieren worden ziek, beginnen te rotten, sterven uiteindelijk en blijken bij de autopsie binnenin volledig tot slijm en smurrie gesmolten te zijn. "Dit was helemaal fout", schrijft Sapolsky heel plastisch, "net zo fout als wanneer je yoghurt zit te eten en je ermee moet ophouden om eerst de botjes eruit te vissen." Na lang zoeken komt hij erop dat de slager verbonden aan het lokale toeristenhotel er voor iets tussen zit. Die van gezondheid blakende westerlingen blijken net als zijn apen al jaren met tuberculose besmet rundvlees voorgeschoteld te krijgen. Sapolsky schrijft naar de hoogste autoriteiten, wordt uitgenodigd naar Nairobi en krijgt daar te horen dat hij over het hele geval moet zwijgen. Toerisme is immers Kenia's belangrijkste industrie en er moet aan het imago van het land gedacht worden. Pas wanneer de slager en de vleeskeurder die met hem onder één hoedje speelde met pensioen gaan, verandert er iets. Oké, dit is Afrika, zo lijkt Sapolsky te zeggen, maar hij weet ook dat dit continent niet een-twee-drie te veranderen is en dat dit niet kan zonder dat de rest van de wereld mee verandert. En dat is ook wat Peterson en Goodall ten slotte inzien. Willen we de mensapen een toekomst geven, dan zullen er in het Westen strenge wetten uitgevaardigd moeten worden, zo stellen ze. Zij eisen niet meer en niet minder dan het totale verbod op het privé-bezit van de dieren, een ban op het gebruik ervan voor amusementsdoeleinden en een totale stopzetting van dierproeven met apen. Maar daarmee is het misbruik in Afrika nog niet gestopt natuurlijk. Wanneer je hoort dat de directie van de dierentuin van Kongo Brazzaville liever haar dieren laat verhongeren dan ze eten te geven, waarna ze vervangen worden door nieuwe, op de zwarte markt voor een prikje gekochte exemplaren, is dat natuurlijk een schande. Maar wanneer je ook weet dat de bevolking er uit armoede maar een keer per dag kan eten, begrijp je het al beter. Iemand die zelf constant op de rand van de hongerdood leeft, zal natuurlijk maar weinig aandacht kunnen opbrengen voor het lot van een paar chimpansees.

In vergelijking met de mens schopt een mensaap het misschien niet ver, maar zet hem naast een kangoeroe en hij blijkt een verduiveld cultureel wezen te zijn

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234