Zondag 11/04/2021

Van aards paradijs tot Hollands riool

Een diepgravende geschiedenis van de specerijenhandel

door Marnix Verplancke

Charles Corn

uit het Engels vertaald door Jan Mars Bert Bakker, Amsterdam, 352 p., 995 frank.

'Er zijn sterke vermoedens dat dit het aards paradijs is," schreef Columbus in een brief aan de Spaanse koning na zijn derde reis naar Amerika, "want de ligging stemt overeen met de mening van de heilige en wijze theologen die het er allemaal over eens zijn dat het aards paradijs in het oosten ligt." Tegenwoordig weet ieder kind dat Columbus helemaal niet in het oosten is geweest, maar integendeel in het westen, en een aards paradijs bleek het er na verloop van tijd ook al niet te zijn. Van belang is hier echter dat de beroemde ontdekkingsreiziger meende wat hij zei. Al eeuwenlang was heel Europa ervan overtuigd dat de hof van Eden ergens in Azië moest liggen. Sommigen gingen zelfs verder en stelden dat Adam en Eva op de plaats hadden gewoond waar nu nog steeds de specerijen groeien.

Minder om dit vermoeden te verifiëren dan met het oog op de uiterst lucratieve specerijenhandel stuurden de Portugezen begin zestiende eeuw een kleine vloot naar het sultanaat Malakka, in het huidige Maleisië, dat toentertijd de belangrijkste specerijenhaven van het Oosten had. "Hij die heer is van Malakka heeft zijn hand op de keel van Venetië," zoals een populair gezegde wilde. De Venetianen dreven al zo'n vijfhonderd jaar handel met Oost-Indië. Zij kwamen, kochten en vertrokken weer, zonder zich verder met de lokale sultanaten te bemoeien. Zolang die maar fabuleuze winsten opleverden. De Portugezen luidden een nieuw tijdperk in: zij veroverden Malakka in 1511 en gingen op zoek naar de bron van de heilige drieëenheid kruidnagel, nootmuskaat en foelie. Zij wilden het paradijs niet alleen proeven, maar het ook bezitten, en luidden daarmee een tijdperk van oorlog en misère in.

Over de geschiedenis van de specerijenhandel heeft de Amerikaan Charles Corn nu Sporen van het paradijs geschreven, een diepgravend werk waarin zowel de grote als de kleine historie achter ons hedendaagse kruidenrekje aan bod komt. Die geschiedenis blijkt heel nauw met de grote historische politieke gebeurtenissen verbonden.

Op 4 mei 1493 ondertekenden Portugal en Spanje, na bemiddeling van paus Alexander VI, het Verdrag van Tordesillas, volgens hetwelk de wereld in een Portugese en een Spaanse invloedssfeer werd verdeeld, wat de mensheid heel wat wapengekletter zou besparen. Dat was althans het idee - de werkelijkheid was anders. Waar eindigde immers de Portugese en waar begon de Spaanse invloedssfeer? Aangezien men zich voor de omvang van de aarde nog steeds op de berekeningen van Ptolemaeus baseerde, die onze planeet ongeveer een derde te klein had geschat, concludeerde men dat net ten westen van Amerika Japan moest liggen, aldus de hele Grote Oceaan over het hoofd ziend. Bovendien hadden de Portugezen de afstand van Malakka tot de specerijeilanden schromelijk overschat, zodat die volgens de Spanjaarden dus in Spaans gebied lagen.

Ironisch genoeg was het een Portugees, Fernão de Magalhães, die dat in 1519 voor Karel V uitrekende. Prompt kreeg hij vijf schepen en 234 manschappen ter beschikking om de specerijen uit de Portugese klauwen te redden. Dat dat niet zo eenvoudig was mag blijken uit het feit dat drie jaar later slechts één schip met aan boord nog 21 mannen zijn thuishaven Sevilla bereikte. Ook Magalhães, of Magallanes op zijn Spaans, had er het leven bij ingeschoten, op de heenweg al - maar hij had er wel zijn Straat mee verdiend, de doorvaart tussen de zuidpunt van het Amerikaanse continent en Vuurland.

Nadat de Portugezen schoon schip hadden gemaakt met de Spanjaarden, die zich met hangende pootjes op de Filippijnen terugtrokken, kregen ze het aan de stok met de inlandse bevolking van de specerijeilanden. Door een paar stomme confrontaties met sultan Baab, die er prat op ging koning te zijn van 27 eilanden tussen Celebes en Nieuw-Guinea en daardoor ook van de specerijen, dolven ze hun eigen graf. De sultan gijzelde hen vijf jaar lang in hun eigen fort en schopte ze vervolgens het land uit.

Daarmee was Europese overheersing slechts tijdelijk afgewend: begin zeventiende eeuw kwamen de Hollanders en de Engelsen. Aanvankelijk huldigden die de Venetiaanse aanpak, maar al heel snel stuurden de Hollanders, vooral op instigatie van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, aan op het veroveren van het wereldmonopolie in de specerijenhandel en op een politieke tirannie over de eilanden. Corn beschrijft hoe de Hollanders zich immens impopulair maakten bij de inlanders door forten te bouwen en exclusiviteitscontracten te eisen, terwijl de Engelsen, geliefd omdat ze zich niet bemoeiden met inlandse zaken, hun scheepjes vol kruidnagel en muskaat laadden en gezwind weer huiswaarts voeren.

De Nederlandse gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen kon aanvankelijk niets anders doen dan toekijken. De inlandse gezagdragers stuurde hij een brief waarin hij verordende "dat elk individu dat handelt met de Engelse natie met de dood zal worden gestraft, en dat we de vrijheid hebben hun stad te vernietigen en daar een fort te bouwen als de gemeenschap weer op gelijke wijze inbreuk maakt". Het mocht niet baten. Hoe meer hij uitgedaagd werd, hoe repressiever Coen reageerde. Ten slotte zou hij de Engelsen Nederlands-Indië gewoon uit schieten, zodat de Compagnie er werkelijk heer en meester was.

Voor de inlanders begon de tragedie op dat moment pas. Toen de bewoners van het eiland Lonthor zich in 1623 verzetten tegen de overheersing en een in aanbouw zijnd fort aanvielen, waarbij negen Nederlanders de dood vonden, stelde Coen voor op het hele eiland de dorpen te slopen, de inwoners te deporteren en ze te vervangen door slaven. Zijn staf keurde het plan af, maar besloot toch in actie te komen tegen de aanvallers. Van de 15.000 bewoners van Lonthor zouden er 14.000 gedood worden. Intussen hingen de vruchten aan de nootmuskaatbomen te rotten. Het is wraakroepend, schrijft Corn, dat Coen nog steeds een standbeeld heeft in het Nederlandse stadje Hoorn.

In 1667 werd het Hollands-Engelse geschil voorgoed beslecht. Het kleine eilandje Run, in 1603 de eerste Engelse kolonie, werd geruild voor het in de monding van de Hudson gelegen Nieuw-Amsterdam. Run bleef Run, Nieuw-Amsterdam zou zoals bekend uitgroeien tot Manhattan, New York. Nederlands-Indië was nu volledig in Hollandse handen, wat het 250 jaar zou blijven, ondanks enige speldenprikken van kapitein Cook en een paar van zijn Amerikaanse collega's. De specerijeilanden werden een toevluchtsoord voor iedereen die in het calvinistische Nederland niet kon aarden: vrijdenkers, gefailleerden, mislukte studenten, oneervol ontslagenen, oplichters en huurophalers, allen konden ze terecht in wat een Leidse hoogleraar in 1678 noemde "een echt riool van een land, waarin alle rotzooi uit Holland stroomt".

Tegen de achtergrond van deze geschiedenis schildert Corn de belangrijkste steden uit het verhaal. Hij neemt ons mee naar het Amsterdam van Rembrandt, het Londen van Defoe en Pepys en het Salem van Adams en Hawthorne. We lezen hoe de grachtengordel aangelegd wordt, hoe de grote brand de Engelse hoofdstad grotendeels in de as legt en hoe de peper de Nieuwe Wereld binnenkomt.

Ook met interessante personages laat hij de lezer kennismaken. Neem nu de Fransman Pierre Poivre - nomen est omen -, die als eerste op het idee kwam dat er misschien een veel eenvoudiger weg was om het Hollandse specerijenmonopolie te doorbreken dan een oorlog. Waarom gewoon niet een paar jonge boompjes verplanten naar een ander eiland? Hij begon in 1770 een eigen plantage op Mauritius, met gestolen nootmuskaat- en kruidnagelbomen, en werd er steenrijk mee. Toen hij stierf, sloeg zijn weduwe een zekere Pierre Samuel Dupont de Nemours aan de haak. Het stel trouwde en verhuisde naar de Verenigde Staten, waar de man met het aangetrouwde kapitaal een bedrijf uit de grond stampte dat een van de grootste chemische concerns ter wereld zou worden.

Het zijn details als deze die van Sporen van het paradijs een uitzonderlijk boek maken. Corn is zo goed gedocumenteerd dat hij verbanden weet te leggen die een ander makkelijk over het hoofd zou zien - het teken waaraan de ware deskundige zich laat kennen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234