Maandag 06/07/2020

Vadermoord als politiek wapen

Waarom Yves Leterme niet moet klagen als zijn partij hem ‘vraagt’ even opzij te gaan staan

Yves Leterme die zich als eerste minister terugtrekt in West-Vlaanderen, goed en wel, maar zo pijnlijk ‘de verantwoordelijkheid’ (moeten) dragen van de voorbije drie jaar, dat had hij niet bedoeld. Maar zijn biecht vanochtend was een schitterende zet, vintage CVP/CD&V, in de bloederige traditie van hun eigen gewijde geschiedenis: die van de vadermoord.

Geen twijfel over: had men Yves Leterme zijn private wil laten doen, dan had hij zich bij deze stembusgang teruggetrokken in ‘zijn’ West-Vlaanderen. Daar kan hij steun zoeken bij gelijkgestemden, terwijl hij zich anders had moeten verantwoorden voor de slechtste en dus kortste legislatuur van de laatste kwarteeuw. Dat de regering Leterme II erg voortijdig zou vallen, was begin deze week eigenlijk al duidelijk. Maar wie is hiervoor verantwoordelijk? Als een nieuwe ontsnappingskoning Houdini probeerde Yves Leterme zijn eigen polsen van elke schuld te bevrijden: ‘De val van de regering is niet mijn verantwoordelijkheid.’ Eén dag later moest hij feitelijk op zijn eigen woorden terugkomen. Moest Yves Leterme publiek erkennen (niet woordelijk maar wel voor de goede verstaander) dat hij in persoon het alfa en het omega is van wat er de jongste drie jaar fout liep in dit koninkrijk. Hij. Niet CD&V. Het individu, opgeofferd aan het collectief. Hoewel dat collectief in 2007 niéts zou zijn geweest zonder het exquise individu genaamd Leterme. Maar zo brutaal is politiek.

Hij deed het omdat in de beste christen-democratische traditie zowel de eerste minister als de partij hun handen in onschuld kunnen wassen. Het is een briljante beweging. Eén die én CD&V verlost van de demonen uit de laatste jaren (de partij die de zaken scherp stelt), én die CD&V in staat stelt nieuwe (en vooral redelijk mensen) naar voor te schuiven (Marianne Thyssen, Steven Vanackere), én in West-Vlaanderen de eigen partij nog eens voluit ruimte laat om de martelaar te spelen: men gunde het “onze Yves” niet, die zoveel jaren zijn verantwoordelijkheid had genomen.

Maar dat is show. Waar het op aankomt, is dat men voor het eerst in jaren een toppoliticus slachtoffert voor de verkiezingen. In regel is dat erna. En dan is het helemaal geen christendemocratische exclusieve dat er dringend ‘bloed aan de paal’ moet komen als de partij verliest. Dan is de regel, over alle partijen en ideologieën heen: hoe forser en onverwachter de nederlaag, hoe dikker en roder dat bloed. Meestal leggen toppolitici hun eigen hoofd onder de guillotine, kwestie van de eigen partij een Sint-Bartolomeusnacht te besparen. In 1995 kon Guy Verhofstadt de zetelende rooms-rode coalitie niet kraken, prompt vertrok hij op sabbatical leave naar Toscane. Toen Agalev in 2003 weggespoeld weg, had Jos Geysels minder dan 24 uur nodig om zijn ontslag als partijleider in te dienen. Voor een gelijkaardige geste zorgde Jean-Luc Dehaene na de CVP-nekslag in 1999, waarmee hij de allereerste oppositiekuur van zijn partij bezegelde sinds de jaren vijftig. En na hem deed Johan Vande Lanotte hetzelfde in 2007, toen hij de socialisten voor het eerst sinds 1987 weer de oppositie in joeg. Ze wisten dat er executies te wachten stonden, en ze maakten alvast de eigen borst bloot.

Maar de conclusie blijft: ‘bloed aan de paal’ is een keiharde tactiek die elke meerderheidspartij van tijd tot tijd toepast. En omdat de christendemocraten, weze het als CVP of later als CD&V, historisch gezien dé regeringspartij in Vlaanderen zijn, komt bij hen deze vorm van politieke (zelf)moord het frequentst voor. En, als gevolg daarvan, treft het onvermijdelijk hun belangrijkste en grootste leiders. Als zij verliezen, is het namelijk extra pijnlijk.

Voorbeelden? Het historische CVP-kopstuk Gaston Eyskens - voor de jonge lezers: op beslissende momenten in de vaderlandse geschiedenis eerste minister, en verder vandaag wel eens gereduceerd tot de vader van Mark Eyskens, ook premier, ook veelvoudig minister, onder meer van Financiën en Buitenlandse Zaken - werd meer dan eens door zijn eigen partij in de rug geschoten. Driemaal eigenlijk - wat pijnlijk is, want Eyskens sr. was ook driemaal eerste minister: in de vroege jaren vijftig, zestig en zeventig. En driemaal kwam hij niet ten val door socialistische of liberale oppositie, maar door intriges in zijn eigen achterban.

De eerste keer, na de koningskwestie, was bijzonder pijnlijk. Om een (zeer) lange historie (erg) kort te maken: de CVP was voor de terugkeer van Leopold III, maar de verstandigsten in de CVP-leiding, Gaston Eyskens voorop, beseften dat alleen de troonsbestijging van Leopolds’ zoon Boudewijn de monarchie - en wellicht het land - kon redden. Binnen de CVP voelde de basis aan dat de leiding minder principieel was geweest dan gewenst. En dus werd er in de schoot van de CVP een schaamtelijke ‘onderzoekscommissie’ opgericht. Die moest alle eigen kopstukken ondervragen - versta: grilleren en martelen. Roddels van Leuvense nonnetjes - zijn kinderen zijn niet voor de koning - werden als ernstige getuigen aanvaard.

Toen Eyskens sr. een tweede keer premier werd, bracht zijn eigen partijvoorzitter Theo Lefèvre hem ten val. Het mes in de rug van een eerste minister die ineens niet meer nuttig was: Lefèvre wilde een ‘grote coalitie’ met de socialisten, Eyskens sr. leidde daarvoor een rooms-blauwe kabinet, dus de kopman moest sneuvelen. In zijn memoires is Gaston Eyskens erg bitter: “Zelf werd ik in de campagne door mijn eigen partij buitenspel gezet. Ik vernam op het hoofdkwartier van de CVP in de Tweekerkenstraat dat mijn aanwezigheid op verkiezingsbijeenkomsten niet op prijs werd gesteld. Mijn medewerkers kregen te horen dat ik ‘niet toonbaar” was of als “een provocateur” zou worden beschouwd. Staatsman Gaston Eyskens in de karikatuur van “een provocateur”: niet door socialisten, liberalen of communisten, maar door eigen christendemocraten: zo fel kan een dolk in de rug dus prikken.

Eyskens overkwam het nog een tweede (na de staking tegen de Eenheidswet, begin jaren zestig) en zelfs een derde keer. In de herfst van zijn politieke carrière, toen het land niet meer wist hoe ‘het spook van mei ’68 te temmen’ - en dus de splitsing van de Leuvense universiteit, wat zijn consequenties had op het unitaire België - zou niemand minder dan ‘grand old man Gaston Eyskens nog eens de regeringen leiden die een staatshervorming moesten uitwerken. Dat lukte. Tot hij in eigen partij, voornamelijk door de eigen jonge garde, partijvoorzitter Wilfried Martens op kop, wederom in de rug werd geschoten. Als Yves Leterme ergens troost wil halen, moet hij de memoires van vader Eyskens maar eens lezen. Het betreffende hoofdstuk heet erg toepasselijk ‘het einde’. Om een lang verhaal kort te maken: Eyskens sr. had zich in 1972 geriskeerd in een compromis rond de gewesten - het befaamde grondwetsartikel 107 quater. Zijn partij, de CVP, onder leiding van de ‘radicale’ voorzitter Wilfried Martens, verdedigde haar eerste minister eigenlijk niet. Hoewel Eyskens’ initiatieven gedragen werden door een - kleine - meerderheid binnen de CVP, alsook door de socialistische coalitiepartner, vroeg Martens aan Eyskens om niets te doen dat “indruiste tegen de belangen van de CVP”.

Hij voelde dat hij met één been op het schavot werd gezet, en dus hield Gaston Eyskens de eer aan zichzelf: “De komedie die door de CVP-leiding werd gespeeld, haar intriges, alle denkbare en ondenkbare moeilijkheden die ze me voor de voeten had geworpen, overtuigde mij ervan dat ik er beter mee kon ophouden. Gezien de handelswijze van de CVP-leiders vond ik het ook beneden mijn waardigheid nog met hen samen te werken.” Eyskens nam nog één maal het woord: voor de verzamelde fracties. Toen hij zijn plan verdedigde, sprak niemand. Gaston Eyskens wist dus dat niemand hem steunde. Ook niet de aanwezige ministers. Hij gaf onmiddellijk een afscheidsredevoering (waarvan de inhoud historisch was, gezien de feiten van deze week: “Ik kantte mij ook tegen een federalisme met drie. In zo’n constructie is het niet onmogelijk dat Wallonië en Brussel zich tegen de Vlaamse deelstaat zouden keren.”) En ook: “Tot slot drukte ik ook mijn hoop uit dat de CVP nooit door de Volksunie zou worden voorbijgestoken.” Na zijn speech zei niemand iets. Geen woord. Een akelige stilte, die pas doorbroken werd toen zijn ‘vijand’ Theo Lefèvre opstond en “mij bedankte voor alles wat ik had gedaan”. En toen ging het licht uit.

Wilfried Martens was een van de CVP’ers die, misschien ongewild, Gaston Eyskens liquideerden. In de vroege jaren tachtig was hem evenwel hetzelfde lot beschoren. Na een aantal kortstondige regeringen, dumpte de CVP in 1981 Wilfried Martens om hem te vervangen door Mark Eyskens, zoon van, in een regering die op de premier na amper van samenstelling wijzigde. Volgens de bijbelse gezegden van die tijd, werd Martens “de woestijn in gestuurd”. Er gebeurden zogezegd ‘vreselijke zaken’ met hem, zoals het feit dat hij ineens de trein moest nemen - een lot dat zich na zijn nieuw ontslag als premier, begin jaren negentig, andermaal voltrok. Stel je voor. Nadien werd Martens opnieuw premier. Hij nam zelf zijn voorganger - en aartsvijand - Leo Tindemans in zijn regering op. Martens wist goed dat hij persoonlijk nooit zo populair zou worden als Tindemans, een soort pre-Leterme, zij het met nog veel meer stemmen, haast een miljoen. Maar hoe meer Tindemans centraal stond, hoe minder goed het land geleid werd. Het is en blijft een opvallende parallel met Leterme.

Het is ook de doem van de grootste partij van het land: af en toe is men verplicht zijn eigen nummer één te liquideren. Soms omdat de man (tot nu toe nog geen vrouw) zelf niet om kan met het eigen electorale gewicht - zie Tindemans, zie Leterme. Soms omdat die kopman om andere redenen hinderlijk werd - zie Eyskens, zie Martens. Maar hun eigen partij had voor haar eigen kopmannen hetzelfde schavot: één met een guillotine erop.

En dan vloeit het bloed bij beken, inderdaad. Want het is zelfs voor een machtspartij niet evident om haar oude boegbeeld zomaar te dumpen. Zo’n operatie leidt altijd tot een vadermoord. Dat kan alleen voltrokken worden door of de troonopvolger uit de eigen partij, of door een van zijn/haar paladijnen. In de huidige CD&v-constellatie: benieuwd of Marianne Thyssen voor zichzelf gaat, of dat Steven Vanackere of Kris Peeters in de coulissen wachten. Voor Yves Leterme zijn de hoogdagen voorbij. Die is afgevoerd, zelfs volgens het klassieke recept: niet door de oppositie, maar door zijn eigen partij. Aan het kruis genageld, en niet gegund een Verlosser te zijn.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234