Maandag 16/05/2022

Vader van Iraks woedende wezen

In Najaf beten de Verenigde Staten met het grootste leger ter wereld deze week hun tanden stuk op de 30-jarige radicale geestelijke Moqtada al-Sadr, die zich met het pauperleger van Mehdi verschanste in het belangrijkste sjiitische heiligdom ter wereld: het mausoleum van imam Ali. Doordat zich daar het graf van de schoonzoon van de profeet bevindt blijft hij in de moslimwereld onaantastbaar, maar het is vooral het sociale netwerk van zijn vermoorde vader dat de jonge Moqtada de status verleent om te beslissen over oorlog of vrede in Irak.

Maarten Rabaey

Moqtada al-Sadr is nog maar net 30 jaar, maar geldt nu al als de verpersoonlijking van Iraks recente bloedige geschiedenis, ook van het hoofdstuk dat sinds de eerste Golfoorlog door de Amerikanen werd geschreven. Hij dankt zijn huidige status vooral aan zijn naam. Hij is de vierde zoon van grootayatollah Mohammed Sadeq al-Sadr, die samen met zijn twee broers, Mouamil en Mustafa, door het dictatoriale Iraakse regime van Saddam Hoessein werd vermoord in 1999. Moqtada en zijn derde broer Mortada bleven alleen achter.

De familie had bij de dood van de patriarch al een gewelddadige historiek achter de rug. Moqtada's vader had zich al in 1980 als publieke tegenstander van Saddams Baath-regime gemanifesteerd, op de dag dat hij de lichamen in ontvangst kreeg van zijn neef en nicht. Al-Sayyid Mohammed Baqir al-Sadr (in de Iraakse volksmond 'de eerste Sadr' genoemd) en zijn zus Bint al-Huda waren, ook al op bevel van dictator Saddam, geëxecuteerd. Moqtada's grootoom Baqir was in de jaren zeventig als architect van een islamitisch economisch model een van de lichtende voorbeelden van de ultraconservatieve Iraanse ayatollah Khomeini, die in 1979 het sjahbewind omverwierp.

Moqtada's vader volgde hem op, was niet alleen grootayatollah maar ook marjaa, een spirituele wijze. Onder de sjiieten moet zo'n marjaa aan veel academische en theologische voorwaarden voldoen, maar sommigen kunnen het sneller worden dan anderen als ze uit een familie komen met een lange traditie van religieuze dienstverlening. De Al-Sadrs kunnen zich daarop beroepen. Hun familie groeide op in Al-Kadhemiya, een district van Bagdad op de oevers van de Tigris. Ze ontleenden hun macht vooral aan lineaire familiebanden met het Huis van de Profeet, via Imam Jaafar al-Sadeq, de theoloog achter de invloedrijke School van Twaalf Imams.

Na de terechtstelling van zijn vader erfde de jonge Moqtada dan ook niet alleen de verantwoordelijkheid voor zijn moeder en de weduwes van zijn broers, die net zoals zijn vrouw overigens dochters zijn van Baqir al-Sadr, maar ook de plicht om het werk van zijn vader af te maken. Onder zijn aanhangers doet nu het verhaal de ronde dat hij als 25-jarige "als een leeuw oprees" tussen de rouwenden rond zijn vaders graf en zwoer hem te wreken. In werkelijkheid zou hij zich stilhouden en theologie studeren, daarbij nauwlettend in de gaten gehouden door de Iraakse geheime dienst.

Pas bij de val van Saddams regime vorig jaar trad hij op de voorgrond. In de moskee van Kufa, waar ooit de eerste sjiitische imam Ali hem voorafging, begon hij met scherpe uithalen aan het adres van de bezettingstroepen. In zijn toespraak mengde hij radicaal islamisme met Arabisch nationalisme. Elke speech sloot hij af met de slogan 'Nee aan Amerika, nee aan Israël en nee aan het terrorisme'. Het scherpst is hij voor de collaborerende Irakezen die samenwerken met de VS, 'ongelovigen' die volgens hem een gewisse dood verdienen.

Het hek is van de dam als de voorlopige Iraakse bewindsraad in maart onder bevel van Washington zijn opruiende krant Al-Hawzah sluit en hem in april wil arresteren op verdenking van de moord in Najaf op de de Amerikaansgezinde Abdul Majid al-Khoei, de erfgenaam van een invloedrijke ayatollah die gedood werd voor het schrijn van imam Ali toen hij uit ballingschap terugkeerde. Die aanslag paste in het kader in de niet aflatende machtsstrijd om het religieuze leiderschap van de sjiieten, dat nu in handen is van de gematigde en door Iran openlijk gesteunde grootayatollah Al-Sayyid Ali al-Sistani.

Al-Sadr ontkent elk aandeel in de moord en zijn 'Leger van Mehdi', in het zwart geklede strijders met groene hoofdband, komen in heel Irak in opstand. De sjiitische elite en kleine middenklasse steunt hem niet maar onder de have-nots, de meerderheid van de bevolking, rijst zijn ster gestaag. Volgens een enquête die begin juli werd geciteerd in de Libanese kwaliteitskrant Daily Star is 81 procent van de Irakezen hem gunstiger gezind dan in het begin van zijn opstand; 64 procent van de ondervraagden geloven dat hij de eenheid van Irak versterkte.

Op het terrein was daar evenwel niets van te zien: de gevechten namen toe in aanloop naar en na de machtsoverdracht van eind juni. Ze laaiden de afgelopen weken op nadat de overgangsregering van interim-premier Iyad Allawi te kennen had gegeven dat Al-Sadr zich moet schikken naar de nieuwe wetten, waaronder de opnieuw ingevoerde doodstraf. Al-Sadr gaf pas gisteren, nadat tientallen doden gevallen waren onder zijn militie, te kennen voorwaardelijk te willen onderhandelen.

Of hij een verantwoordelijkheid in het nieuwe Irak aankan betwijfelen veel politieke waarnemers. "Moqtada werd gekatapulteerd tot spirituele leider van tienduizenden mensen, ook al is het twijfelachtig dat hij voorbereid is voor die taak. De zinnen die hij spreekt zijn onvolledig en onbeholpen, en missen soms overtuigingskracht, niet meteen wat je zou verwachten van een man voor wie het gesproken woord zijn belangrijkste opdracht is. De clerici van Irak zijn doorgaans meesters in retoriek, maar Moqtada zeker niet", schreef Hazem al-Amin, journalist van de Egyptische kwaliteitskrant Al-Ahram, die hem eerder deze zomer in Najaf bezocht. Opmerkelijk: tot een interview kwam het daarbij niet. "Zijn gesprekken glijden telkens af in dialect", stelde de verslaggever vast. "Als een publieke spreker haalt hij met moeite het niveau van de gemiddelde geletterde Irakees."

Toch is het niet verwonderlijk dat zijn aanhangers dat door de vingers zien. Ze delen volgens Al-Amin meestal zijn geschiedenis. "We mogen niet vergeten dat Moqtada's vader en broers niet vermoord werden in een ver verleden. Ze stierven nauwelijks vijf jaar geleden, pas geleden is dat in een land waar de herinnering aan de doden gedurende decennia en soms eeuwen verderleeft in de slogans en rituelen van hun volgelingen", stelt Al-Amin.

"Wat vandaag in Najaf en andere zuidelijke steden gebeurt weerspiegelt dat. Moqtada's verwarring is niet alleen de manier waarop hij spreekt, maar ook wat hij zegt. Soms spreekt hij zichzelf binnen het etmaal tegen. Het ene moment roept hij op tot jihad tegen de Amerikanen, de volgende dag kondigt hij aan klaar te zijn om een wapenstilstand te onderhandelen. Die aarzeling heeft niet alleen te maken met zijn persoonlijkheid. Moqtada's ambivalentie weerspiegelt de dubbelzinnigheid van de Iraakse sjiieten. Ze twijfelen tussen getrouwheid aan de radicale Moqtada en zijn religieus zwaarbeladen familie-erfenis of het traditionele leiderschap van de gematigde sjiitische grootayatollah Al-Sistani. Ze worden door beide zijden heen en weer geslingerd tussen contradictorische fatwa's en andere religieuze edicten."

De spanningen onder de sjiieten gaan terug tot Moqtada's vader. Ayatollah Mohammed Sadeq al-Sadr brak met de hiërarchie van de conservatieve clerici, en richtte zijn eigen machtsbasis op, vooral gestoeld op een directe relatie met de Iraakse stammen. Daardoor verbreedde hij zijn aanhang. Moqtada zelf heeft bij de Iraakse stammen lang niet zoveel steun als zijn vader. De clanhoofden in Najaf hebben zijn Leger van Mehdi al herhaaldelijk gevraagd op te hoepelen uit de heilige stad. Hun loyauteit ligt bij de vreedzame koers die door Al-Sistani wordt gevaren. Enig eigenbelang is hen daarbij niet vreemd. Najaf is naast een religieus heiligdom ook een traditionele handelsstad. De kooplui hebben geen baat bij oorlog.

In Najaf vond Al-Sadr wel steun in de armere buitenwijken, waar bevriende migranten uit het zuiden van Irak wonen. Dat is ook zo in Bagdad. Sinds de val van Saddam heet de sjiitische wijk van de hoofdstad niet langer Saddam City, maar Sadr City, een eerbetoon aan Moqtada's vader.

Sadr-stad is een stad-in-de-stad: twee miljoen inwonende sjiieten hebben er tegenwoordig hun eigen scholen, weeshuizen en ziekenhuizen, hun eigen vuilnisdienst, hun eigen kledingvoorschriften en zelfs hun eigen rechtbanken, waar jonge volgelingen van Moqtada de sharia toepassen. Sadr-stad biedt een indruk van het Irak dat Moqtada voor ogen staat. Een Irak waar de sjiitische meerderheid de dienst uitmaakt en minderheden van Koerden en soennieten zich maar hebben te schikken. In die sjiitische armoewijk rekruteert Al-Sadr ook vooral de leden van zijn 10.000 man sterke Mehdi-militie. Meer dan Najaf en Kufa, waar hij eigenlijk woonde, ligt daar zijn werkelijke machtsbasis.

Moqtada recupereert er de angst van de arme stedelijke migranten, die jaren gezucht hebben onder de terreur van Saddam maar ook de bezettingsmacht uit de VS liever kwijt dan rijk zijn. Washington heeft bij de arme sjiieten afgedaan sinds de beloofde steun voor hun opstand na de eerste Golfoorlog uitbleef. Duizenden mensen werden tijdens de sjiitische revolte door Saddams troepen gedood. Moqtada senior was de enige die ze daarna nog vertrouwden.

Wars van de doctrines van de religieuze ayatollahs, die van 1992 tot de aanstelling van Al-Sistani in 1999 in een opvolgingsstrijd waren verwikkeld, bouwde hij zijn populariteit en macht op een uitgebreid liefdadigheidsnetwerk waar vooral de armsten van profiteerden. Maar dat werd hem ook fataal. Voor Saddam werd Al-Sadr senior een bedreiging voor zijn macht. Zijn moord, vlak bij het heiligdom van imam Ali, voelden vele sjiieten dan ook aan als een aanslag op hun surrogaatvader. Als ze vandaag met zovelen voor Moqtada betogen is dat omdat ze zich samen met hem nog altijd woedende wezen voelen, opnieuw gepasseerd door Iraks nieuwste politici.

Al-Sadr heeft dan ook niet zomaar aangekondigd dat bij zijn dood de strijd tegen de Amerikanen gewoon zou doorgaan. Het is een dreigement dat in Washington en bij de nieuwe Iraakse regering niet in dovemansoren zal vallen, want reëel. De familieopvolging mag dan niet meteen verzekerd zijn, de acolieten van Al-Sadr hebben zich al goed georganiseerd mocht hij verdwijnen. Ze krijgen daarvoor de hulp van Al-Sayyid Kazem al-Hairi, een ayatollah die gevestigd is in Iran en goede banden had met zijn vader. Rond Moqtada werd een aantal sjeiks geplaatst die een cruciale rol spelen in zijn acties: sjeik Qais al-Khaza'li, momenteel de woordvoerder van het Mehdi-Leger, sjeik Jaber al-Khafaji, opperrechter van hun religieuze rechtbank de Al-Hawza al-Natiqa, sjeik Mustafa Al-Ya'qoubi, sjeik Al-Sayyid Mohammed al-Tabtabai, onlangs gearresteerd door de Amerikanen, en sjeik Al-Sayyid Riyad al-Nouri, een bevelhebber binnen het Leger van Mehdi.

Nu grootayatollah Al-Sistani in Londen voor een hartkwaal verzorgd wordt en wellicht niet toevallig net voor het offensief tegen Najaf vertrok, zien zij hun kans schoon om hun macht te verruimen. Ondanks de gevechten zijn ze daarin geslaagd. In Bagdad en andere steden kwamen niet alleen sjiieten maar ook leden van de soennitische minderheid voor het Leger van Mehdi op straat. De mobilisatiekracht van het liefdadigheidsnetwerk dat vader Al-Sadr stichtte werkt nog steeds.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234