Zaterdag 08/05/2021

Uppercut

'Wie mens en wereld echt wil doorgronden, verdiept zich beter in de evolutietheorie dan in Hamlet of Macbeth', schreef Joël De Ceulaer ooit. Bullshit, vindt schrijver Yves Petry, die hem een uitdagende brief schreef. De Ceulaer nam de handschoen op en diende hem van repliek. De heren maken zich nu op voor de publieke confrontatie in de boksring van het Beurskafee op woensdag 1 maart. Moderator is opiniërend hoofdredacteur Bart Eeckhout.

YVES PETRY

Schrijver

Beste Joël De Ceulaer,

Wellicht bent u bekend met de Edge Foundation, een organisatie die ijvert voor de verspreiding van een zogeheten derde cultuur. Bedoeld wordt daarmee de dialoog tussen wetenschappers en het bredere publiek aangaande kwesties van algemeen belang: wie we zijn, waar we vandaan komen en waarheen we gaan. De eerste en de tweede cultuur zijn de literaire en de wetenschappelijke, het traditionele domein van respectievelijk de alfa's en de bèta's. De derde cultuur begint wanneer die laatsten de rol van publiek intellectueel op zich nemen en hun ideeën ook buiten de muren van hun instituut invloed krijgen.

John Brockman, oprichter van de Edge Foundation, stelt dat hij snel en slim denken wil laten prevaleren 'boven de plaatselijke verdoving van de wijsheid'. Daarmee is een zekere toon gezet. Intellectuelen uit de eerste cultuur - schrijvers, filosofen, psychoanalytici, de vrienden van de literatuur, zeg maar - worden afgedaan als een soort van artsen uit een prewetenschappelijk tijdperk, die met verbale lapmiddeltjes de pijn van de onwetendheid hooguit kunnen verdoven maar niet genezen. Een lezend publiek, dorstend naar inzicht, dient dringend serieuzere dokters te consulteren!

Persoonlijk was ik met die derde cultuur al vertrouwd nog voor ik van de term had gehoord. De boeken van Richard Dawkins, Daniel Dennett, Steven Pinker heb ik decennia geleden leren kennen. Ik richt me nu tot u omdat u volgens mij die boeken ook kent. Alleen trekken wij er klaarblijkelijk tegenovergestelde conclusies uit wat betreft de positie van literatuur.

Ikzelf vond voornoemde boeken boeiende lectuur. Vaak was ik al aangenaam getroffen door de zorg die de auteurs ervan besteden aan hun stijl en de compositie van hun verhaal. Feiten en inzicht, allemaal goed en wel, maar het moet ook op meeslepende wijze gebracht worden, anders gaat het vervelen. Net als bij een roman. Ongetwijfeld heeft de wetenschap ook iets grondig veranderd aan mijn zelfbeeld. De evolutionaire en kosmische dimensies waarbinnen ik beweeg, de amper voorstelbare complexiteit die ten grondslag ligt aan zelfs de geringste handeling die ik verricht - een scherper besef daarvan heeft mij bevrijd van bepaalde pretenties en heeft mijn ik voorgoed een diepe bescheidenheid ingeboezemd met betrekking tot wat het weet, is en kan. Maar bij nader inzien was dat allerminst een reden om mezelf het betoverende genoegen van de literatuur te ontzeggen.

Als ik u mag geloven, was ik beter geen schrijver geworden. Uw veelvuldige sneren naar het literaire bedrijf suggereren dat de derde cultuur de eerste in intellectueel opzicht zo goed als overbodig maakt. Het is maar goed, schrijft u ergens, dat literaire auteurs niet langer in het centrum van het maatschappelijk debat staan. Wetenschap, beweert u verder, maakt het complexe eenvoudig en literatuur het eenvoudige nodeloos complex. Op die manier zou wetenschap tot inzicht leiden en literatuur, tja, op zijn best tot illusoire vertroosting en troetelpraat. Vreemd. Mijn ervaring is namelijk dat echte wetenschap het begrip van de dingen juist zodanig compliceert dat ze de grond weghaalt onder goedkope stellingen als 'Wij zijn ons brein'. Actieve wetenschappers zul je zoiets niet gauw horen beweren. Zij kennen hun grenzen. Zijn zich zeer bewust van wat ze niet weten. Bovendien koesteren ze vaak een vermoeden van verwantschap tussen artistieke en wetenschappelijke creativiteit. Het is meestal slechts de propagandist van de wetenschap, zelf wetenschaps- noch kunstbeoefenaar, die in naam van een ingebeelde eenvoud de prestaties van de artistieke verbeelding bagatelliseert.

Ik acht het best mogelijk dat wetenschap voor u alleen maar een alibi is om uw neerbuigendheid voor literatuur de vrije loop te kunnen laten. Tenslotte is die mentaliteit oeroud en leefde ze al toen er van moderne wetenschap nog geen sprake was. Dogmatische religies en ideologieën hebben altijd op gespannen voet gestaan met de expressieve vrijheden die kunstenaars zich permitteren. Droogstoppels bestaan al zo lang als er dichters zijn. Als niet de wetenschap het alibi is, dan is het wel de wil van God of de smaak van het volk, het heil van de natie, het nut van het algemeen, het primaat van de economie of simpelweg het gezonde verstand.

Bepaalde mensen claimen de logica van het wereldgebeuren te kennen en verdragen niet dat anderen een afwijkende logica lijken te volgen. Of erger nog, helemaal geen logica. Want kenmerkend voor een individueel mensenleven is de ongrijpbaarheid, de ongerijmdheid soms, van de motieven.

Elk bewust individu ervaart een spanning tussen wat leven werkelijk is en wat daarover gezegd kan worden. Juist dat noem ik zelfbewustzijn. Ik vat het op als een persoonlijke opdracht om die spanning uit te houden en haar niet in voorbarige algemeenheden te laten oplossen. Wat ik meemaak, wil ik even uniek als reëel vinden. Eenmalig, onherleidbaar en toch belangrijk. Dat vraagt een zekere moed, die ik onder meer uit de literatuur probeer te putten. Ook die verdiept zich immers in het lotgeval van het individu; geeft het substantie en betekenis zonder het per se te willen verklaren. Als we allemaal wat meer op onze uniciteit zouden staan, ons leven meer op literaire wijze beleefden, zouden we onszelf mogelijk interessanter leren vinden - en daardoor uiteindelijk ook elkaar. Wie het werkelijk goed voor heeft met het samenleven, móét wel een vriend van de literatuur zijn. Waarom u dan niet?

Sportieve groeten, Yves Petry

JOËL DE CEULAER

Senior writer De Morgen

Beste Yves Petry,

Laat ik maar ineens tot bekentenissen overgaan. Ik heb mij in het verleden weleens een tikje neerbuigend uitgelaten over u en uw lotgenoten. Niet over de literatuur, nooit over de literatuur, maar wel over schrijvers, meer bepaald: over Vlaamse schrijvers. Zo heb ik de binnenkant van de modale Vlaamse literator ooit vergeleken met - en ik citeer - "een uitgestrekte zandvlakte waar, behoudens de occasionele windvlaag, niets van betekenis gebeurt". Dat was nogal polemisch uitgedrukt, maar zoals u weet is de polemiek een eeuwenoud literair genre - dat wij, vind ik, intens moeten koesteren.

Die zandvlakte, uit een Knack-column van twee jaar geleden, was niet mijn eerste sneer naar de Vlaamse auteur. In 2012, toen ik voor De Standaard schreef, heb ik in een essay eens uitgelegd waarom schrijvers volgens mij niet langer thuishoren in het centrum van het maatschappelijk debat. Het is een misverstand, betoogde ik in dat artikel - titel: 'Kijk mama, zonder inhoud!' - dat schrijvers "visionaire lieden zijn, die over een bevoorrechte kennis van de werkelijkheid beschikken. Dat zij hun volk kunnen gidsen en leiden en verheffen. Omdat ze ons kunnen waarschuwen voor de gebreken van onze tijd, voor de dreigingen van morgen. Omdat ze gevoeliger zijn, omdat ze dieper en verder zien dan wij, gewone stervelingen. Omdat ze een zesde zintuig hebben voor wat echt belangrijk is. Dat misverstand moet dringend de nek worden omgewrongen."

U hebt het zelf onlangs nog bewezen. In mijn bijzijn, als wilde u mij per se extra munitie geven voor dit debat. Na een opiniestuk van u over het falen van links bracht ik u samen met sp.a-voorzitter John Crombez voor een dubbelinterview. Toen Crombez zei dat leerlingen mét en leerlingen zónder migratieachtergrond ongelijk worden behandeld, sprak u de historische woorden: "Dat druist helemaal in tegen mijn intuïtie." Nu kan ik mij voorstellen dat uw intuïtie goed van pas komt aan de schrijf- of pokertafel, maar in het centrum van het maatschappelijk debat heeft ze de impact van een windvlaag op een zandvlakte. U lijdt vast aan nog een heleboel andere intuïties, over oorlog en vrede, over de wereldeconomie, over vluchtelingenstromen en de honger in de wereld - maar als u het goed vindt, gaan we daar het beleid toch maar niet op afstemmen.

Als wij de werkelijkheid willen begrijpen, mijnheer Petry, schieten wij met onze intuïtie niets op. Dan hebben wij cijfers nodig, onderzoek, inzicht, duiding, kennis. Niet zelden staat wetenschappelijke kennis zelfs volkomen haaks op menselijke intuïtie - denk maar aan de evolutietheorie, die weinigen écht begrijpen, of aan de quantumtheorie, waar zelfs kenners van beginnen te duizelen. Maar dat weet u vast allemaal, want u hebt de exponenten van de derde cultuur grondig gelezen. Toch? Ja? Mag ik dan vragen waarom u nog altijd met de psychoanalyse dweept? Van Steven Pinker en anderen zou u moeten geleerd hebben dat Sigmund Freud een deerniswekkende kwakzalver was, die zijn intuïtie voor de waarheid hield. Een beetje zoals u, soms.

U schrijft dat ik neerbuigend doe over literatuur. Ik neem aan dat het uw intuïtie is die hier spreekt, want ik zou niet weten waaruit u dat meent te kunnen afleiden. De voorbije jaren lees ik, grotendeels beroepshalve, vooral non-fictie, maar tot mijn veertigste heb ik mij murw gelezen in de literaire sector. Ik word in mijn schrijfkamer liefdevol omringd door de oeuvres van Austen, Auster, Boyd, Brouwers, Coetzee, Dostojevski, Flaubert, Hermans, Kafka, Mulisch, Reve, Van den Broeck - en talloos vele anderen. Kijk, daar staan ook úw titels: De maagd Marino, onder meer, dat ik trouwens goed vond.

Maar kunst vergelijken met wetenschap? Nee, laten we dat maar niet doen. In mijn eigen boek Gooi God niet weg leg ik uit waarom. Toen u besloot om mij uit te dagen had u het wellicht zo druk met schrijven dat u vergat om eerst dat boek te lézen. Mijn visie staat er nochtans helder in uitgelegd - ik citeer: "De wetenschappelijke methode werkt altijd in dezelfde richting: van complexiteit naar eenvoud. De wetenschapper kookt in, reduceert, brengt complexe verschijnselen terug tot dezelfde onderliggende mechanismen. De kunstenaar doet precies het tegenovergestelde. Hij kookt niet in, hij kleedt in. Hij maakt van het banale iets bijzonders, van het algemene iets unieks. Hij voegt betovering en mysterie toe aan wat in essentie evengoed als tamelijk alledaags kan worden beschouwd - het leven, de liefde, de dood. De wetenschapper gaat net omgekeerd te werk, hij zoekt de universele wetmatigheid achter het unieke, hij vervangt betovering en mysterie zo goed en zo kwaad als het kan door een verklaring. Stukje bij beetje, want achter elke verklaring schuilt doorgaans een nieuw mysterie. De wetenschapper doet in kennis, de kunstenaar in betekenis. De wetenschapper onttovert, de kunstenaar betovert."

Doe ik hier neerbuigend over literatuur? Toon ik mij geen vriend van de literatuur? Is dat een sneer naar het literaire bedrijf? Wil ik iemand het betoverende genoegen van de literatuur ontzeggen? Onzin. Als u dat beweert, hebt u nog eens bewezen wat bewezen moest worden: laat schrijvers vooral schrijven, en hou ze weg van het debat. Samen met mijn intuïtie kijk ik er erg naar uit u straks in de boksring te mogen treffen.

Hartelijke groet, Joël De Ceulaer

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234