Dinsdag 15/06/2021

Ultieme aanval op het cynisme

Het was ter ere van de honderdste verjaardag van de eerste beklimming van de Galibier dat de Ronde van Frankrijk een speciale aankomst organiseerde op een van de hoogste en alleszins de meest legendarische Alpencols. Andy Schleck maakte er een eerbetoon in stijl van. Op die voorwereldse col, tussen rotsen in sneeuwflarden, vlakbij het monument van Tourstichter Henri Desgrange, daar heeft de jongste broer Schleck deze Desgrange alle eer aangedaan, en deze Ronde van Frankrijk gered van de kleinheid waarin ze dreigde te sukkelen.

'Soms moet je in het wielrennen plannen durven maken." De ogen van Joos Posthuma staan doodmoe en tegelijk vreselijk gelukkig. Posthuma was stap één van de viertrapsraket die Team Leopard had gepland voor de koninginnenrit naar de top van de Galibier, met zijn 2.645 meter de hoogste aankomstplaats ooit uit de geschiedenis van de Ronde. Leopard was het eindelijk beu om de wedstrijd te moeten ondergaan. Het uitgekozen terrein om zelf het heft in handen te nemen, was dus de rit naar de Galibier. Een loodzware Alpenetappe: meer dan 200 kilometer lang, en voor de Galibier werden twee andere 'tweeduizenders' beklommen, de Agnel en Izoard. De rit had het profiel waar geschiedenis kán geschreven worden. Het is deels op dit terrein dat de stof werd geleverd voor boeken als Hemel en hel op een stukje leer: jongensromantiek voor mannen, lyrische evocaties van de daden, de plannen en de durf van al die historische kampioenen, weze het uit de zwart-witjaren van Gino Bartali, Fausto Coppi en Louison Bobet, tot de vroege kleuren-tv-periode van Eddy Merckx of Bernard Hinault.

Het is aan dat soort wedstrijden en ritten dat het wielrennen zijn status dankt van 'sport van legenden': een sport waar niet alleen man tegen man vecht, maar waar de renners zich ook meten met de natuurkrachten. Het was ook een gevecht tegen de aloude Galibier met zijn immer slopende flanken, zijn eindeloos dure beklimming, zijn kruin die zo hoog is dat zelfs als de zon er schijnt het leven verkilt en renners verkleumen. Op de Galibier is niets banaal.

Op die Galibier ging dus Andy Schleck. Of beter gezegd: daar won Andy Schleck. Het was het prachtige einde van een aanval waarvan ze bij Leopard eigenlijk zelf niet hadden durven dromen dat de rit zo zou aflopen. Het tactische plannetje waar Joost Posthuma naar verwees, had namelijk een voorgeschiedenis. De twee ritten daarvoor - eerst naar Gap, over het nijdige colletje 'de Manse', dan naar Pinerolo, over het al even verraderlijke slotklimmetje van Pramartino, had Leopard vooral achtervolgd, zaten de Schlecks in het kamp waar de klappen vielen, of dreigden te vallen. In de afdaling van de Pramartino was Contador wéér ontsnapt, weer met zijn vriend Samuel Sanchez. Anders dan de vorige rit, maakten de Schlecks de achterstand wél goed. Correctie: de Schleck. Enkelvoud. Na de rit verzekerde men bij Leopard dat Andy Schleck in zijn eentje, zonder echte steun van de andere renners, een gat van vijftien seconden had gedicht.

Drietrapsraket van Leopard

En dat gaf Leopard moed voor een geheim strijdplan. Een drietrapsraket, eigenlijk. Eerst zouden twee helpers ontsnappen. Eén hardrijder (Joost Posthuma), één klimmer (Maxime Monfort). Die moesten al weg zijn op de Agnel, en het was de taak van de hardrijder ervoor te zorgen dat de klimmer met voorsprong zou doorkomen op de Izoard. Dat was trap één. Ongeveer op de top van de Izoard zou die klimmer dan de steun moeten zijn van, jawel, Andy Schleck, die volgens planning dan al in de tegenaanval zou gegaan zijn vanuit de groep achtervolgers. Waarom Andy en niet Fränk? Omdat Andy meer dan een minuut slechter geklasseerd stond: hij moest dus de meeste tijd terugpakken, hij zou het gemakkelijkst kunnen ontsnappen, en als hij zou mislukken, was het klassement van Fränk nog gered, en kon diezelfde Fränk op zijn beurt gaan. Dat zou dan trap drie zijn.

Het plan werd perfect uitgevoerd. Perfecter dan perfect, eigenlijk. Hoewel de omstandigheden niet echt meezaten. Op de Lauteret (zo heet het eerste deel van de Galibier) stond een bijzonder strakke wind, pal in het nadeel. Volgens de wielerlogica is aanvallen in die omstandigheden een vorm van zelfmoord. Maar Leopard had ook niet veel andere alternatieven om de Tour overhoop te zetten. En dus ging Andy en kreeg hij steun van Posthuma en Montfort, op en na de Izoard. Een col waarvan Jacques Goddet ooit zei: "Het privilege van de Izoard is de ware kampioenen te tonen."

Andy Schleck was tot nu toe nog geen 'ware kampioen'. Een getalenteerde wielrenner, zeker wel, een renner die al een paar jaar de bergritten van de Tour kruidt en animeert, een jongen die het publiek voor zich inneemt en charmeert. Maar een Ware Kampioen? Daarvoor is één Luik-Bastenaken-Luik en een paar aardige Tours toch wat weinig.

Maar jongens worden man. In deze ene rit is Andy Schleck tot een hogere liga toegetreden. With a little help from my friends, of beter: from my foes.

Toen Schleck demarreerde, werd door de andere toppers zichtbaar geaarzeld. Eén snok, en Andy was weg. Niet één van de favorieten die zelfs maar probeerde hem te volgen. Schleck was weg en klom gezwind, en zo deed ook zijn voorsprong. "Ik ben klaar voor geel", zei Andy Schleck terecht achteraf. "Ik ben naar hier gekomen om de Tour te winnen."

Maar niemand die zich zorgen maakte op de Izoard. Volgens de cynische wielerlogica moet men vooral lekker afwachten tot na de afdaling van de Izoard, tot er gereden wordt in de windtunnel die de vallei van Briançon naar Lautaret-Galibier is. Daar Andy Schleck zichzelf laten afmatten, intussen de helpers laten rijden en het gat verkleinen, en dan in de slotklim op en over Andy Schleck. De wereld is aan de wachters. Schleckske zou wel de prijs van de strijdlust krijgen, haha. Die prijs kreeg hij inderdaad, en dat was het enige deel van de redenering van de achtervolgers dat klopte. Vooral omdat de achtervolgers niet deden wat van hen verwacht werd, namelijk achtervolgen. Ze lieten hun ploegmaats wel rijden, of toch een aantal, maar dat volstond niet. En zelf bleven ze wachten. Daardoor verloren ze terrein, en vooral veel tijd.

Toen de voorsprong tot een heel stuk boven de vier minuten sprong, was er paniek. Eerst bij Alberto Contador, die als een paard wat ging hinniken aan de kop van de kudde, maar al snel stopte. En toen van Cadel Evans. Eigenlijk was Evans de enige kopman die - wellicht te laat - deed wat onvermijdelijk was, wat Andy Schleck al uren aan het doen was, en wat per slot van rekening de naakte essentie van wielrennen is: fietsen. Trappen. Koersen.

Het is tegelijk zo oer- en zo on-Cadels. Cadel op de counter: zo rijdt hij altijd. Evans in zijn eentje, alleen jagend, trappend, niet om hulp vragend die hij toch niet zou krijgen: dat is zelden gezien. Want net zoals de andere kopmannen niet één keer hun helpers te hulp kwamen in de jacht achter Schleck, lieten ze Cadel Evans in zijn eentje zachtjes creperen. Ook dat was een misrekening. Want van het ogenblik dat Cadel zich laag over zijn stuur legde, liep de voorsprong van Andy Schleck terug. En uiteindelijk moesten bijna alle andere 'pretendenten' allemaal zelf afhaken bij het tempo dat Cadel Evans ontwikkelde. Ook, vooral en eigenlijk in de eerste plaats Alberto Contador. En danseuse verachterde hij. Een drievoudig Tourwinnaar, en daar blijft het zeker dit jaar bij.

Wie de nieuwe Tourwinnaar wordt, is alles behalve duidelijk. Thomas Voeckler behield nog altijd de gele trui. Dankzij Evans, die hij niet één meter wilde helpen. Wie wil weten waarom Voeckler zo immens impopulair is in het peloton, moet de wedstrijd maar analyseren van de bekkentrekkende, schaamteloos profiterende gele trui. Goed, Voeckler zat ook aan zijn limiet, maar hij vertikte het zelfs zijn luitenant Pierre Rolland één meter te laten helpen in de redding van het geel van zijn eigen kopman. Geen halve centimeter, zelfs. En het blijft merkwaardig hoe die Voeckler, die de twee vorige dagen moeite had op ritten die eigenlijk passen bij een renner van zijn gabarit, ineens de bijna-allerbeste-klimmersbenen terugvindt als de hoogste en zwaarste cols eraan komen.

Historisch

Tot de laatste hectometers bleef Voeckler in het spoor van Cadel Evans. In zijn eentje had die de voorsprong van Andy Schleck gehalveerd, tot een dikke twee minuten. Waardoor de finale Alpenrit naar L'Alpe d'Huez bijzonder belangrijk wordt. De Galibier heeft de verschillen in kwaliteit tussen de renners in de verf gezet, en tegelijk de verschillen in tijd nog meer verkleind. En wat met de verschillen in fysieke inspanning? Betalen Andy Schleck en Cadel Evans de tol van hun inspanningen? Hoe diep kunnen ze vandaag nog gaan, en hebben ze nog jus over voor de tijdrit van morgen in Grenoble?

Maar dat zijn overwegingen voor later. Op de Galibier overheerste bewondering en respect. Andy Schleck had de voorbije dagen niet goed gereden, en behaalde eerst en vooral de mooiste overwinning: op zichzelf. Soms gebeurt dat. Eddy Merckx die in 1971 door Ocaña niet zomaar wordt geklopt, maar vernederd, en de volgende - vlakke - rit een historische tegenaanval opzet. Historisch, niet zozeer door de (beperkte) tijd die hij terugnam, maar vooral door het lef waarmee de aanval werd opgezet, de durf waarmee het werd uitgevoerd. Dat is nog vaker gebeurd, voor en na Merckx. Door Charly Gaul, die in 1958 uit een verloren positie terugvocht en in een door- en door verregende rit door de Chartreuse-cols meer dan tien minuten nam. Door Greg LeMond, die in 1986 op achterstand werd gereden door zijn eigen ploegmaat Bernard Hinault, en één dag later diezelfde Hinault - dé Hinault - een paar minuten aan de broek smeerde. En natuurlijk ook in 2006, toen gele trui Floyd Landis op La Toussuire door de knieën ging, en een dag later naar Morzine een vlucht opzette die toen "de ontspanning van de eeuw" heette, maar uiteindelijk het bedrog van het jaar bleek.

Renners die de rug rechten en terugvechten: het hoort bij de essentie van 'hoe kampioenen rondes winnen', of het alleszins proberen. Het unieke aan de aanval van Andy Schleck is niet dat hij durfde aanvallen, als element van een tactisch plan (dat is nog al gebeurd), wel dat hij een laffe manier van koersen een nederlaag aansmeerde. Het was een aanval op het cynisme: op het rekenen tot na de komma, op het wachten en kijken en loensen, op tactiek die meer gebaseerd is op het uitbuiten van de zwaktes van een ander dan de demonstratie van eigen kwaliteiten, op een mentaliteit waar men hoopt dat een ander wél positief en aanvallend koerst, omdat men dan pas ten volle kan profiteren van de inspanningen van een ander. "Er is alleen maar afgewacht tot nu. Iedereen kijkt naar elkaar. Daar had ik geen zin meer in. Ik moest zelf het initiatief nemen", verklaarde Andy Schleck.

Met vereende krachten hebben hij en ergens ook Cadel Evans op de Galibier vooral dat cynisme een nederlaag aangesmeerd. Al zullen cynici zeggen: wacht maar tot vandaag, op Alpe d'Huez. Welja. Het kan hen opbreken. Maar het moet niet. Want optimism is a moral duty, en leidt ook tot een hogere vorm van sport.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234