Zondag 09/08/2020

Pandemie in de kunst

Uitgestorven straten leven meer dan je denkt

Charles Marville, 'Quais de l'Ecole et de la Mégisserie', 1877.Beeld vergue.com

Pandemieën die hele maatschappijen lamleggen zijn sinds jaar en dag een onuitputtelijke bron van inspiratie voor kunstenaars, van filmmakers tot schrijvers en fotografen. Of hoe wat we nu ervaren al eerder aan bod kwam in de kunst, al dan niet in licht gedramatiseerde vorm. Vandaag: de verlaten straten in foto’s en schilderijen.

De eerste mens die gefotografeerd is, kwam op de foto omdat hij stil stond. Hij moest wel: zijn schoenen werden gepoetst. Toen Louis Da­guerre in 1839 in Parijs zijn camera naar buiten richtte, op de Boulevard du Temple, zag hij een drukke straat. Karren, koetsen in alle maten en mensen van alle rangen en standen die over de brede weg heen en weer bewogen. Toch was daar op de foto die hij maakte niets van te zien. De boulevard was perfect eenzaam, schreef de Amerikaanse schilder en uitvinder Samuel Morse verbaasd toen hij de foto zag.

Op dat ene individu na dan, linksonder in beeld, dat zijn laarzen liet poetsen. De sluitertijd was zo’n twintig minuten geweest en het grootste deel van die tijd had deze heer in dezelfde houding gestaan, zodat zijn silhouet op de koperen plaat was achtergebleven. Daguerre was nauwelijks bezig met wát er op zijn foto, de daguerreotype, te zien was, het ging hem erom de techniek geschikt te maken voor een groter publiek.

Hoewel de fototechniek die eerste jaren met sprongen vooruitging, bleef de sluitertijd (de tijd die nodig is om voldoende licht op de gevoelige plaat te laten vallen) nog lang aan de lange kant voor de beweeglijke mens. Toen Charles Marville tussen 1865 en 1877 van Parijs de opdracht kreeg de straten van de stad te fotograferen, leken ze nog steeds uitgestorven. Alleen een grijzige nevel boven het straatoppervlak verraadt een grote bedrijvigheid. Dat kwam de opdrachtgevers en de fotograaf juist goed uit: het was hen niet om de mensen te doen, maar om de gebouwen. Alleen de nieuwsgierige buurtbewoners die lang genoeg uit hun raam hingen om naar die zeldzame fotograaf te kijken werden vereeuwigd.

In de schilderkunst maakte de Italiaanse kunstenaar Giorgio di Chirico ­begin twintigste eeuw in Parijs veel indruk met zijn schilderijen van lege straten en pleinen. Vaak zijn ze gedramatiseerd met lange, scherpe schaduwen en voorzien van een of meer klassieke standbeelden of juist iets moderns, zoals een stoomtrein. ‘Metafysische schilderkunst’ noemde de kunstenaar het zelf: hij wilde schilderen wat onzichtbaar was. 

Carel Willink, 'Straat met standbeeld', 1934.Beeld rv

Hij was daarbij sterk beïnvloed door de filosoof Friedrich Nietzsche, die diepere betekenissen suggereerde achter de oppervlakkige verschijning van dingen. Zelf had De Chirico onverwachte gevoelens bij vertrouwde plekken. Ook gebruikte hij vaak Romeinse arcades, omdat die volgens hem het noodlot verbeeldden. Na de Eerste Wereldoorlog ging hij andere kanten uit in zijn schilderijen, maar in de jaren zestig kwam hij terug bij zijn lege steden met de scherpe, surreële schaduwen.

Imaginair realisme

Ook Nederlandse kunstenaars verbeeldden die onheilspellende stemming, alleen niet bij een blauwe lucht. Carel Willink maakte meerdere schilderijen waarop de straten leeg of bijna leeg zijn, er een felle zon schijnt én de hemel een dramatische regen- of hagelbui aankondigt. ‘Imaginair realisme’ noemde hij het zelf. 

Hij zag De Chirico als een van zijn grootste voorbeelden. In het werk van Willink – in normale omstandigheden uitgebreid te zien in kasteel Ruurlo – zijn dezelfde klassieke beelden te zien als bij de Italiaanse kunstenaar. Die standbeelden brengen de toeschouwer in de war, alsof de laatste mensen als bij toverslag versteend zijn. Willink zet daarnaast vaak een of twee personages. Niet om er een verhaal mee te vertellen, maar om de schaal aan te geven. En juist door met die enkele persoon de afwezigheid van meerdere mensen te benadrukken. Precies zoals Pieter Saenredam eeuwen eerder al deed bij zijn grootse, bijna lege kerken.

Misschien wel de meest bekende en geroemde verbeeldingen van de mens in de leegte komen van Edward Hopper. Anders dan bij Willink ligt de nadruk bij Hopper meer op de ruimtes waar de moderne mens zich veel ophoudt: de huiskamer, de bar, de bioscoop. De lichtbronnen (zon of kunstlicht) zijn zelden in beeld, maar bepalen als in een film de sfeer.

Er is nog iets dat Hoppers werk zo geliefd maakt: hij geeft zijn personages een uitzicht dat alleen zij kunnen zien. Ze zijn verdiept in een boek, een gesprek of een film waar wij, toeschouwers, de inhoud niet van weten – het verhaal moeten we zelf verzinnen. Of hij laat ze in stilte turen uit het raam, naar het landschap buiten.

In Bazel is op dit moment een tentoonstelling ingericht met vooral de minder bekende schilderijen van Hopper, die van het landschap. Die tentoonstelling was door het coronavirus gesloten, maar is inmiddels verlengd tot 26 juli.

Edward Hopper, 'Cape Cod Morning', 1950.Beeld Smithsonian American Art Museum
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234