Zaterdag 18/01/2020

'U meldt mij dat er drie lijken zijn ontdekt in mijn tuin. Ik benontsteld'

Welkom in het leugenpaleis. In de eerste uren en dagen leggen de drie arrestanten de meest waanzinnige verklaringen af. Een terugblik op de eerste uren van de zaak-Dutroux vertelt ons natuurlijk niet veel over de feiten zelf, maar wel iets over de soms opmerkelijke capaciteiten van de verdachten als overtuigde maar niet zo overtuigende jokkebrokken.

door DOUGLAS DE CONINCK

Plaats van het gebeuren: de chaotische hoeve met de vele autowrakken errond in de rue Rubignies 43 in Sars-la-Buissière. Het tijdstip begint met een ongeluksgetal. Het is dinsdag 13 augustus, 14 uur stipt. De targets van Operatie Obelix, zoals de finale zoektocht naar Laetitia Delhez is gedoopt, heten Marc Dutroux en Michelle Martin. Maar in de hoeve is nog een hoop ander volk aanwezig. Frédéric (12 jaar), Andy (3 jaar), Céline (8 maanden) zitten rond de keukentafel. De kinderen worden tijdelijk toevertrouwd aan hun oma, Henriette Puers. Zijn verder, toevallig, ook nog in de hoeve aanwezig: een zekere Michel Lelièvre en een voor de speurders al even onbekende Nicolo Mazzara. Het is niet geheel duidelijk waarom de een wel en de ander niet in de boeien wordt geklonken.

Als de speurders op dit ogenblik weten wat ze enkele weken later weten, dan nemen ze gegarandeerd ook Mazzara mee voor verhoor. Hij werkte in augustus 1995 in een bordeel in Blankenberge, op 35 meter van de plaats waar An en Eefje het casinogebouw verlieten. Maar op dag 1 van Operatie Obelix is nog geen sprake van An en Eefje. Procureur Michel Bourlet en onderzoeksrechter Jean-Marc Connerotte hebben slechts één doel voor ogen: de al vier dagen vermiste Laetitia Delhez uit het Waalse Bertrix terugvinden.

De hoeve is doorzocht. Geen spoor van Laetitia. Andere huizen zijn doorzocht. Niks. Onder leiding van - weer hij - BOB'er René Michaux is ook een team afgedaald in de kelder van Dutroux' huis in Marcinelle. Voor de derde keer staat hij met zijn neus voor de kinderkooi en ziet hij ze niet. Een politiehond zal even later blaffen na een vergelijkend besnuffel van een kledingstuk van het vermiste meisje en de binnenkant van de Renault Trafic die door twee getuigen in Bertrix is opgemerkt. Er zijn de strafbladen van Dutroux en Martin. Er is die dikke map over Operatie Othello. En er is de intuïtie van de speurders. Marc Dutroux heeft het op een lopen gezet toen hij het politieleger in zijn tuin neer zag strijken. De speurders wéten dat ze goed zitten. Het is nu enkel een kwestie van de verdachten aan de praat te krijgen.

Marc Dutroux, in zijn allereerste verhoor: "Ik was bang en trachtte mezelf te redden. Ik werd meer bepaald bang toen ik een man uit een wagen zag stappen met een machinegeweer. Ik kreeg niet de tijd om ver te lopen, want na een tiental meters had hij me vast. Aangezien hij niet schoot, meende ik dat hij het niet op mij gemunt had. Dus ik ben gestopt. Ik werd ter plaatse geïmmobiliseerd en ik kreeg een blinddoek over mijn ogen. Ik kreeg handboeien om en werd naar de rijkswachtbrigade in Charleroi overgebracht. Tot op heden heb ik het raden naar de redenen waarom ik ben opgepakt. Ik heb geen enkel idee over het motief (...). U zegt mij dat ik zeer vaag ben in mijn antwoorden en dat u me ervan verdenkt bepaalde zaken te verbergen. Ik antwoord u dat ik grote psychologische problemen heb. Ik word gevolgd door een psychiater in Brussel, de heer Emile Dumont. Ik bezoek hem eenmaal per maand in het ziekenhuis La Ramée in Ukkel. Ik ben daar de laatste keer geweest twee weken geleden. Hij heeft me toen Rohypnol voorgeschreven. Ik lijd aan crisissen van wanhoop. Ik revolteer tegen mijzelf. Ik lijd aan geheugenverlies. Ik vergeet alles.

"U vraagt me naar mijn tijdsgebruik, vorige week, vanaf donderdag 8 augustus 1996. Ik herinner mij niets. Over het algemeen herinner ik me alleen de belangrijke dingen. Het enige belangrijke dat ik mij herinner, is dat ik op 3 augustus ben gaan stempelen. Aangezien ik mij niets herinner, wil ik ook niet liegen. En dus zeg ik u niets. Aangezien u me er nu al een kwartier lang van tracht te overtuigen om op deze vraag te antwoorden, zegt u mij dat het verhoor vanaf nu zal verlopen volgens de formule van vraag en antwoord (...)."

Heeft u de afgelopen vijf dagen de regio Charleroi verlaten?

"Dat is mogelijk, het is zelfs zeker aangezien ik me bedenk dat ik zondag naar Brussel ben gegaan om een wagen op te halen. Ik ben bij Jean-Michel Nihoul geweest, die langs de kleine ring in Brussel woont (...)."

Wat hebt u de voorbije vijf dagen verder nog gedaan?

"Ik heb niets bijzonders gedaan. Ik kan me niets herinneren (...)."

Leent u uw huis aan anderen?

"Ja, dat is al gebeurd. In elk geval: de laatste tijd niet meer. Als ik mannen en vrouwen ontmoet, nodig ik ze uit bij mij thuis om te blijven slapen. Niet noodzakelijk voor seksfuiven, maar dat kan ervan komen (...)."

Hebt u de laatste dagen de actualiteit wat gevolgd?

"Nee, ik heb geen idee wat er in België is gebeurd. Ik kijk geen televisie en lees alleen l'Echo de la Bourse, als ik daar zin in heb. Vandaag heb ik enkel de titels overlopen."

Kent u mensen met de voornaam Laetitia?

"Neen." (1)

Ook de houding van Michelle Martin kan niet echt coöperatief worden genoemd. Ze heeft zowat de hele namiddag van 13 augustus zitten snikken en blijkens het politierapport gaat er bijna acht uur overheen voor men een verstaanbaar woord uit haar krijgt. "Hebt u nog steeds geen idee in welke context wij u ondervragen?", probeert een van haar ondervragers.

Michelle Martin: "Ik heb het huiszoekingsbevel gezien dat me is voorgelegd en ik kon daarop lezen: 'Ontvoering Laetitia.' Ik weet dus wel waarover dit gaat. Ik veronderstel dat er verdenkingen rusten op Marc en dat u bijgevolg in zijn omgeving zoekt. Wat er ook van zij: ik zeg u op de meest formele wijze dat ik met deze zaak niets te maken heb (...). Vorige week ben ik naar Dinant gegaan met mijn moeder en mijn drie kinderen. Mijn zoon Frédéric heeft op de kabelbaan gezeten. Ik herinner me dat ik het ticket heb bewaard, om het in het fotoalbum te plakken. Het ticket bevindt zich in het salon, in de koffiemolen op het buffet." (2)

In het hem toegewezen hoekje zit Michel Lelièvre driftig te snuiven en zijn ondervragers van hun laatste sigaretten te beroven. Hij voelt zich niet zo lekker, zegt hij. Hij is geschrokken. Hij was daar gewoon, toevallig. Niets om iets achter te zoeken.

Bent u al in de Ardennen geweest?

Michel Lelièvre: "Ik ben niet meer in de Ardennen geweest sinds ik vijftien jaar was en bij de scouts zat. Ons kamp was in Vresse-sur-Semois. Mijn grootouders hadden een caravan in Rochehaut, maar die hebben ze vijf jaar geleden verkocht (...). Ik heb Marc Dutroux vrijdag noch zaterdag gezien." (3)

In die hele zaak-Dutroux is er geen grotere kluns dan eerste opperwachtmeester René Michaux. Hij zal, zoals hij die dag zelf al kan vermoeden, de komende weken héél veel stront over zich heen krijgen. Hij zal moeten toegeven, weet hij, dat hij op spectaculaire wijze gefaald heeft en dat men hem verantwoordelijk zal houden voor de dood van twee kleine meisjes van acht uit Grâce-Hollogne. En toch oogst Michaux die dag, heel even dan, lof van de magistraten in Neufchâteau. Niemand kan of durft vandaag speculeren over hoe het zou zijn gegaan als Michaux die dag die reflex niet zou hebben gehad.

Het is 19.30 uur 's avonds wanneer de speurders in de rijkswachtkazerne Lelièvre zijn identiteitskaart teruggeven en hij hen tot zijn gigantische opluchting hoort zeggen: "U mag beschikken." De speurders zien geen reden om hen aan te houden. Dat komt ter ore van Michaux, die de naam Lelièvre destijds heeft zien opduiken tijdens Operatie Othello. Je vindt er niks van terug in het dossier, maar de luttele dingen die daar staan, bevestigen hoe een speurder in Neufchâteau het ons ooit vertelde: "Michaux is toen als een gek beginnen te roepen en bellen. 'Lelièvre laten gaan, zijn jullie helemaal gek geworden?!' Het is dankzij hem, enkel dankzij hem, dat Connerotte ervan kon worden overtuigd om hem weer op te pakken."

Dat gebeurt om 20.55 uur, nadat diverse rijkswachtcombi's de straten van Charleroi hebben doorkruist, op zoek naar de wankele junkie. (4) Ze vinden hem in de buurt van het station. Het vermoeden bestaat dat Lelièvre, als hij wat meer tijd had gekregen, stante pede het land was ontvlucht. Wat hij in dat anderhalve uurtje vrijheid heeft gedaan, is onduidelijk. Mogelijk heeft hij vanuit een telefooncel contact opgenomen met Michel Nihoul.

Het is Lelièvre die in de namiddag van 15 augustus als eerste tot bekentenissen zal overgaan. Pas daarna zal Dutroux door de knieën gaan. Maar je kunt niet zomaar concluderen dat dat zonder Lelièvre nooit zou zijn gebeurd. Want echt overtuigend komt hij tijdens zijn verhoren niet over. Na twee uur pauze wordt, nog steeds op dinsdagavond, de ondervraging hervat.

Wat hebt u gedaan op vrijdag 9 augustus 1996?

"Niets speciaals (...)."

Wat hebt u gedaan op zaterdag 10 augustus 1996?

"Dat weet ik niet."

Wat hebt u gedaan op zondag 11 augustus 1996?

"Dat weet ik niet meer, behalve dat ik een auto ben gaan halen in Brussel, zoals ik al uitlegde."

Wat hebt u gedaan op maandag 12 augustus 1996?

"Dat weet ik niet meer (...)."

Na een lang intermezzo en vele stiltes gebeurt er eindelijk wat. De verdachte neemt zelf het woord. "Ik denk dat dit nu lang genoeg heeft geduurd. Ik ben bereid om u de hele waarheid te vertellen over de zaak die u bezighoudt. Ik ben wel degelijk op de hoogte van de verdwijning van Laetitia. Er is trouwens een hele mediaheisa aan de gang omtrent die zaak. 's Anderdaags heb ik op de radio gehoord dat men over haar sprak. Hoewel ik niet weet wat dat meisje overkomen is, ben ik wel van het een en ander op de hoogte. In feite heb ik vrijdag, in de loop van de dag, mijn woning verlaten. Ik ben met mijn mobilhome van het merk Renault met nummerplaat FRR672 vertrokken. Ik reed zonder bestemming, ik ben op goed geluk gestopt. Ik herinner me dat ik in een stad terechtkwam waar ik vernam dat er een brommertjeskoers aan de gang was (...). Tijdens een afdaling ging het steeds minder goed met de motor van mijn voertuig. Ik parkeerde de wagen langs de kant van de weg (...). Ik opende de zijdeur en ging achteraan zitten om een fruitsapje te drinken. Vervolgens zag ik een mooi meisje voorbij wandelen. Ze was gekleed zoals meisjes doen in de zomer: heel kort. Ik herinner me niet precies welke kleren ze droeg. Ze was alleen en liep op straat. Toen ze voorbijkwam, groette ik haar. We zijn een gesprek begonnen.

"Ik legde haar uit dat ik problemen had met de motor. We babbelden wat. Ik vroeg haar of ze binnen wou komen. Ze zei ja. Ze bleek geïnteresseerd in de mobilhome en ik zei: 'Je mag gerust binnenkomen.' Ik vroeg haar of ze de stad kende. Ze kwam naast me op het bankje zitten (...). Ik babbelde wat om haar leeftijd te kennen. Ze zei dat ze vijftien jaar oud was of zoiets. Ze zei dat ze het beu was, dat er problemen waren in haar familie (...). Toen ik haar leeftijd vernam, was ik teleurgesteld. Ik zei tegen mezelf: dit is niet goed en ik wil geen problemen. We zijn van elkaar weggegaan (...). Zij is teruggegaan naar Bertrix. Ze is nooit in mijn huis geweest en ik heb haar nooit wat te eten gegeven (...). Ik bevestig dat dit de meest strikte weergave van de waarheid is." (5)

Er zijn vier dagen verstreken. Dutroux en Lelièvre zitten al een paar fasen verder. Ze hebben allebei bekentenissen afgelegd, ook over de ontvoering van An en Eefje. Marc Dutroux heeft verteld over Julie en Mélissa en hoe hij Bernard Weinstein vermoordde. Hij is in Sars-la-Buissière hun begraafplaatsen gaan aanwijzen en de drie lijken zijn gevonden. Het land staat nu helemaal in rep en roer. Tv-journaals wijden extra uitzendingen aan de gruwel van wat nu al een vertrouwd begrip is in de mond van elke Belg: de zaak-Dutroux. In het verhoorzaaltje van de gerechtelijke politie in Aarlen is dat tot een van de arrestanten echter nog niet helemaal doorgedrongen.

Michelle Martin, 17 augustus 1996: "U meldt mij dat er op aanwijzing van mijn echtgenoot drie lijken zijn ontdekt in mijn tuin te Sars. Volgens Marc gaat het om de lichamen van de kleine Julie en Mélissa en van Bernard Weinstein. Ik ben ontsteld. Ik begrijp niet hoe hij die meisjes zomaar kan doden. Ik verzeker u dat ik niet op de hoogte was van deze lijken in mijn tuin (...). Ik ken het huis in Marcinelle, ik woonde er van 1991 tot 1994. Ik heb daar nooit een verborgen ruimte gezien. Ik hoorde op de radio dat men daar een ondergrondse ruimte heeft ontdekt of iets van die aard. Ik heb nooit zoiets gezien." (6)

We weten inmiddels dat Martin van elk van de ontvoeringen op de hoogte was, dat ze de kinderkooi hielp bouwen, nu en dan kookte voor Julie en Mélissa en hen - naar eigen zeggen - eind januari 1996 tot de dood veroordeelde. Ze bevond zich alleen in de kelder met twee zakken voedsel, maar gaf die niet aan de twee meisjes. Het kwam ook niet in haar op om hen vrij te laten.

Deze drie verdachten voelden in die eerste dagen de grond onder zich wegzinken. Ze logen, zoals criminelen dat heel vaak doen, zich vastklampend aan die vage hoop dat de 24 uren zouden verstrijken waarin de politie het recht heeft om hen vast te houden en niets zouden vinden. Hoop, dat de speurders slechts bluften. Hoop, dat er zo nog ergens een klein mirakeltje in de lucht hing, waarna ze verder nog wel zouden zien. Er is weinig abnormaals aan de eerste verhoren van Dutroux, Lelièvre en Martin. Er was dan nog die vierde verdachte. Ze zijn ontelbaar, het aantal processen-verbaal van verhoor van Michel Nihoul, die met de hand op het hart verzekerde dat hij een principieel tegenstander was van wat voor vorm van drugs ook en zich geschokt voelde door het feit dat men hem daarvan zelfs maar durfde te verdenken. Drugs, dat was iets voor marginalen. Niet iets voor een heer van stand als hij.

Michel Lelièvre legde de speurders uit hoe hij op zaterdag 10 augustus, enkele uren na de ontvoering van Laetitia, 1.000 xtc-spullen moest gaan ophalen bij Nihoul in Brussel. Een zestal getuigen bevestigde dat de oplichter al sinds eind april in het bezit was van een voorraad van 5.000 van die pillen, met een gezamenlijke straatwaarde van 2,5 miljoen frank. Hij had de pillen in het bezit gekregen tijdens het klissen - op zijn aangeven - van de Britse drugsdealer David Walsh door de Brusselse BOB. Inmiddels weten we dat Nihoul wel degelijk Dutroux en Lelièvre bevoorraadde, met name op 10 augustus 1996.

Liever dan een zoveelste politierapport te citeren, nemen we het boek erbij dat Nihoul in 1998 zelf schreef. Het heet Geruchten en Feiten. Op pagina 171 lezen we: "Lelièvre zou zich wreken. Kort na zijn arrestatie in de zaak-Dutroux zal men bij hem thuis en bij zijn vrienden xtc vinden. Hij verklaarde aan de politiemensen dat ik de dealer was en dat ik bevoorraadde bij de BOB. Lach niet, ze geloofden hem. Grappig hé?"

(1) Marc Dutroux, 13 augustus 1996, BOB Marche-en-Famenne, pv 100.199.

(2) Verhoor Michelle Martin, 13 augustus 1996, GP Aarlen, pv 2.529.

(3) Verhoor Michel Lelièvre, 13 augustus 1996, BOB Neufchâteau, pv 100.208.

(4) Vaststellingen, 13 augustus 1996, BOB Neufchâteau, pv 100.207.

(5) Verhoor Marc Dutroux, 13 augustus 1996, BOB Marche-en-Famenne, pv 100.200.

(6) Verhoor Michelle Martin, 17 augustus 1996, GP Aarlen, pv 2.540.

Het leugenpaleis in Neufchâteau: de eerste verklaringen van Marc Dutroux, Michelle Martin en Michel Lelièvre

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234