Zondag 18/04/2021

'U komt als geroepen,meneer'

In eigen land is hij rijk en beroemd. Maar zou Gorki-zanger Luc De Vos ook in New York kunnen doorbreken? Begin mei waagde hij zijn kans. 'Ik kreeg een idee: ik verleid die Amerikanen met een aantal liedjes in het Engels en wat covers van The Strokes en The Pixies of zo, maar wanneer ik daar sta, in Carnegie Hall, begin ik opeens in het Nederlands te zingen, die gasten gaan niet weten wat ze horen. Wat een grap!'

Genoeg gelanterfant. Ik ben hier in New York om door te breken en ik heb mijzelf tien dagen tijd gegeven. Er zijn al twee dagen voorbij. In acht dagen moet het ook lukken. Ik had het al een keer geprobeerd in Londen. Vijf jaar geleden had ik een plaat gemaakt in het Engels, gewoon voor de lol, omdat ik dat wilde. Maar misschien was er op een freudiaanse manier toch een verlangen in mij om ook een keer in het buitenland gehoord te worden. Ik nam de koe bij de horens en ik ging mijn plaat gewoon afgeven in de kantoren van de BBC en daar heb ik achteraf niets meer van gehoord. Op dat vlak ben ik nogal gemakzuchtig. Maar mirakels bestonden, want ik werd wakker op mijn kamer en ik zag op FOX-channel, een spreekbuis van de Amerikaanse conservatieven, een programma over mirakels. Over een vliegtuig dat niet was neergestort omdat de inzittenden katholieken waren, op weg van New York naar Portugal, naar het bedevaartsoord van Fatima. De motoren waren uitgevallen en de piloot had, met het nodige kunst- en vliegwerk, toch kunnen landen op de Azoren. Ik dacht nog: wat een piloot! Maar de presentator zei dat het een mirakel was omdat de gelovigen hadden zitten bidden tot de heilige maagd van Fatima. Over de piloot geen woord.

Voor hetzelfde geld en op eenzelfde manier kon ik ook doorbreken in New York. Er moest gewoon een mirakel gebeuren, en dat was alles. De kans was groot dat er een mirakel gebeurde, namelijk één op de twee: ofwel gebeurde er een mirakel, ofwel niet. Een kans van één op de twee inderdaad. Het is een mop die ik zelf heb uitgevonden en die ik al vaak heb verteld maar die de mensen niet echt willen begrijpen.

Het was mij opgevallen dat de mensen op straat er niet specialer of anders uitzagen dan in België. Er waren wel veel gastarbeiders. Ik was eigenlijk nog geen enkele echte New Yorker tegengekomen, behalve Snoop Dogg. Dat was een volbloed New Yorker. Of was die integendeel van de Westcoast? Nu begon ik te twijfelen. Dat moest ik thuis even opzoeken, want die jongens die doen daar bepaald moeilijk over, over hun gebied van oorsprong, en de trots en de aanhankelijkheid die ermee gepaard gaan. Al die anderen waren vooral Marokkanen en Egyptenaren en Roemeense meisjes. Was dat toevallig dat zij hier beland waren, met de bedoeling van hier ook enigszins door te breken in de metropool? Ik bedoel, het beroep van taxichauffeur of bordenwasser of paaldanseres kon men evengoed uitoefenen in Düsseldorf of in Göteborg of in Marseille. Waarom waren ze daarvoor speciaal naar New York gekomen? Hadden zij misschien ook een droom, een verlangen naar iets wonderlijks dat hier zou gebeuren, en was wat zij deden iets voorlopigs?

Zoals wellicht in alle grote steden was iedereen met iets bezig dat een aanloop was tot iets anders. Geen enkele taxichauffeur leek hier echt in het beroep van taxichauffeur te geloven. Niet zoals mijn vader, die als arbeider in een fabriek werkte, in de volle overtuiging dat hij een arbeider was, dat was immers zijn beroep. De beroepen die al die mensen hier uitvoerden, waren geen echte beroepen maar veeleer bezigheidstherapieën, pogingen om zich te verstrooien. Maar zijn niet alle dingen die de mensen uitvoeren pogingen om zich te verstrooien, omdat zij anders zouden doodgaan van verveling? Dat heb ik gelezen bij Arnon Grunberg. Het lijkt me een veeleer defaitistische vaststelling, die nochtans kan bijdragen tot de vrede in de wereld. Want wanneer iedereen dit zou inzien, zouden de mensen zich inderdaad minder druk maken om van alles.

Ik had van mensen in België die het goed met mij meenden een aantal adressen van muziekcafés in Manhattan gekregen en daar kon ik iets gaan spelen. De kans was groot dat er in een van die cafés een impresario zou zitten met een sigaar in zijn bek, die me dan zou moeten ontdekken.

Ik moest eerst nog een gitaar gaan kopen. Ik heb thuis gitaren genoeg maar ik had geen zin gehad om er een mee te sleuren. Ik neem ook nooit bagage mee. Dat begrijp ik niet, dat de mensen altijd een hele verhuis meesleuren naar andere landen. Ik koop gewoon altijd twee T-shirts en een doos Dreft om mijn onderbroek te wassen. Die onderbroek was ik dan 's avonds in de lavabo op mijn kamer en die laat ik dan drogen op de verwarmingsbuizen, makkelijk zat.

In de buurt van het Rockefeller Center zijn er allemaal gitaarwinkels. Ik vroeg hoeveel de duurste kostte en hoeveel de goedkoopste. De duurste kostte 10.000 dollar. Die was gemaakt van palissanderhout en die goedkoopste niet. Ik zei: "Pak die goedkoopste maar in."

Dit is het mooie in de popmuziek: men heeft geen dure instrumenten nodig. De klank van een instrument heeft geen enkel belang. Dat in tegenstelling tot de klassieke muziek. Goede popmuziek wordt meestal gemaakt met oude, kapotte instrumenten. Mijn gitaren zijn ook allemaal kapot, met builen en blutsen, die hebben een leven geleefd, net als ik. Popmuziek heeft niets te maken met vorm maar enkel met het moment als dusdanig. In de klassieke muziek streeft men naar het scheppen van vormen die op een bijna wiskundige manier refereren aan het goddelijke. Popmuziek streeft niet naar het goddelijke, enkel naar het beleven van het moment. Het is ook geen kunst. Kunst poogt het leven te vatten en popmuziek is gewoon een onderdeel van het leven zelf. Maar ik kan mij natuurlijk vergissen.

Het eerste adres was in de buurt van Wall Street. Het was een café dat helemaal dicht was geslagen met planken. Ik belde toch maar aan. "Kom maar naar boven", sprak iemand door het apparaat. Op de eerste verdieping zat er een jongen met lang haar achter een computer de beurscijfers te volgen. Er klonk muziek. Het was een van de koralen van Bach: 'Wachet auf, ruft uns die Stimme'. Ik kende dat, ik had dat thuis ook.

Ik zei dat ik hier kwam om vanavond liedjes te spelen. "Wij doen hier al jaren geen optredens meer", sprak die jongen. "Ik ben al die artiesten eerlijk gezegd kotsbeu, al dat lawaai, ik kan er echt niet meer tegen, kuis maar uw schup af, ik kan geen zangers en gitaren meer zien."

Ergens kon ik die mens wel begrijpen. Het lijkt allemaal zo op elkaar, al die popmuziek. Mijn moeder kan bijvoorbeeld geen verschil horen tussen Ozark Henry en Snoop Dogg. Dat is voor de meeste mensen één grote pot nat. Zoals ik ook het verschil niet hoor tussen Sjostakovitsj en Rachmaninov. Ik hoor alleen één grote hoop gepingel op een piano.

Maar ik had nog drie adressen. Het volgende was aan de overkant van de straat. Een café met hardrockers aan de bar. Ik bestelde een pils. En ik vroeg aan het meisje achter de bar of ik hier vanavond kon optreden. Ik voelde mij opnieuw de jongen van vroeger die zijn cassette ging dragen naar cafés waar ze optredens gaven. Die mensen vroegen dan of het covers waren die ik zong. Neen, het waren mijn eigen liedjes. In die tijd, net als nu trouwens, hadden ze liever dat u geen liedjes speelde die u zelf had gemaakt, dat was toch allemaal rommel. De mensen hoorden liever liedjes die ze al kenden. Jonge gasten die zelf liedjes maakten, dat waren altijd stuk voor stuk vervelende zeiksnorren die van zichzelf vonden dat ze kunstenaars waren.

Dat meisje had hetzelfde verhaal als die jongen in zijn kantoor die op de beurs speelde en naar Bach luisterde. "We doen dat niet meer", zei ze, "we zijn al die singer-songwriters zo beu als koude pap met hun gezeik."

Toen wilde dat meisje nog een dollar van mij. Het was de gewoonte om de barmeid een fooi te geven. De venten aan de toog hadden al die tijd zwijgend in mijn richting zitten staren. Ik betaalde en ik was al mijn zelfvertrouwen kwijt, geloof ik.

Ik denk dat ik de Amerikanen niet ernstig genoeg had genomen. Ze willen toch vooral geld verdienen en kunst en cultuur interesseert hen niet echt. Dat is een cliché dat hier bevestigd werd. Ik voelde mij een echte handelsreiziger. Bestaat dat nog, handelsreizigers? Ik hoop dat dat ellendige beroep ondertussen is afgeschaft. De mensen hebben dat niet graag dat men ze iets komt aansmeren. De mensen willen bedrogen worden, maar niet rechtstreeks. De klanten van handelsreizigers voelen zich altijd slachtoffers die geen neen durven te zeggen. Zo voelde ik mij, als iemand die de mensen iets kwam aansmeren dat ze niet nodig hadden. Ik moest denken aan vroeger. Ik heb zoals zoveel mensen die niet wisten van welk hout pijlen maken ook nog geleurd met enquêteformulieren. Ik was een gebuisde student. Ik moest van de RVA allerlei baantjes uitoefenen, van die overschotbaantjes voor mensen die van geen hout pijlen wisten te maken. Ik was enquêteur bij een bureau in Brussel en de Belgische spoorwegen hadden bij dat bureau een enquête besteld om de mensen te gaan uitvragen wat ze van de treinen en de uurregelingen vonden. Ze hadden mij vanuit Brussel naar Zelzate gestuurd omdat dat bij mij in de buurt was. Maar in Zelzate is er geen station en rijden er geen treinen. Dat had ik nog gezegd maar ze wilden niet luisteren. Bij tien mensen heb ik toen aangebeld en allemaal zeiden ze dat ze nooit de trein namen, dat er geen trein was in Zelzate.

Een keer heb ik aangedrongen bij een oud vrouwtje dat een winkeltje dreef en dat zich toen kwaad maakte en zei dat ik mijn schup moest afkuisen met mijn vragen over die rottrein. Ik heb toen al die enquêtes nog zelf ingevuld met fictieve namen en adressen en ik heb bij alle vragen gewoon het bolletje 'geen mening' zwart gemaakt. Ik weet niet of ik het beleid van de Belgische spoorwegen in die vroege jaren tachtig in een goede richting heb gestuurd.

Ik had nog een aantal adressen. Nog twee om precies te zijn. Derde keer, goede keer. Op datzelfde moment dacht ik: wie had die dwaze spreuk ooit uitgevonden? Waarom zou de derde keer de goede keer zijn? Evengoed kon de vierde keer de goede keer zijn of de vijfde of voor mijn part de zestiende of de achthonderdste keer. Alhoewel, sommige van die spreuken bevatten natuurlijk wel een kern van waarheid, vooral die weerspreuken: wanneer het buiten regent, zal het gras nat worden. Dat was een mop die ik zelf een keer had uitgevonden. Ik wilde in de tijd toen ik enquêteur was eigenlijk stand-up comedian worden, en ik had die mop uitgevonden van die voor de hand liggende weerspreuken maar verder dan die ene over het gras dat nat zou worden was ik niet geraakt. Ik was, denk ik, toch veel te verlegen om een echte stand-up comedian te worden.

Ik stapte te voet met mijn gitaar op mijn rug naar dat volgende adres, ergens achter het VN-gebouw. Ik zag die praatbarak van internationale samenwerking tot mijn verbazing plots voor mij opdoemen. Ik had het gebouw ergens wel een paar keer gezien op een foto maar ik had er nooit stil bij gestaan dat het zich in New York bevond. Alweer iets bijgeleerd. Ik dacht dat het in Washington stond, dat leek mij logischer, als zijnde een soort, zij het internationaal, overheidsgebouw. Ik ken een volwassen persoon die vroeger ook dacht dat Straatsburg in Luxemburg lag, tot hij zijn vergissing pas onlangs ontdekte.

In het café waar ik binnen trad, bleek er inderdaad muziek gespeeld te worden. Tot buiten op de stoep stonden er jongens en meisjes met een gitaar op hun rug, net als ik, met dat verschil dat ze allemaal twintig jaar jonger waren dan ik. Iedereen die een liedje wilde spelen op dat podium, die mocht dat. Wel eerst inschrijven aan de bar bij de baas. Die baas was een man van een jaar of zestig die er volledig in opging. Ofwel had hij chemische drugs genomen. Hij vond iedereen en alles geweldig.

Ik was nummer zeventien en nummer drie was bezig. Ik ging zitten op een stoeltje. Er waren geen echte klanten aanwezig, alleen die jongens en meisjes met een gitaar. Iedereen mocht twee liedjes spelen. Ik heb daar dus veertien van die jonge artiesten bezig gezien en ik moet zeggen: de X-factor ontbrak. Ik zag vooral lusteloze meisjes. Maar ook die teksten vielen tegen. Ik geloof dat ze niet echt inspiratie hadden gehad toen ze hun liederen componeerden. Ze zongen van die voor de hand liggende dingen, over liefdes die wegkwijnden dan wel bloeiden. Ofwel waren ze te lui om op zoek te gaan naar originele beelden, ofwel hadden ze gelijk dat ze geen moeite deden. Misschien was alles al gezegd en was, zeker op lyrisch gebied, de popmuziek aan het einde van haar Latijn. Binnen de popmuziek kon men immers op taalkundig vlak niet experimenteren, zoals in de poëzie. Dan zou het meteen kunst worden en dat moest tot elke prijs vermeden worden. In de popmuziek moet alles duidelijk zijn. En alles was duidelijk, vooral bij dat ene meisje, die bracht een ode aan haar geliefde. Ze zong: "I believe in love, between you and me. Sweet love, sweet sweet love, they can't take that away from me". Ik dacht nog, waarom zou iemand die liefde willen wegnemen? Maar ik had die zinsnede al zo vaak gehoord in een lied dat ik er verder niet langer over wenste na te denken. Het hoorde gewoon zo.

De baas was zelf was ook muzikant. "En nu is het mijn beurt", zei die baas. Hij mocht van zichzelf dus wel meer dan vijf minuten spelen. Een half uur lang moesten we er met zijn allen naar luisteren. Men zal zeggen dat ik niet ernstig ben maar hij kondigde zijn eerste nummer aan en, echt waar, hij zei: "Het eerste nummer is een bluessong die ik schreef toen mijn vrouw ervandoor ging met mijn beste vriend". En hij zong inderdaad: "When I woke up this morning my baby was gone". Dat eerste zinnetje zong hij tweemaal, zoals het moet binnen het segment van de blues. En dan zong hij: "She took off with my best friend, ain't coming back no more".

Het was op den duur mijn beurt. Ik had er geen zin meer in, zou men denken. Maar ik had er wel degelijk zin in. Wanneer ik op een podium een liedje mag zingen voel ik mij meteen in mijn sas. De omstandigheden doen er niet toe. Dat is mijn karakter.

Ik zong een lied dat ik ooit had gemaakt en dat honderd keer beter was dan de liederen van die mensen uit Amerika. Ik zong het aarzelend maar helemaal niet slecht. Het was een liedje van de Engelstalige plaat die ik een paar jaar geleden had gemaakt, met wonderlijke akkoorden en een wonderlijke melodie. De verzen van het refrein refereerden aan het goddelijke, namelijk aan de mogelijkheid van de dingen. Niet aan de hoop, zo ver wens ik niet te gaan, maar aan de mogelijkheid, het enige goddelijke mechanisme dat we hier voorhanden hebben, hier in dit aardrijk.

Ik zong: "What if we came home, what if we made love in the end?" Die verzen werden mij ooit ingefluisterd op een avond toen ik met mijn fiets langs het kerkhof van mijn geboortedorp reed. Het was een avond in mei. De populieren ruisten en de geur van de seringen die in bloei stonden op het kerkhof waaide mij tegemoet. En nu zong ik die verzen, daar in dat café, voor deze mensen in New York, voor die cafébaas wiens lief ervandoor was gegaan met zijn beste vriend en voor die jongens en meisjes die op hun beurt stonden te wachten om voor elkander hun liederen te zingen en zich in wezen enkel wat wilden verstrooien om niet dood te vallen van verveling.

Nog even in verband met dat lied dat ik zong: in normale omstandigheden ben ik daar geen voorstander van, van het etherische zoeken naar mogelijkheden die zouden kunnen bestaan naast de werkelijkheid. Ik heb ooit een lied gemaakt over mezelf als zijnde iemand die zit te staren naar de vloer en die vervolgens na een tijd weer verdwijnt. Dat zijn natuurlijk de omstandigheden uit de werkelijkheid die ik daar beschrijf en wellicht dienen wij ons bij die omstandigheden neer te leggen. Maar mijn zoeken naar andere mogelijkheden naast de werkelijkheid heeft te maken met de geur van seringen omdat ik ook de geur van gaarkeukens ken, van opslagruimtes en magazijnen op novemberochtenden, de zweetgeur van het stempellokaal en de geur van jongenszaad dat werd gestort in een zakdoek. Allemaal dingen die te belachelijk zijn voor woorden en die blijkbaar toch moeten bestaan.

De cafébaas bleef ondertussen maar pinten tappen. Het was zijn bedoeling bier te verkopen aan die jongens en meisjes, die dan in ruil ook een liedje mochten spelen. Mijn verzen over een mogelijke onmogelijkheid waaiden over hun hoofden heen. Er was niemand die echt luisterde, dat hoefde ook niet. Ik had niets bereikt, ik had zelfs geen steen verlegd in een rivier op aarde. Dat heeft geen enkele zin, denk ik. Wanneer men iets wil bereiken moet men bulldozers laten aanrukken en dammen bouwen, alleen op die manier kan men de loop van een rivier in een andere richting duwen. Maar ik had mezelf verstrooid, ik had mezelf beziggehouden, ik had me alweer niet verveeld.

Die avond probeerde ik het nog een keer. Vierde keer goede keer, dacht ik. Het was het laatste adres. Een café in de buurt van het Meat Packing District, dat is blijkbaar de nieuwe place to be. Er zat een meisje achter de bar en ik vroeg of ik die avond mocht optreden. Het bloed steeg naar mijn kop. Ze sprak: "U komt als geroepen, meneer. Er heeft daarnet een groep afgebeld. U kunt vanavond spelen als u wilt". Ik was verheugd. Ik zag het als een zoveelste kans. Ik wist dan wel dat het onmogelijk was hier door te breken in New York, maar ergens zag ik toch een klein lichtje aan het eind van de tunnel. Ik raakte er niet van af van dat soort kinderlijke vreugde. Ik dacht: ik speel hier vanavond een lied en misschien zijn er wel een paar mensen die het tof vinden en dan op internet gaan kijken wie ik ben en wat we doen en mij dan uitnodigen om nog een keer te komen spelen en dan gaat de bal aan het rollen en voor het u weet, sta ik met mijn groepje in Carnegie Hall te spelen. Ik kreeg een idee: ik verleid die Amerikanen met een aantal liedjes in het Engels en wat covers van The Strokes en The Pixies of zo, maar wanneer ik daar sta, in Carnegie Hall, begin ik opeens in het Nederlands te zingen, die gasten gaan niet weten wat ze horen. Wat een grap!

Dat scenario speelde zich af in mijn hoofd en op dat moment begon ik er een paar seconden lang zelf in te geloven. Ik werd teruggeworpen naar vroeger, toen ik ervan droomde zanger te worden. Ik had al heelder scenario's in mijn hoofd, dingen vooral die ik aan de journalisten van de gazet ging zeggen, over hoe het allemaal begonnen was. Ik had ook al allerlei sites in mijn hoofd voor de foto's die ze van mij zouden nemen. Ik geloof dat ik in die uren van verbeelding eigenlijk gelukkig was.

Ik ging eerst nog wat rondlopen in die straat. Ik moest spelen rond een uur of acht. Eerst rustig een paar liter bier drinken. Ik kwam voorbij een lokaal radiostation gewandeld. De radiostudio bevond zich aan de straatkant, voor het raam in de etalage eigenlijk. Er zat een dame van een jaar of vijftig in een microfoon te praten. Ik had ook wat cd's van mijzelf meegebracht naar New York. Ik klopte op de ruit. Die dame zwaaide naar mij met een wegwerpgebaar. Ik dacht: ik kom gewoon een cd afgeven, zo makkelijk ging ik het er niet bij laten. Ik klopte nog een keer op de ruit en hield mijn cd met mijn ene hand omhoog. Toen kroop dat mens van haar stoel, trok de deur open en brulde: "Gelieve mij met rust te laten, ik ben bezig met een radioprogramma!"

Ik muisde er stil vanonder. Ik kon er geloof ik niet goed tegen, tegen dat soort toestanden. Een eind verderop kwam die dame plots achter mij aangelopen en zij sprak: "Verontschuldigt mij, meneer, ik was een beetje gestrest vandaag, ik heb een moeilijke dag gehad, en het spijt me dat ik zo tegen u heb staan brullen, hoe kan ik het goedmaken?" Ik overhandigde haar mijn cd en ik zei dat ik uit België kwam en dat ze die cd mocht houden. Ze beloofde dat ze die zeker een keer ging draaien op de radio. Toen verdween zij uit mijn leven. De dingen zijn nooit voor honderd procent eenduidig. Dat heb ik al vaker ervaren in mijn leven.

Die avond ging ik terug naar dat café waar ik mocht optreden. De microfoon stond al klaar op het podiumpje. Het meisje was verdwenen en er stond een oude hippie achter de bar. Ik zei dat ik de zanger was die kwam spelen. "Doet u maar", sprak die mens, "misschien komt er wel iemand kijken." Ik wachtte een uur en het café bleef leeg. Toen verliet ik dat oord en ging ik nog wat drinken. Ik was blij dat het voorbij was. Mocht ik niet enorm veel geluk hebben gehad vroeger en van een aantal mensen de kans hebben gekregen een plaat te maken dan zat ik nog altijd op mijn kamertje liedjes te spelen voor mijzelf. In New York was ik zeker een vogel voor de kat geweest en was ik wellicht een zwerver geworden. Ik kan alleen leven in een land met een sociaal vangnet. Op eigen kracht had ik het nooit gemaakt in die jungle.

Ik bleef in New York nog een tijd door de dagen en de nachten zwerven. Ik verzoop al mijn geld in dure bars en nachtgelegenheden, ik belandde bijna in een vechtpartij met een buitenwipper aan een bar waar ik niet binnen mocht en in de metro raakte ik in een schermutseling mijn nieuwe gitaar kwijt. Ik was blij dat ik er vanaf was. Het ding werkte enorm op mijn zenuwen. Ik belandde ook in het seksmuseum op Fifth Avenue, daar zag ik een historische homo-erotische pornofilm uit 1917. Dat had ik nog nooit gezien, een homo-erotische pornofilm. Ik zag twee mannen met van die gekrulde belle-époquesnorren. Die ene man duwde zijn geslachtsdeel in de mond van die andere man en beiden genoten ze ervan. Ik werd er enigszins opgewonden van, want het was duidelijk dat die twee mannen van elkander hielden. Ik zat wel voortdurend naar die twee snorren te kijken. Het gebeuren werd gefilmd in de tijd toen mijn vader een kleuter was. En ik die dacht dat die dingen in die tijd nog niet bestonden.

Op mijn laatste dag in New York nam ik de ferry naar Staten Island, gewoon om een keer de skyline van op zee te aanschouwen, u kent dat wel, dat moet allemaal gebeuren.

Ik voer op die boot en ik moest denken aan Rod Stewart. Ik zag Rod opnieuw in een zeilboot voor het eiland Manhattan cruisen. Het was in het midden van de jaren zeventig. Rod had een hit met het liedje 'I am sailing.' Dat stond al weken nummer één bij Avro's Toppop. In de clip die erbij hoorde, zat Rod te zingen op die boot in de monding van Hudson-rivier. Ik zag dat tafereel op een vrijdagavond. Ik was net thuisgekomen van alweer een week op het internaat. Ik was twaalf jaar. Ik had het alweer overleefd. Maar hoelang ging ik het nog volhouden? Dat was voor mij op die leeftijd reeds een levensvraag. Moeder had tomatensoep met balletjes en kip met frieten en abrikozen gemaakt. Ik vrat mij een ongeluk. Toen was er Toppop op televisie. Ik zag Rod dat geweldige lied zingen, die blonde rakker, die prachtkerel, daar op zijn boot in New York. Ik dacht toen dat de hemel echt moest bestaan.

'Ik moest eerst nog een gitaar gaan kopen. Ik heb thuis gitaren genoeg maar ik had geen zin gehad om er een mee te sleuren. Ik neem nooit bagage mee. Ik koop gewoon altijd twee T-shirts en een doos Dreft om mijn onderbroek te wassen. Die onderbroek was ik dan 's avonds in de lavabo op mijn kamer en die laat ik dan drogen op de verwarmingsbuizen''Het eerste adres was in de buurt van Wall Street. Ik zei dat ik hier kwam om vanavond liedjes te spelen. 'Wij doen hier al jaren geen optredens meer', sprak een jongen met lang haar. 'Ik ben al die artiesten eerlijk gezegd kotsbeu, al dat lawaai, ik kan er echt niet meer tegen, kuis maar uw schup af, ik kan geen zangers en gitaren meer zien''

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234