Vrijdag 16/04/2021

U hielp ons, wij helpen u

undefined

et was een gewoonte. We telden ze, en wie er de meeste had, won", zegt Adolphus Scott.

In de laatste fase van de oorlog waren de Liberianen zo verdoofd door het geweld en de walging dat het bijna niet meer aankwam. Op weg naar school telden Scott en zijn kameraadjes de koppen op straat. De afgehakte hoofden. 's Nachts vermoord, en altijd ging dat hoofd eraf. Lokaal gebruik.

Aan de checkpoints in het binnenland zetten de strijders ze op houten staken, in rijen. Waarschuwingspalen. Een ontvangstcomité uit de hel. Een mens, een leven: na veertien jaren van nietsontziend geweld schoot er weinig meer van over.

De twee Liberiaanse burgeroorlogen, samen naadloos één, die in 1989 begonnen en duurden tot in 2003, eisten - mild geschat - 250.000 mensenlevens. Acht procent van de toenmalige bevolking. Waarom? Een klassiek (Afrikaans) verhaal: machthebbers die een land strippen van zijn rijkdommen (rubber en ijzer), een bevolking die daar nauwelijks de vruchten van plukt, een machtsvacuüm, etnische en politieke rivaliteiten, een kluwen van rancune, frustratie en hebzucht.

Bij die 8 procent zitten niet de ontelbare verminkingen, verkrachtingen, ontheemdingen - de Liberiaan die in leven wist te blijven, werd wel op een andere manier ontmenselijkt.

Je ziet dat als je er rondloopt. Dit is niet het Afrikaanse volk dat je kent uit de buurlanden; de joelende kinderen en de onder hun waterkruik giechelende tienermeisjes, de oma's die hun ene schotse tand bloot lachen. Zwarten die onder hun schamelheid de Afrikaanse kadans weten te bewaren, die de armoede niet aan hun grijns laten komen.

Hier schieten de blikken van de vrouwen weg als je hen aankijkt. Er zit wantrouwen in de ogen van de kinderen, achterdocht in hun houding. Ze staren je aan, krimpen een beetje als een lens op hen wordt gericht. De mannen met hun machetes kijken je stuurs na als je voorbijrijdt.

Zombies, bijna. De oorlog zit onder hun vel. Het is, voor Afrikaanse doen, ook uitzonderlijk stil in Liberia.

Don't rape

In buurland Ivoorkust hebben ze in die veertien lange oorlogsjaren honderdduizenden Liberianen opgevangen, vluchtelingen die met hun hele hebben en houden in prauwen en kano's de Cavallyrivier overstaken.

Nu de Ivorianen zelf weer onlusten kennen, is de omgekeerde beweging op gang gekomen. In prauwen en kano's roeien de vluchtelingen sinds januari, sinds de opflakkering van de gevechten tussen de troepen van president Laurent Gbagbo en zijn uitdager Alassane Ouattara, westwaarts; het land in dat acht jaar na het einde van de oorlog nog altijd zo wankel op de benen staat dat de VN er nog steeds de orde moeten bewaren. Achtduizend vooral Bengaalse en Pakistaanse blauwhelmen doen dat.

We rijden van de hoofdstad Monrovia in een Toyota Landcruiser naar Gahnpa, een stadje in de provincie Nimba, in het noordoosten van het land dat geklemd zit tussen de Guinese en de Ivoriaanse grens.

Het prettige aan rijden in Liberia is: je kunt nooit verloren rijden. Er is maar één weg.

Het minder prettige: die weg, die men 'highway' noemt, is een onverharde geul vol kraters en putten, die op talloze plaatsen (het is regenseizoen) omslaat in een roestbruine modderpoel waarin vrachtwagens zich hopeloos vastrijden - zelfs in een krachtige 4x4 slinger je rokend de hellingen op.

De oorlogswonden zijn overal: zwartgeblakerde, overwoekerde ruïnes vol met kogelgaten, diorama's van hopeloze belegeringen die soms maanden aansleepten - lang genoeg om te vergeten wie tegen wie vocht, en vooral: waarom nog. Her en der zijn er controleposten, sommige officiële (vriendelijke Bengalen in een wachttorentje), andere geïmproviseerde, zonder zichtbaar stempel (burgervolk met een hakmes).

In de dorpjes langs de highway zijn er weer meer handelszaken: rieten winkeltjes die 'All Eyez on Me Beauty Saloon' heten, of 'His Grace Foreign Exchange Bureau'.

'Divine Help Filling Station': de brandstof in petflessen op een houten schot. Zelf geschilderde Esso- en Coca-Cola-logo's. Pittoresk.

Maar de overheidsborden aan de dorpsgrenzen spreken boekdelen.

"Stop ritual killing - it's against the law."

"Be a real man - don't rape!"

Langs de weg staat een ambulance. Defect. Op de ramen zijn verbodstekens geplakt: een pictogram van een kalasjnikov, met een rode streep erdoor. Geen wapens mee aan boord!

Adolphus Scott, mijn begeleider, socioloog bij Unicef en geboren en getogen Liberiaan, ziet me kijken. "Ik kan me voorstellen dat het er vreemd uit ziet, voor een nieuwkomer", zegt hij. "Ons valt het allang niet meer op. Liberianen zijn maar één ding, al zie je het niet meteen aan hen: opgelucht. Dat het voorbij is. De haat en de spanning zijn nog voelbaar, er heerst nog veel achterdocht, maar het rapport van de Truth & Reconciliation Commission, bedoeld om de oorlogsmisdadigers ter verantwoording te roepen, ligt ergens stof te vergaren. De mensen hebben het gehad. Ze hebben lang genoeg over hun schouder gekeken. Laten we nu maar eens naar de toekomst kijken, zeggen ze."

Hoestend en grommend hijst een vrachtwagen zich door de smurrie de helling op. 'Veranda's Struyf, Lier', staat op de zijkant. Halverwege de beklimming geeft hij stomend de geest.

"Dit land was aan het eind van de jaren tachtig klaar om elke inwoner, elk dorp van elektriciteit te voorzien", zegt Adolphus. "We stonden op de drempel van de grote stap voorwaarts. De oorlog heeft dat allemaal weggeveegd."

Het morren begint

Officieel 174.000, officieus veel meer Ivorianen zijn de voorbije acht maanden de grens overgestoken en leven nu in het oosten van Liberia, in de provincies Nimba en Grand Gedeh vooral. In kamp Solo, dicht bij Zwedru, wonen er iets meer dan 8.000 in witte UNHCR-tenten, waar de bewoners naar eigen smaak en voorkeur rieten en houten portaaltjes voor gebouwd hebben. Het heeft iets weg van een camping - er staan wegwijzers naar de receptie en de douches, maar het lijkt ook wel erg op een kamp. Als je de heuvel beklimt en wat overzicht krijgt, zie je een plattegrond die je liever niet ziet. Die je kent van oude foto's.

De sfeer is rustig. Bijna gemoedelijk. Op een dreinend kind na hoor je haast niets.

Enorme termietenheuvels tussen de tenten. De weeë geur van de latrines, verbrand hout, het geklop van een maalstok in een houten trog.

De meesten zijn hier nu zes maanden. Het gemor begint. De verveling slaat toe, de heimwee, er zijn soms spanningen. Er is geen rijst, enkel bunga wheat, een goedkopere tarwesoort. Ze werkt op de darmen, sakkeren de moeders. "Wij zijn rijst gewend."

De Ivorianen zijn een wat hogere levensstandaard gewoon in vergelijking met de berooide Liberianen, en dat doet zich hier gevoelen. "Uiteraard zijn ze blij dat ze een dak boven het hoofd hebben", zegt kampmanager Steve O'Anyia. "Maar we hebben regelmatig kleine opstootjes, als er weer eens een konvooi vrachtwagens met bunga geladen blijkt te zijn."

Ze zijn altijd met bunga geladen.

Tegen geen enkele prijs willen ze rijst uitdelen. "Dat klinkt bizar, maar we willen koste wat het kost vermijden dat ze hier in de kampen méér hebben dan in de omliggende dorpen", zegt Steve. "Dat brengt alleen maar afgunst teweeg, en het is zo al niet gemakkelijk."

En toch. Precies dáárin zit het unieke en hoopgevende (om twéé foute woorden te gebruiken) van deze humanitaire crisis: ze gaat nauwelijks of niet gepaard met de klassieke problemen van plotse overbevolking en overstretching - van mensen die het weinige dat ze hebben, bedreigd zien door lange rijen hongerige asielzoekers.

Hier is het: u hielp ons? Wij helpen u.

Vreemde vader

Dat wordt duidelijk in Janzon, een dorpje langs een pad tussen Zwedru en de grens met Ivoorkust. Officieel aantal inwoners: 3.018. Aantal Ivoriaanse vluchtelingen: 2.976, en er komen er nog elke dag bij.

Het dorp is in omvang verdubbeld, letterlijk: de bezoekers hebben op aanwijzen van hun gastheren aan de noordkant hutten bijgebouwd, de vrouwen helpen met het werk op de velden, de kinderen gaan samen naar school, of naar iets wat daar op lijkt. Ivorianen spreken Frans en Liberianen Engels, maar ze communiceren in het Krahn, een taal die ze aan weerskanten van de grens met stukken en brokken verstaan.

In het Krahn noemen ze hun tijdelijke gastheer 'vreemde vader'.

"Wij kenden die mensen niet", zegt een Liberiaanse dorpeling. "Maar twaalf jaar geleden vluchtte ik met mijn vrouw en mijn kinderen naar een dorp vlak bij Tai, in Ivoorkust. We hebben er meer dan twee jaar gewoond. Na wat argwaan in het begin ging dat heel goed. Ik ben er dankbaar voor. Ze zijn met velen, ja, maar wat gaan we doen? Ze de deur wijzen? Gek. We zijn de ellende beu, we willen vooruit, maar hier kún je als mens niet anders op reageren."

"Dit is iets wat we zelden zien", zegt Adolphus Scott. "Zo'n naadloze integratie. Meestal verloopt dat met de nodige kribbigheid, om een zacht woord te gebruiken. Als je opeens twee keer zoveel monden te vullen hebt, en je zat al niet royaal in het eten."

Historisch gezien zijn er nog wel banden tussen de stammen in beide landen - de Gio en de Yakuba, de Grepo en de Betei - maar dat kan dit bijlange niet verklaren.

Een VN-official in Solo moest zijn hersens pijnigen. "In 2007, na de gecontesteerde verkiezingen in Kenia, hebben we het al eens meegemaakt. Op kleinere schaal: dat de Keniaanse vluchtelingen in Oeganda zo warm door de plaatselijke bevolking werden verwelkomd dat we amper kampen moesten voorzien. En in Pakistan, drie jaar geleden, in het noordwesten, tijdens de militaire acties tegen de taliban. Maar dat waren vluchtelingen in eigen land."

De UNHCR krijgt zijn vluchtelingenkampen in Liberia gewoon niet vol: van de 174.000 mensen wonen er momenteel amper 31.000 in een van de zeven kampen in het grensgebied. De ruim 140.000 anderen zijn allemaal opgevangen door en geïntegreerd in Liberiaanse dorpsgemeenschappen. "Het is inderdaad een probleem", zeggen ze bij de VN.

Probléém? In Janzon lijkt het iedereen veel beter te vergaan dan in Solo. De mensen lijken er opgewekt, ze hebben iets om handen. Mocht je niet beter weten, je zou het verschil met een 'gewoon' dorp niet eens zien. In het kamp voelde je de treurnis, de verveling, de ontheemding.

En toch.

Probleem één, volgens de UNHCR: de veiligheid. Ze blijven veel te dicht bij de grens plakken. Er zijn al raids geweest van gewapende rebellenbendes op dorpen aan beide zijden van de grens. Vorige maandag: vijftien doden. Regelmatig worden forse partijen wapens gevonden in de regio die Ivoriaanse strijders over de grens verstoppen. Dit is en blijft een oorlogszone.

Probleem twee: de hulpverlening. Begin maar eens honderden dorpen, verspreid over een gebied van honderden vierkante kilometers en vaak enkel bereikbaar via een modderpad, te voorzien van hulpgoederen en diensten als onderwijs: geen kans dat die gemeenschappen, met al hun goede wil, dat zelf kunnen beredderen, op een moment dat ze zichzelf verdubbeld weten in omvang. Er zijn voorbeelden van dorpen die in zes maanden tijd van 300 naar bijna 2.000 inwoners zijn gegaan. Zonder noemenswaardige scheuren of barsten.

Warme aanpak

Tijdens een plaspauze in Zienzu, op de terugweg naar Monrovia (620 kilometer in vijftien uur) komt een schooljongen, een jaar of twaalf oud, naar ons toe gedrenteld. Ik mag in zijn leerschrift kijken. Er zijn amper vier bladzijden in beschreven.

Language

I walk to school.

My father is in the patio.

My sister likes a dog.

My name is Fat Johnson.

Heet hij zo? Fat Johnson? Hij knikt niet, hij schudt niet van nee, hij pakt zijn schrift terug en rent zonder nog iets te zeggen weg.

Rare naam, Fat.

Al die ruïnes. Afgebrande huizen, allicht van mensen die de aanslag destijds niet overleefd hebben. Dat geploeter in de modder, de hitte, de regen die een mist over de bossen legt. De ellendige voorsteden, de stad die dampt en stinkt, de grimmige gezichten. We rijden langs de St-Peter Lutheran Church aan Tubman Boulevard. Op de avond van 29 juli 1990 werden hier 600 mensen die beschutting zochten voor het geweld met machetes afgemaakt. Het was nog maar het tweede jaar van de oorlog.

En dan toch dat hoopvolle - je kunt er écht niet onderuit, als je dit ziet, dat hier mooie dingen gebeuren.

De VN-campagnes en acties om meer volk naar de kampen te krijgen, goedbedoeld en al, halen weinig uit. De vluchtelingen verkiezen de warme aanpak boven het georganiseerde 'comfort'.

In het schooltje van Janzon staan Liberiaanse en Ivoriaanse meisjes zusterlijk op de klaslijsten.

Deze maand zwanger:

NameAgeSexOrigin

Dezeah Salomee15 FIvorienne

Angelina Zeh16 FLibérienne

Dji Flora17 FLibérienne

Yapo Marie15 FIvorienne

Geef toe, die F is grappig.

Komende woensdag lanceert Unicef België een grootschalige nieuwe campagne om de aandacht te vestigen op onderwijs in crisissituaties - lees: aan vluchtelingenkinderen. www.unicef.be

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234