Dinsdag 21/01/2020

Getuigenis Twitter

‘Twitter is niet alleen slecht voor de gezondheid, je reputatie kan er ook onder lijden’: Joël De Ceulaer houdt het twitteren (even) voor bekeken

‘Twitter is gelijk het leven zelve: geweldig lelijk, maar fantastisch mooi.’ Beeld Lorenzo Matteucci

Het kan er ontzettend boeiend zijn, maar trop is te veel. En dus gooit onze redacteur de remmen nog eens dicht. Zijn goede voornemen: een paar maanden zonder Twitter. Want het begint weer pijn te doen, zelfs aan het centrale gewricht van zijn rechterarm.

Ik sukkel al enkele maanden met een tenniselleboog. Toch is het van begin jaren zeventig geleden dat ik nog eens een tennisracket in het echt heb gezien, laat staan aangeraakt. Maar de symptomen zijn onmiskenbaar: bij het optillen en manoeuvreren van de rechterarm pruttelt het elleboogsgewricht een beetje tegen, alsof het ontstoken is. Gelukkig heb ik geen plannen om op regelmatige basis de Hitlergroet te brengen, want dat zou momenteel nogal pijnlijk zijn. Mijn arm schreeuwt om rust.

Ik weet hoe ik mij die symptomen op de elleboog heb gehaald. Dat komt zo. Al meer dan acht jaar houd ik elke dag, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, uren aan een stuk, in mijn rechterhandpalm een iPhone vast. De rechterpink hef ik lichtjes op, om het toestel te ondersteunen. De rechterduim beweeg ik regelmatig op en neer, om te scrollen, zoals dat heet. En om korte boodschappen van maximaal 280 tekens in te tikken.

Ik durf de hoeveelheid tijd die ik zo al heb vergooid niet uit te rekenen – 8 jaar maal 365 dagen maal pakweg 4 uur per dag – maar ik begrijp dat mijn centrale armgewricht begint te protesteren tegen die volstrekt onnatuurlijke houding waarin ik het altijd wring. Zoals de menselijke elleboog niet gemaakt is om langdurig met een tennisracket tegen een bal te meppen, zo is hij evenmin gemaakt om de godganse dag aan het infuus van Twitter te liggen. Eigenlijk heb ik een twitterelleboog.

‘De vermaarde kerkgeleerde Rik Torfs, die zelf ook weleens een tweetje durft te placeren, schreef het onlangs in zijn column in ‘Het Laatste Nieuws’: ‘Het medium maakt je niet tot een beter mens.’ Beeld Jef Boes

Aan al die andere apps kan het niet liggen, want ik doe alléén aan Twitter. Ik zit niet op Facebook, Instagram, LinkedIn, Snapchat of TikTok. Ik doe ook niet aan spelletjes – mij zult u tijdens een belangrijke vergadering niet betrappen met Angry Birds of wat dan ook. Héél even heb ik mij proberen te vermaken met Candy Crush, maar binnen de kortste keren begon dat mij geld te kosten – omdat ik almaar extra levens bleef kopen – dus daar heb ik kordaat een punt achter gezet. Alleen Twitter blijft nog over, maar die ene app volstaat om mijn rechterarm urenlang in beslag te nemen.

Dat is niet meer gezond.

Voor wie het fenomeen nog niet zou kennen: Twitter, dat is zoiets als Facebook, maar dan met minder tekst, familie en vakantiefoto’s – alleen het gevit en gezeur en gestook, dat is een beetje vergelijkbaar. Uiteraard heb ik al tientallen keren die vermaledijde app van mijn telefoonscherm verwijderd, maar ik herval altijd na luttele uren – in het beste geval dagen.

Twee keer is het mij gelukt om maandenlang niet te tweeten. Een eerste keer in 2015, toen ik voor Knack een verhalenserie maakte over de manier waarop onze meningen tot stand komen – en ik zelf een paar maanden geen meningen wilde hebben of verkondigen.

Een tweede keer begin dit jaar, toen ik vijf maanden lang de app des verderfs heb weten te vermijden, om zo intensief mogelijk aan mijn boek Hoera! De democratie is niet perfect te kunnen werken. Ik kan dus wel clean blijven, maar alleen als er een hoger doel mee gediend wordt.

Dat zoek ik nu opnieuw, zo’n hoger doel. Al was het maar voor mijn elleboog.

Reputatie met katten

Twitter is niet alleen slecht voor de lichamelijke gezondheid, ook je reputatie kan er stevig onder lijden. Of, beter gezegd: het kan mensen een compleet verkeerd beeld geven van wie je bent. Daarom vind ik het zo jammer dat ik allergisch ben voor katten. Mocht ik een schattig kittentje in huis hebben, dan zou ik daar filmpjes en foto’s van kunnen maken en delen op mijn tijdlijn.

Zo doet filosoof Maarten Boudry het de laatste maanden: met grote regelmaat trakteert hij ons op speelse, grappige en aandoenlijke tafereeltjes met zijn katje, voor wie hij de eigen hashtag #WinstonPurrchill in het leven heeft geroepen.

Laatst zag ik een jongedame tweeten dat ze Maarten alleen al voor die filmpjes wil volgen. Dat is interessant, want als deelnemer aan het maatschappelijk debat heeft Maarten een veeleer polemische en onbuigzame reputatie. Wie hem alleen van de kattenvrije tweets kent, kan aldus de verkeerde indruk krijgen dat hij ietwat onaangenaam is in de omgang. Terwijl het tegendeel waar is.

Zelf bots ik ook vaak tegen die opmerking aan: mensen die mij bij een eerste ontmoeting zeggen dat ik in het echt goed meeval, en blijkbaar de kwaadste nog niet ben – wat ik bij dezen formeel kan bevestigen. Wie mij niet persoonlijk kent en alleen moet voortgaan op mijn tweets, zou daar het idee aan kunnen overhouden dat ik voortdurend ruzie zoek en soms alleen maar wil uitdagen en plagen. En ja, die neiging zit in het totaalpakket, maar het is maar een stukje van wie ik ben. En allicht niet het mooiste stukje.

De vermaarde kerkgeleerde Rik Torfs, die zelf ook weleens een tweetje durft te placeren, schreef het onlangs in zijn column in Het Laatste Nieuws: ‘Het medium maakt je niet tot een beter mens. Op Twitter leren we geen andere meningen kennen. We wijzen ze gewoon af. We leren er geen andere mensen te respecteren. We veroordelen hen zonder proces. We leren er niet genuanceerd te formuleren. We genieten ervan om genadeloos te zijn.’

‘Twitter is niet alleen slecht voor de lichamelijke gezondheid, het kan mensen ook een compleet verkeerd beeld geven van wie je bent.’ Beeld Lorenzo Matteucci

Dat is een beetje ongenuanceerd geformuleerd, maar er schuilt een grond van waarheid in. Twitter lokt impulsieve en scherpe reacties uit, en is een al te gemakkelijk ventiel voor ongenoegen dat ineens de kop opsteekt. Krantenartikel aan het lezen dat je boos maakt? Tweet! Naar Terzake aan het kijken en tureluurs worden van de politicus die zijn debatfiche opdreunt? Tweet! Naar de radio aan het luisteren en geïrriteerd vaststellen dat de belangrijkste vraag weer niet wordt gesteld? Tweet!

Kritiek. Kritiek. Altijd alleen maar kritiek. Dat is het gevaar. En zo denken mensen voor je het weet dat je tot niets anders in staat bent. Dat je een zeurpiet bent. Een zagevent. Een querulant. Terwijl je er heftig naar verlangt om eens een filmpje met een kitten te kunnen maken – ware het niet dat je dus allergisch bent voor die rotbeesten. Smiley.

Laat ik maar eens tot bekentenissen overgaan: mocht ik hetzelfde soms licht uitdagende karakter hebben, maar een ander wereldbeeld en andere naam – zeg: Theo Francken – dan valt het niet uit te sluiten dat ik ook af en toe fameus uit de bocht zou vliegen.

Een uitdagend klimaat

Voor ik mijzelf helemaal in het stof dreig te wentelen, misschien toch even aanstippen dat ik nog nooit iemand heb uitgescholden op Twitter. Ik maak altijd streng het onderscheid tussen de persoon en zijn uitlatingen of daden. Onder het motto: zeg niet dat iemand een racist is, zeg dat iemand racistische dingen tweet; zeg niet dat iemand vilein is, zeg wel dat iemand vileine daden stelt of uitlatingen doet. Maar ik kan weleens nodeloos scherp uit de hoek komen. Drie voorbeeldjes. Eén heel oud, twee recente.

Eerste voorbeeld: een jaar of drie geleden zag en hoorde ik hoe toenmalig CD&V-voorzitter Wouter Beke reageerde op een uitspraak van toenmalig onderwijsminister Hilde Crevits. Zij had geklaagd over de volgens haar gebrekkige betrokkenheid van ouders met een migratieachtergrond bij het schoolwerk van hun kinderen. Beke stond die uitspraak in Terzake te verdedigen, inclusief dubieuze verwijzing naar “de Vlaamse identiteit” – hét klassieke hondenfluitje om in te spelen op de racistische onderbuik van vele kiezers. Ik werd boos, greep mijn telefoon uit zijn holster en tweette dit nogal bondige stukje commentaar: ‘Rot toch op met je Vlaamse identiteit.’

Dat had eleganter gekund. Duidelijker ook. Let op, ik meende het, maar wie die tweet toen las en niet naar Terzake aan het kijken was, dacht misschien dat ik net een lijntje door mijn neus had gejaagd en amok begon te maken. Quod non. Mijn reactie was heel precies gericht op de uitspraak van Beke – hij heeft er wat later in de krant op ook gereageerd.

Tweede voorbeeld: een maand of drie geleden tweette ik iets uitdagends over het klimaat. Dat gebeurt wel vaker, omdat ik mij erger aan het gebrek aan debat. Dat het klimaat opwarmt en dat de mens daarvoor verantwoordelijk is, dát debat hoeven we niet meer te voeren. Maar wat we eraan kunnen doen, wat de gevolgen zullen zijn en hoe we daarop moeten reageren – dát debat wordt onvoldoende gevoerd. Het zogenaamde ecomodernisme krijgt nu pas, na decennia klassiek ecologisch denken, een plek in de media. Dat had veel vroeger gemoeten, vind ik, omdat ecomodernisten oplossingen zien die klassieke ecologen veronachtzamen – kort door de bocht: om het klimaat te redden, moeten we het kapitalisme en de moderne technologie niet afzweren, maar integendeel ten goede exploiteren. Wie de apocalyps voorspelt en denkt dat alleen een dictator of de totale ineenstorting van het kapitalisme ons kan redden, bezondigt zich aan uitzichtloos alarmisme.En daar schieten we niets mee op.

‘Toen mijn interview met geoloog Manuel Sintubin online ging, waren daar onmiddellijk de geërgerde reacties. Niet van anonieme trollen of andere verwaarloosbare schelders, maar van academici en collega’s voor wie ik veel respect heb.’ Beeld Wouter Van Vooren

Soit. Na een uitdagend tweetje waarin ik de ‘fanatieke alarmisten’ op de korrel nam, werd ik ineens uit alle hoeken onder vuur genomen. Collega’s van De Standaard en Knack, en als ik het mij goed herinner misschien zelfs van De Morgen, voelden zich blijkbaar persoonlijk aangesproken. Een jonge, fijne collega van Knack begon mij zelfs met verwijten te bestoken, als was ik alleen maar uit op stennis, zonder inhoud. Terwijl het omgekeerde waar is: ik wil over het klimaat meer inhoud, en minder stennis.

Nu moet ik eerlijk bekennen dat ik wat stennis soms wel lekker vind, maar door de gretigheid waarmee ik tweet, heb ik soms het gevoel dat ik aan het simultaanschaken ben tegen twintig mensen tegelijk. Dat is vermoeiend. Sommige uitdagende tweets zetten ook helemaal geen zoden aan de dijk, zijn geen zinvolle bijdrage aan het debat en door het gedoe met alle reacties nemen ze alleen maar tijd, energie en elleboogkracht in beslag, die je veel beter voor andere doeleinden kunt gebruiken.

Als ik Wouter Beke wil bekritiseren, of als ik iets wil toevoegen aan het klimaatdebat, dan doe ik dat beter met een doorwrocht artikel van 18.000 tekens dan met een tweet van maximaal 280 stuks. Dat is beter voor mijn elleboog, mijn reputatie, én mijn geestelijke gezondheid.

De Amerikaanse evolutiepsycholoog Geoffrey Miller, die de menselijke natuur beter kent dan wie ook, tweette onlangs twee vuistregels: (1) als je boos bent, begin dan niet te tweeten, (2) als je boos wordt terwijl je zit te tweeten, stop er dan onmiddellijk mee.

Ik weet nog dat ik toen dacht: slim bekeken, dat ga ik voortaan doen! Tot ik afgelopen zondag – hier komt het derde voorbeeld – geoloog Manuel Sintubin interviewde over het klimaatbeleid. Sintubin is veeleer ecomodernist, en kan dat goed en helder uitleggen. Hij biedt een verfrissend geluid in de hedendaagse kakofonie aan doemdenken. Dat zei hij ook in het gesprek: “Stop met mensen een depressie aan te praten.” Waarna hij concrete pistes aanreikte om eindelijk aan de slag te gaan met oplossingen.

En ja hoor, toen het stuk online ging, waren daar onmiddellijk de geërgerde reacties. Niet van anonieme trollen of andere verwaarloosbare schelders, maar van academici en collega’s voor wie ik veel respect heb. Opnieuw ontrolde zich dezelfde discussie. Dat ik aan framing deed, dat ik niet het hele spectrum liet zien. Terwijl ik gewoon een bonafide academicus had gebeld om iets nuttigs toe te voegen aan het debat, een invalshoek die nog altijd wordt onderbelicht. Men noemt dat ook wel: journalistiek.

Hitte in de keuken

En nee, het ligt niet aan het onderwerp. Het klimaatdebat is lichtjes verziekt, dat is juist. Maar er is ook de hele genderdiscussie, het identiteitsdebat, de Vlaamse politiek, de invloed van radicaal-rechts op zelfs de braafste christendemocraten – behalve poezenfoto’s is op Twitter élk onderwerp een bron van verhit debat.

Dat is op zich niet ongezond, en ik hou ook wel van debat, maar er zijn grenzen. Niet reageren vind ik onbeleefd, dus ik doe mijn best om iedereen van antwoord te dienen, maar trop is te veel. Mocht ik niet over een stabiel privéleven, mentale weerbaarheid en innerlijke rust beschikken, dan had ik allang uitgeteld in bed gelegen.

Ik had misschien beter een voorbeeld genomen aan Rik Torfs, die nooit reageert. Op geen enkele tweet. Torfs volgt ook bijna niemand – zelfs Donald Trump volgt meer mensen (48) dan hij (12). Torfs gebruikt Twitter alleen om zijn eigen mening te verspreiden. Dat is comfortabel, maar voor mij zou dat dus niet werken.

Het ergste zijn natuurlijk niet de collega’s met wie ik soms in botsing kom. Het ergste aan Twitter is de anonieme vuilspuiterij die almaar toeneemt. Ik heb al honderden accounts geblokkeerd of op mute gezet – zodat ik ze niet meer zie – maar toch glippen er altijd nieuwe schavuiten en schobbejakken door de mazen van het net.

Nesrine Malik, journaliste bij de website The Correspondent, beschreef het onlangs met een prachtige metafoor: ‘Door mijn tijdlijn scrollen voelt vaak aan als het visuele en mentale equivalent van wandelen op gebroken glas.’ En het ergste zijn niet alleen de ‘trumpiaanse extremen’, schrijft ze nog. Het zijn die dagelijkse ‘moddergevechten’, die ‘sneren’, die over het algemeen nogal ‘bijtende toon’.

Radio- en televisiemakers halen op Twitter vaak hun inspiratie: als er een Franse charmezanger sterft en Mia Doornaert tweet met enige melancholie dat ze hem ooit nog heeft geïnterviewd bij het aperitief op het strand van Saint-Tropez, wordt ze onmiddellijk gebeld door de redactie van ‘De afspraak’. Beeld Franky Verdickt / Imagedesk

Wie niet tegen de hitte kan, kan beter uit de keuken blijven, maar toch snap ik wat ze bedoelt. Je hoeft ook niet aldoor, dag en nacht, in de keuken te blijven staan. Er zijn nog andere kamers in het huis die de moeite van een bezoekje waard zijn.

Assita Kanko, Europees Parlementslid voor N-VA, was zo eerlijk om het onlangs in De Standaard op te nemen voor journalisten die soms onder de bagger worden bedolven, met een knipoog naar mijn recente artikel over de verdeeldheid bij de N-VA.

‘Als ik zie hoe sommige journalisten hier in Vlaanderen ervan langs krijgen op sociale media, dan hap ik naar adem’, schreef ze. ‘Verbaal gif, en erger. Waar eindigt dit?

Elke journalist moet een artikel kunnen schrijven dat desnoods loshangt van de veronderstellingen, op basis van anonieme gesprekken met ‘God en klein pierke’, maar die journalist moet ’s avonds wel met een gerust gemoed in zijn auto naar huis kunnen rijden.’

Naar adem happen doe ik niet zo vaak meer. En met haar analyse van mijn N-VA-verhaal van twee weekends geleden ben ik het natuurlijk fundamenteel oneens. Maar op dat ene punt heeft ze wel gelijk: bedreigingen en gescheld kruipen onder je vel, zelfs al is dat in de loop der jaren érg dik geworden.

Het gevoel dat ik krijg als ik ’s morgens sommige commentaren lees, is denk ik nog het beste te vergelijken met het gevoel dat er een papierversnipperaar in mijn buik zit – ik incasseer, en probeer de ergste boodschappen onmiddellijk te dumpen, versnipperen en vergeten. Maar dat kost elke dag opnieuw een inspanning. En de versnipperaar zit momenteel even vol.

Lachen, gieren, brullen

Voor u van puur mededogen in tranen uitbarst of denkt dat Twitter alleen maar het slechtste in de mens naar boven haalt of mensen ten gronde richt, toch even dit: Twitter heeft mijn leven tot dusver al enorm verrijkt. Ik heb er prachtige mensen leren kennen (volgtip: @detomhelsen), het is een bron van informatie waar geen papieren bibliotheek tegenop kan, en het biedt journalisten en schrijvers de gelegenheid om zichzelf in de markt te zetten – als ik dat zo lelijk mag zeggen.

Het is, we moeten daar niet onnozel over doen, een plek bij uitstek om aan personal branding te doen – juist daarom moet je je reputatie zorgvuldig proberen te bewaken. Radio- en televisiemakers halen op Twitter vaak hun inspiratie: als er een Franse charmezanger sterft en Mia Doornaert tweet met enige melancholie dat ze hem ooit nog heeft geïnterviewd bij het aperitief op het strand van Saint-Tropez, wordt ze onmiddellijk gebeld door de redactie van De afspraak.

Twitter is ook een plek waar aan factchecking wordt gedaan (volgtip: @Arbiteroftweets) en waar vaak terdege gelachen, gegierd en gebruld wordt (volgtip: @KoenVanDerElst). De eerlijke informatie en heerlijke humor liggen er voor het rapen. Twitter is gelijk het leven zelve: fantastisch mooi, maar geweldig lelijk.

Maar ik heb het dus even gehad. Om vele redenen, waarvan ik er eentje nog niet vermeldde. Niet alleen haalt het medium soms het provocerendste in mij naar boven, niet alleen put het mij soms uit, niet alleen krijg ik vaak buikpijn van de gore reacties – ook met de voorspelbaarheid ben ik wel even klaar. Van meer dan 99 procent van de mensen op Twitter weet je van tevoren perféct hoe ze op deze of gene boodschap zullen reageren. Het is ook dat treurige tribalisme waarvan ik even wil uitrusten.

Filosoof Patrick Loobuyck zegt het vaak als boutade, maar het klopt helaas – u kunt dat zelf makkelijk nagaan: als je drie willekeurige tweets van iemand bekijkt, dan kun je op basis daarvan zowat het hele wereldbeeld van die persoon samenstellen. Politieke overtuigingen vormen een soort van clusters, ook als ze niets met elkaar te maken hebben.

‘Toen ik maandag op Twitter liet weten dat ik ermee stop, stuurde Theo Francken mij een selfie van hemzelf en Bart De Wever met hun duimen in de lucht, als om mijn vertrek aan te moedigen.’ Beeld rv

Zo is het buitengewoon merkwaardig dat een afkeer van klimaatalarmisme vaak samengaat met een afkeer van migranten en asielzoekers. Of dat de verwerping van nationalisme vaak samengaat met een pleidooi voor meer subsidies voor de kunstensector.

Een van de verklaringen voor die vreemde parallellen is het feit dat mensen graag de beschutting van een moreel clubje zoeken, waar ze zich veilig voelen onder gelijkgestemden, en zo samen de wereld aankunnen. Het ontslaat mensen ook van de plicht om zelf grondig na te denken: volg gewoon het morele kompas van de groep en je bent beschut.

Dat is allemaal vast perfect evolutionair verklaarbaar, maar het maakt Twitter – en andere sociale media, neem ik aan – een beetje saai, voorspelbaar en vervelend. Slopend ook, omdat je als individu sowieso altijd moet opboksen tegen groepsdenken – nu eens dat van de ene, dan weer dat van de andere groep.

Ook hier moet ik de nodige nuance inbouwen: op Twitter zitten best wel wat mensen die het aandurven om als lonesome cowboys ook de eigen groep tegen te spreken, maar de ervaring heeft mij helaas geleerd dat ze zeldzaam zijn. Het stamdenken overheerst.

En dus, lieve mensen van Twitter die de moeite hebben genomen om mijn litanie tot hier te blijven lezen, neem ik voor een paar maanden afscheid van u. Overwinteren zonder Twitter is alvast de eerste ambitie, daarna zie ik wel weer verder.

Wat ik nu nog zoek, is een hoger doel, zoals bij die twee vorige keren dat ik Twitter even links liet liggen.

Ik kies twee paden. Dat van de geest en dat van het lichaam.

Eerst de geest. Toen ik maandag op Twitter liet weten dat ik ermee stop, stuurde Theo Francken mij een selfie van hemzelf en Bart De Wever met hun duimen in de lucht, als om mijn vertrek aan te moedigen. ‘Zijn gestook tegen onze partij tegen mezelf pakte gene verf’, schreef Francken. ‘Dag Joël.’

Dat was aandoenlijk, en onbeholpen – mocht ik in een tweet hebben gereageerd, dan zou ik de term ‘zesjescultuur’ hebben gebruikt.

Maar langs deze weg kan ik de heren Francken en De Wever melden dat ik het overweeg om de vrijgekomen tijd de komende maanden te besteden aan de vervaardiging van een boek over de blijkbaar onuitroeibare neiging van het Vlaams-nationalisme om langs de donkerbruinste randen van het politieke spectrum te scheren.

Ik ga om te beginnen het oeuvre van De Wever nog eens herlezen en dan eens diep nadenken over een schriftelijke dissectie van de N-VA-ideologie.

Maar ik kies ook voor het lichaam, want ik beweeg te weinig. Al dat getweet is niet meteen bevorderlijk geweest voor de fysieke conditie. Ik ga eens proberen om mij op een leuke, hippe sport te storten. Ik zat zo te denken: zou tennis niets voor mij zijn?

De elleboog heb ik al.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234